|
joodse gedachten over Jezus
Een uitgewerkte en uitgebalanceerde joodse visie op Jezus, in
theologische zin, bestaat die wel. Voorzover men ervan kan spreken
zijn in de joodse wereld nieuwe oriëntaties pas sinds kort
in ontwikkeling.. Door de eeuwen waren de Joden er meer op gericht
hun geloof tegen soms kwaadaardige aanvallen te verdedigen en
zich te verantwoorden voor hun afwijzing van de Jezus Christus
van de kerk. In de 19e en vooral 20ste eeuw is van beide zijden
een meer objectieve belangstelling ontstaan, bij Christenen voor
de historische Jezus en zijn Jood zijn, van joodse zijde, zij
het spaarzaam, voor het christendom als loot van het jodendom
via de figuur van Jezus.
Na kort een historisch kader te hebben geschetst zal ik mijn gedachten
vanuit mijn joods oogpunt met u delen over de historische heroriëntatie
op de figuur van Jezus en dan over Jezus en de Tora, over het
Messiasschap, over verzoening en verlossing en tenslotte zal ik
het hebben over de vraag naar de relatie jodendom – christendom
nu en verder.
drie crises in de geschiedenis
Maar laat ik mijn verhaal over Jezus, jodendom en christendom
kort in een historische context situeren. En wel rond drie grote
crises, die de woelige geschiedenis van 2000 jaar godsdienst en
wereldgeschiedenis speciaal hebben gestempeld.
De
eerste crisis is deze. Tweeduizend jaar geleden werd een joodse
leraar van unieke statuur met profetische allure en een boodschap
die vernieuwend was en de massa aansprak op jonge leeftijd geëxecuteerd.
Zijn volgelingen overwonnen deze crisis door te ervaren dat hun
meester was opgestaan uit het graf en dat de kern van zijn leer
verder moest worden verspreid onder de niet-Joden. Allengs werd
Jezus een goddelijke Christus en de in grote trekken joodse leer
werd aangepast aan de vaak Grieks georiënteerde niet-Joden
tot wat al snel christendom ging heten.
De
tweede crisis was de verwoesting van de tempel in Jeruzalem, het
centrum van de joodse eredienst, en een aantal decennia later
werd de stad zelf geheel verwoest. Hoe moest het nu verder met
het volk en zijn Tora. De crisis werd overwonnen door de rabbijnen,
voortgekomen uit de Farizeeën; ze volbrachten een waarachtige
transformatie en vernieuwden het geloof tot het Rabbijnse jodendom,
waarvan de Talmoed nog steeds getuigt. 1)
Het prille christendom was intussen voorgoed gescheiden en, geworteld
in gemeenschappen van niet-joodse inwoners van het Romeinse Rijk,
het groeide in aantal en macht op den duur ver boven het jodendom
uit ; het ontwikkelde zich tot vijand van zijn oergrond. Te beginnen
met de verklaring van de verwoesting van de tempel uit de afwijzing
van de Joden van Christus ontspon zich een Christelijke politiek
van vernedering, laster, vervolging, verbanning en bloedvergieten,
die tweeduizend jaar zou duren. Tegelijk sloten de Joden zich
af en wezen het geloof van hun Christelijke omgeving resoluut
van de hand en bejegenden het niet zelden met spot en neerbuigendheid.
2)
De
derde crisis, die ik in navolging van Irving Greenberg (op wie
ik later nog terugkom) even belangrijk acht als de eerste twee,
is de Sjoa. De verlichting en de emancipatie van de Joden bevrijdde
hen uit hun getto’s maar tegelijk schoot in seculiere bodem
ook een kwaadaardige rassenleer wortel, die als het ware voorbereid
was door en zich vermengde met het voortdurende door het christendom
gevoede antisemitisme. Dat alles leidde tenslotte tot de door
de Duitsers uitgevoerde genocide op de joden in Europa, de zg
Endlösung.
