De eerste vier paragrafen van Genesis als sporen van primaire gebeurtenissen in de (oer)geschiedenis van het menselijk bewustzijn

In de eerste vier paragrafen van Genesis wordt het verhaal verteld van de schepping van hemel en aarde, van de schepping van de mens, man en vrouw, en hun verdrijving uit het paradijs; daarna de komt het verhaal over de moord van Kain op Abel. Deze verhalen kunnen benaderd worden als een verslag over het ontstaan van het menselijk bewustzijn en over de stappen in de ontwikkeling van dat bewustzijn. We vatten de verhalen dan niet op als allegorie maar als een verhaal in joodse termen verteld, dat sporen bevat van primaire gebeurtenissen in de (oer)geschiedenis van de mens . Die sporen verwijzen naar werkelijk plaatsgevonden sleutelgebeurtenissen, die samengevat kunnen worden in een nieuw verhaal, dat niet in strijd is met de oorspronkelijke teksten, maar ze juist verrijkt. Het kan geduid worden als de beschrijving van het proces van ontplooiing van bewustzijn in de menselijke ziel en geest zoals dat in Joodse termen is begrepen.

Er bestaat een theorie over de weg die het menselijk bewustzijn is gegaan en nog gaat. Die theorie is ontwikkeld door Jean Gebser (1905-1973), Duits-Zwitsers cultuurfilosoof. ( Ursprung und Gegenwart. DVA 1949-1953 und dtv, München 1973 )
Zijn theorie geeft een raamwerk waarbinnen veel aspecten van religieuze ontwikkelingen kunnen worden begrepen.

Gebser ziet de ontplooiing van het menselijk bewustzijn zich afspelen als een sprongsgewijs proces van opeenvolgende bewustzijnsstructuren, waarin de vorige structuur als het ware niet afgeschaft wordt maar radicaal omgezet wordt (umgelagert) in een volgende structuur, waarbij die vorige structuur wel blijft bestaan en in principe beschikbaar blijft. Dat zijn de archaïsche structuur, de magische structuur, de mythische structuur. de mentale structuur en dan als structuur die nu in het verschiet zou kunnen liggen: de integrale structuur. De omzetting van de ene naar de andere structuur gaat sprongsgewijs en hij noemt dit naar analogie van het uit de evolutieleer afkomstige begrip een mutatie. Iedere structuur kent zijn opkomst en bloei (effectiviteitsfase) en verval (defectiviteitsfase), die als het ware de kiemen in zich heeft voor mutatie naar de volgende episode.
In de archaïsche structuur het bewustzijn als het ware nog niet ontwaakt als een onderscheiden entiteit, het is geheel één met zijn wereld. Er is geen gewaarheid van tijd of ruimte. Het bewustzijn is nog niet afgescheiden.
In de magische structuur ervaart de mens zich wel als één met maar toch in verhouding tot de natuur als macht en tracht deze te bezweren en met betovering te manipuleren via rituelen en idolen. Een besef van tijd of ruimte als bewustzijnsconcept is nog afwezig. Drift- en gevoelsleven beheersen hem.
In de mythische structuur duikt een begin van tijdsbewustzijn op, als cyclus (seizoenen), de mens gaat zich ervaren als ziel in de wereld vol goden en symbolen. Zijn ervaringswijze is polair, uitersten die in elkaar overgaan (nacht-dag, hard-zacht, hoog-laag). Er is nog geen besef van ruimte als concept om de wereld te ervaren. Het spreken wordt belangrijk en uit zich in verhalen vol verbeelding.
Het mentale bewustzijn ‘ontdekt' tijd en ruimte. Waar de mythische wereld zich cyclisch ervoer, gaat de mentale wereld lineair denken (mentaal, geest). Gerichtheid/richting, overvleugelt kringloop. De mens ervaart zich als individu tegenover een wereld. Reflectie en abstractie lossen ervaren en verbeelding af. De mentale mens is geneigd de eerdere structuren, die in hem nog wel degelijk bestaan te ontkennen. Het is de periode van de moderniteit.
Gebser ziet de mentale structuur, die een aanzet vond omstreeks 500 voor de jaartelling en pas goed ontbloeide rond 1500 nu aangeland in zijn deficiënte structuur (die onder de dictatuur van de ratio staat). Het menselijk bewustzijn staat aan de voorstadium of zit al in de voorstadium van de integrale structuur. Deze is momenteel niet omschrijfbaar (wel noodzakelijk voor het voortbestaan van de menselijke wereld) en zal zich waarschijnlijk kenmerken door de integratie van de eerdere structuren, die geen macht meer over ons hebben, maar die wij kunnen hanteren; dat brengt met zich mee een overwinning van of een voorbijgaan aan het tijdsconcept en het ruimteconcept en de hantering daarvan in de mentale structuur.
Het integraal bewustzijn zal inhouden dat wij totaal in het moment leven en dat volledig in zijn waarheidsgehalte ervaren. De wereld en het levensmoment daarin worden doorzichtig, transparant. We hebben een hersteld contact met de oorsprong (Ursprung) en het vlietend nu (Gegenwart).