Om
deze grondeloze verschrikking te verwerken en achteraf nog enig
zinvol effect te geven was en is een herwaardering van alle waarden
nodig. Het leidde tot grondige heroverweging in zowel christelijke
als joodse kringen. Met name is aan de orde een geheel opnieuw
bezien en bespreken van de relatie tussen de twee geloven en daarmee
van de rol en de figuur van Jezus Christus. Ons samenzijn is speelt
zich tegen deze achtergrond af.
de historische Jezus
De noodzaak tot verwerking van de Sjoa katalyseerde het in de
19e eeuw al begonnen wetenschappelijk en theologisch onderzoek
naar wie Jezus nu werkelijk was, de historische Jezus, uitgepeld
uit de schillen van kerkelijke dogmatiek. Ook van joodse kant
zijn stappen ondernomen om het christendom en zijn Jezus Christus
beter te begrijpen.. Er verschijnen vele gedaanten van historische
Jezussen, al naar gelang men hem uitlegt vanuit welk perspectief
of welk belang. Een aantal zaken zijn toch aan te merken als gemeenschappelijke
bewustwordingen of bevindingen:
1.
Jezus was een Jood. Voor veel mensen, zelfs theologen, een verrassende
ontdekking. Een interview met mensen op straat met de vraag: wist
u dat Jezus een Jood was, zou ons verbaasd doen staan.
Jezus zou in de tweede Wereldoorlog met zijn moeder naar Auschwitz
zijn gestuurd.
2.
Jezus was religieus gezien een vrome Jood, de religio Christi
was het jodendom van zijn dagen.
Daarover had hij wat te vertellen, hij verbijsterde zijn medeleraren
en maakte de Farizeeën soms kwaad met zijn controversiële
visie, maar de discussies bleven toch meestal binnen de geaccepteerde
grenzen van het graag debatterende jodendom.
3.
De vier evangeliën geven deels wel een beeld van de historische
Jezus, met name de zg synoptische evangeliën Marcus, Mattheus
en Lucas. Maar deels weerspiegelen ze ook al de doelgroep van
de schrijver en de belangen van de verschillende fracties van
het jonge christendom om zich tegen het jodendom af te zetten
door vertekeningen en interpolaties. Met name de anti-joodse strekking
is al duidelijk en later versterkt. Het minst lijkt dit bij Lucas
het geval, terwijl het evangelie van Johannes ronduit vijandig
voor de Joden is geschreven. (een uitgebreide analyse in het boek
van Peter Tomson, zie hieronder)
4.
Deze joodse Jezus vormt een inspiratie, waaraan vele Christenen,
die hun christendom willen herdefiniëren zich kunnen oriënteren.
Herbeseft kan worden hoe het christendom heeft geput uit zijn
joodse bronnen. De joodse Jezus vormt de brug over welke een toenaderende
uitwisseling van gedachten en informatie plaats heeft gevonden
en nog plaats vindt.
Heeft
de joodse Jezus nu ook betekenis voor de Joden, dat is de hamvraag
mag ik niet zeggen, zeg maar: de kernvraag. Mijn indruk daarover
zal ik geven puttend uit mijn lezing van wat Martin Buber, David
Flusser, Jacob Neusner, Irving Greenberg en enkele anderen daarover
hebben geschreven. Niet overal zal ik de bron er rechtstreeks
bij vermelden. Tegen de achtergrond laat ik een enkele kinderervaring
meespelen en ook noem ik met dankbaarheid het geschrift ‘Eindelijk
opgedoken’ van de jongste broer van mijn vader George Cassuto,
die dit op het laatst van zijn pastoraal leven als een soort spiritueel
testament heeft geschreven. De huidige lezing ademt voor een belangrijk
deel de sfeer van zijn inzichten. Zijn nagedachtenis strekke tot
zegen.
Jezus
in zijn joodse wereld
De
Joodse bijbelgeleerde David Flusser z.l. lijkt vanuit joods oogpunt
een heel objectief en uitgebalanceerd beeld van Jezus te schetsen.
Flusser onttrekt zich zowel aan een oude traditie om Jezus af
te zetten tegen zijn joodse omwereld, maar laat zich ook niet
meeslepen Jezus te zien als een doorsnee rabbijnse leraar en wonderdoener.