Gebser geeft geen waardeoordeel over de structuren en stipuleert, dat iedere structuur noodzakelijk is, dat iedere structuur winsten aan het bewustzijn biedt, maar ook zijn prijs betaalt (verbreding van dimensie, verlies aan intensiteit). Hoewel hij de term mutatie bezigt, is beschrijft zijn theorie niet een proces van minder naar beter. Hij hangt geen vooruitgangsgeloof aan en bezigt niet het woord progressie, dat hij een begrip uit de mentale structuur vindt.

We kunnen kritische noten plaatsen bij deze theorie den de methoden van Gebser om zijn ideeën aannemelijk te maken. Dat is nu niet aan de orde. Het grondidee is origineel en belangwekkend.. Een bekend filosoof en spiritueel denker als Ken Wilber is er schatplichtig aan.
Er is echter een zaak, die op te vatten is als een lacune in dit omzichtige en subtiel geweven en verwoorde ideeëncomplex. En dat is hoe in de ontwikkeling van het bewustzijn de medemens, de ander opduikt en daarmee gelijk de vraag hoe zich met de anderen te verhouden; het gaat bij de ontvouwing van het menselijk bewustzijn dus ook om de ontwikkeling van het ethisch bewustzijn dat gelijke tred houdt met de ontwikkeling va het bewustzijn in het algemeen, eigenlijk daarmee samenvalt, onlosmakelijk daarvan deel uitmaakt, het misschien wel constitueert. Een verhaal over de ontwikkeling van bewustzijnsstructuren gaat onvermijdelijk ook over de ontwikkeling van een ethisch bewustzijn.

Ook de ontwikkeling van dat bewustzijn gaat mijns inziens in fasen die sprongsgewijs zich tot elkaar ‘umlagern' via mutaties, waarvan sporen terug te vinden zijn in taal, beelden, kunst, geschriften etc., materialen, waaruit Gebser in zijn aannemelijkmaking uit put.
In dit stuk wil ik dat voor de ontwikkeling van de ethische kant van het bewustzijn ook doen en dan maak ik gebruik van maar één bron en dat is het boek Genesis (Hebreeuws: Bereshiet)

De theorie van Gebser levert een helpend referentiekader op om onder andere bij het boek Genesis te gebruiken. In die benadering gebruik ik de teksten van Genesis als sporen bevattend, die achtergelaten zijn door primordiale gebeurtenissen in het menselijk bewustzijn in zijn steeds doorgaand proces van bewustwording. Mijn betoog is dus niet bijbelwetenschappelijk van aard, maar eerder te karaktiseren als een reeks antropologische speculaties van een geïnteresseerde amateur.

Aan het begin zien we dan de magische wereldbeleving van de stam overheersen. In het millennium vóór het begin van de westerse jaartelling gaan zich met enorme snelheid grote veranderingen voltrekken in het menselijk religieus bewustzijn. De filosoof Karl Jaspers en in navolging van hem Karen Armstrong noemen deze periode het axiale tijdperk. Het is de tijd van de mythische bewustzijnsstructuur, maar de eerste tekenen van de mentale bewustzijnsstructuur doen zich voor.
Er ontstond een nieuwe visie op de mens en zijn plaats in de kosmos. De mensheid of althans zijn voorhoede trad uit de donkerte van archaïsche totems en taboes en mythische wereldbeleving met zijn vele goden en helden. De lichtkring van bewustzijn verbreedde zich. Oude archaïsche beelden en de mythische wereldbeschouwing van het volk, rijk aan beelden, vol godenverhalen verdwenen niet. Maar aan hen werd een nieuwe rijke inhoud te geven, ze werden getranscendeerd.

Vanuit een primordiale verwondering over het waarvandaan en waarom van mens en wereld is een zeer bijzonder verslag is gemaakt in de Tora, in het boek Genesis/Beresjiet.

Op het kruispunt van mythisch structuur en opkomst van mentale structuur – in de eeuwen die wel het axiale tijdperk worden genoemd - werden de scheppingsverhalen opgetekend, gebruikmakend van toentertijd revolutionaire nieuwe inzichten, die de mentale bewustzijnsstructuur inluiden, tegelijk met uit oeroude tijden overgeleverde mythische brokstukken. In de termen van de theorie van Gebser is Genesis (samen met de andere boeken van de Tora) duidelijk een ontworsteling aan de magische bewustzijnstructuur. Zorgvuldig heeft de redacteur van de boeken van de Tora de verhalen gezuiverd van de magische elementen van idolen, demonen, afgoden, en in de latere boeken met wetgeving is tovenarij streng verboden.

twee scheppingen van de mens in Genesis?

Als we Genesis 1 en 2 goed lezen dan valt ons op dat er sprake lijkt te zijn van twee scheppingsverhalen.
In Genesis 1 tot 2-4 is er een eerste schepping: een zelfverzekerde Schepper bezig de wereld te scheppen met veel overleg; hij noemt, ordent, maakt, scheidt en schept als kroon op het werk man en vrouw naar Zijn evenbeeld, om de aarde te vervullen en over haar te heersen.
Hij is bijzonder tevreden over zijn werk en zag dat het allemaal heel goed was.

In Genesis 2-4 tot 3 lijkt de schepping opnieuw verhaald te worden; de focus valt op de mens, die nu door de Schepper gevormd wordt uit stof, hem wordt leven ingeblazen en om hem heen wordt nu de schepping verder ingevuld, de mens wordt geplaatst wordt in een tuin, Gan Eden, hij wordt geconfronteerd met een verbod om van de boom van kennis van goed en kwaad te eten, hij wordt in zijn alleenheid gezien en na een zoekproces in de natuur met al zijn dieren wordt die mens aangevuld met een helper, de vrouw, die uit zijn zijde wordt gebouwd.

De eerste passages bevatten een grandioze beschrijving van de totale schepping in eenvoudige, maar krachtige poëtische termen en voert een afstandelijke transcendente godheid op, die zich verre houdt van het geschapene.
In de tweede passage wordt de schepping verhaald in de sfeer van een spannend volksverhaal, verteld vanuit een kleurige verbeelding, appellerend aan het gevoel en hier treedt een godheid op die contact onderhoudt met zijn schepselen, ook verder in de ontwikkeling van de plot.

Volgens de zogenaamde ‘documentary hypothesis' zou het zevendaagse scheppingsverhaal stammen uit de koker van de priesters en “intellectuelen” . Het paradijsverhaal is afkomstig van een vroegere schrijver. Volgens de documentary hypothesis zouden het priesterverhaal en het volksverhaal nogal losjes door de ‘eindredacteur' zijn samengevoegd, waardoor allerlei inconsistenties in inhoud en stijl bewaard zijn gebleven. Deze nu nog te vinden inconsistenties

zijn dan bewijs voor de heterogeniteit van het scheppingsverhaal.

Vanuit een integrale benadering kunnen we echter heel goed beide scheppingsverhalen als elkaar aanvullend met ieder een eigen boodschap opvatten.
Als bijbelcommentator wijst mijn naamgenoot U. Cassuto ((U. Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part one, from Adam to Noach, Jerusalem,
The Magness Press
) al op de verenigbaarheid van de beide versies ook al vanuit filologisch en narratief oogpunt. Uitgebreid en meticuleus documenteert hij zijn bewijzen tegen de documentary hypothesis van de protestante theologen en legt hij uit hoe de schijnbare tegenspraken in de twee verhalen toch met elkaar te rijmen zijn. De ‘tweede schepping' is een detaillering van het gebeuren op de zesde dag, de schepping van de mens, maar gaat daar nu in detail op in. Tegen de vele bijbelwetenschappers in blijft staande, dat een zeer begaafde en misschien wel goddelijk geïnspireerde en wellicht ook al door integraal bewustzijn bezielde redigerende hand in dit Bijbelboek werkzaam geweest.

We kunnen de genoemde twee versies, zonder aan de theologische eenheid van Genesis 1 en 2 af te doen ook bezien als verteld vanuit twee verschillende bewustzijnsstructuren. Het gaat dan niet om de theologische of literaire verschillen, die al dan niet wijzen op verschillende bronnen. Het laat ook onverlet, dat voor theologische of morele interpretatie de beide verhalen als niet tegenstrijdig en als een geheel gezien kunnen worden, zoals U. Cassuto ook omstandig aantoont.

Vanuit de bewustzijnsstructuren van Gebser is duidelijk te zien, dat het paradijsverhaal de tekenen vertoont van de mythische bewustzijnsstructuur. In die zin staat het dichterbij de oerbron dan het verslag van het zevendaags scheppingsgebeuren, dat duidelijk verteld wordt vanuit een mentale bewustzijnsstructuur. Het scheppingsverslag van de eerste verzen van Genesis is een kosmogonie, die getuigt van een begrijpen vanuit de mentale bewustzijnsstructuur. Die neemt afstand neemt, abstraheert, hanteert een bepaalde logica in handeling en tijd, gebruikt classificaties. De God van die eerste versie opereert op onmetelijke afstand.
In het paradijsverhaal met Adam en Eva en de boom der kennis van goed en kwaad - berustend op een heel oude overgeleverd volksmythe - zijn tijd en logica geen belangrijke factoren, wel het voelen en het ontdekken. God is hier nabij; hij neemt contact, spreekt, legt uit, roept, verwijt. Daarom is dit verhaal een veel rijkere bron van sporen om de ontwikkeling van eerdere fasen in het begrijpend en moreel bewustzijn van de mens te volgen dan het eerste verhaal, dat de totstandkoming van het universum en de mens daarin met bijna wetenschappelijke afstand beschrijft.

Gezien als verslag van bewustzijnsontwikkeling was er eerst die Adam in de tuin van Eden, een Adam, die zichzelf ontdekte en bomen en dieren en toen een medemens; daarna, veel later, dook de Adam op van de zevendaagse schepping in het begin van Genesis, de Adam, die zijn wereld als een universum kon ontwaren en daar theorieën over kon ontwerpen.

Maar het is ook heel belangwekkend om de verhalen te zijn als weerslag van bewustzijnsgeschiedenis en ook dan blijken zij een fantastische aanvulling van elkaar te zijn.