Als classicus, filoloog en bijbelwetenschapper heeft hij een wijds
overzicht.
Ik destilleer uit zijn boek over Jezus het volgende beeld. Jezus
was een unieke, charismatische en profetische man, die overigens
geheel in de toenmalige joodse wereld thuis was en wilde zijn,
die de wet in acht nam en de toepassing ervan met passie bediscussieerde
met de Farizeeën, de schrijvers en het volk. Soms was hij
strenger in zijn opvattingen dan de Farizeeën (b.v. inzake
echtscheiding), soms milder (b.v. inzake de sjabbat).
Flusser toont aan dat veel van de revolutionaire uitspraken helemaal
niet zo revolutionair waren en dat veel parallellen van zijn opvattingen
in de joodse geschriften van toen of wat eerder en soms later
te vinden zijn. Ook mitigeert hij het ongunstige beeld van de
Farizeeën, dat vaak in latere lagen van de evangeliën
om ideologische motieven zwaar is aangezet. Duidelijk is dat Jezus
alleen onder zijn joodse volksgenoten werkte en wilde werken en
dat zijn bemoeienis met de Kanaänitische vrouw een uitzondering
is die de regel bevestigt.(zie ook Mattheus 10:5, uitzending discipelen
naar de verloren schapen Israëls)
eschatologie
Wat mij opvalt in het beeld dat Flusser schetst en – en
ook Martin Buber beklemtoont het - is het doorslaggevend belang
van het eschatologisch bewustzijn van Jezus om hem te begrijpen.
Jezus ervaart zijn tijd niet alleen politiek maar ook godsdienstig
gezien als een crisistijd. Het Koninkrijk der Hemelen is nabij,
het breekt door en zal zich binnenkort letterlijk vestigen. En
het is Jezus taak dit te verkondigen en evenals de profeet Johannes
roept hij telkens op tot de ommekeer, die in verband met dit komende
koninkrijk noodzakelijk is.
Deze eschatologische drive van Jezus verklaart veel van de urgentie,
scherpte en extremiteit van zijn boodschappen. Het geeft zijn
taak als verkondiger zijn bijzondere dimensie. Het establishment
is niet gevoelig voor de nadering van dit koninkrijk, maar de
armen, de hongerigen, de zachtmoedigen , de treurenden en de vervolgden,
die zullen het beërven.
Volgens Flusser – en hij haalt daartoe vele passages aan
– zag Jezus het Koninkrijk der Hemelen (van God) als gelijk
aan het Messiaanse tijdperk. Dat onderscheidt hem van de Farizeeën
die niet in een dergelijke eschatologische sfeer opereerden. De
fanatieke zeloten zagen meer brood in een politieke opstand.
Het meer spirituele Koninkrijk der Hemelen, stond op doorbreken,
en eiste van de mensen een streven naar een uiterste persoonlijke
levensbeslissingen naar spirituele volmaaktheid, zo ervoer Jezus
het.
Het
Messiaans verlangen is kenmerkend voor de joodse beleving, ook
nu nog gaat een Messiaanse snaar trillen, als ik denk aan een
tijdperk van liefde, gerechtigheid en vrede overal op de wereld
en dat de mensheid met in haar midden het joodse volk op weg is
naar die tijd.
Het koninkrijk van God zou in Jezus visie aanbreken en duren tot
het Laatste Oordeel en dan zou pas de Komende Wereld aan de orde
zijn. Aldus de reconstructie van Flusser. Of Jezus zich in dit
gebeuren de Messias dacht, daar kom ik straks op.
Jezus en de Tora
Nu kom ik op de ethische boodschap van Jezus die ook getekend
is door de radicaliteit en de urgentie van dat doorbrekende Koninkrijk
der Hemelen.
Volgens
Flusser zou moeiteloos een heel evangelie samengesteld kunnen
worden op basis van oude joodse geschriften zonder ook maar één
woord te gebruiken dat van Jezus was. En Jezus zelf zegt ook in
de beroemde Bergrede: Meent niet dat ik gekomen ben om de wet
of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden
maar om te vervullen (Matth. 5:17).
Toch
vinden we in deze Bergrede en op andere plaatsen accenten gelegd
die aanknopingspunten boden voor de opvatting van Jezus’
leer als eigenzinnig en apart. Jezus gaat in de Bergrede verder
dan de Tora. Niet alleen niet moorden, maar ook niet beledigen,
niet alleen niet echtbreken, maar ook niet scheiden, niet alleen
niet de eed gestand doen, maar ook niet zweren, hebt zelfs uw
vijanden lief. De radicaliteit blijkt ook uit de overtuiging dat
armoede en soberheid onontkoombaar was en rijkdom en materiële
welvaart absoluut een hindernis om dat Messiaanse koninkrijk der
hemelen deelachtig te worden.
Overal
zijn in de andere joodse geschriften wel parallellen te vinden
(b.v. ook bij de Essenen), maar Jezus zet het allemaal op een
unieke wijze bij elkaar. Hij profileert zich daarbij als een autoriteit,
die a.h.w. de essentie van de Toraboodschap opnieuw in een authentiek
beleven uitspreekt, tot leven wil brengen, gedrongen door de urgentie
van het naderende einde van de bestaande wereld. Hij gaat verder
dan de Tora en biedt daarbij zichzelf boven de Tora uit als leidsman
en voorganger op de weg naar verlossing. Hier is de kiem gelegd
voor de aparte positie van Jezus die na zijn dood door zijn volgelingen
zal worden opgenomen voor de uitgroei naar de Christologische
Jezus.
Jacob
Neusner heeft een boekje geschreven, waarin hij zich opstelt als
gesprekspartner van de Jezus uit het Mattheus-evangelie. Even
is ook hij de rijke jongeling die als vrome Jood zich houdt aan
de Tora maar toch vervulling mist en vragen stelt aan de meester;
hij krijgt te horen: verkoop uw schatten en volg mij. Volg mij.
Zal hij dat doen? Nee. Martin Buber zou misschien nog wel zijn
meegegaan, want hij ziet hier Jezus als de goeroe die het leven
vóórleeft. Maar de meer tot de Farizeeën geneigde
Neusner ervaart in de uitleg van Rabbi Jezus een aantal zaken,
die hij als niet in overeenstemming met de Tora beschouwt waar
Jezus toch niet aan zegt te willen afdoen.
Want de jongeling houdt immers de Tora en dat is voldoende en
het joods leven voltrekt zich in huis en haard samen met het gezin
en het volgen van één persoon met verlating van
dat alles is niet de joodse richtlijn. Het gezin en het doorgeven
van vader en moeder op zoon en dochter is immers de hoeksteen
van het joodse leven.
Enerzijds scherpt Jezus de Tora wel aan, anderzijds stelt hij
zijn eigen persoon steeds als een keuze voor de ogen van zijn
volgelingen. ‘Wie vader of moeder liefheeft boven mij is
mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven mij is
mij niet waardig’, zegt deze Jezus (Matth. 10:37) en dat
is zelfs tegen de Tien Uitspraken, eert uw vader en uw moeder.
En even daarvoor zegt Jezus te zijn gekomen niet om vrede te brengen
maar het zwaard, om tweedracht te zaaien tussen vader en zoon,
tussen moeder en dochter en andere gezinsleden en huisgenoten.
Dat Jezus zichzelf als persoon zo centraal stelt is voor Neusner
met alle respect voor deze uitzonderlijke leraar die Jezus is,
niet acceptabel (zie b.v. ook Matth. 19:29, Lucas 18:29,30). Jacob
Neusner volgt evenals de rijke jongeling de meester niet.
Ook valt hem op, dat Jezus zich in de regel tot de enkeling en
zijn heil richt en niet het heil en welzijn van het collectief
van Israël beoogt. Ook Martin Buber signaleert dit.
Hoe het ook zij, het is tenminste een met alle respect gevoerde
dialoog die Jacob Neusner opvoert met de Jezus uit de geschriften.
Voorzover Jezus optreedt als vertolker van de boodschap van de
Tora en als aanspoorder de ethische essentie ervan te vervullen
is hij ook nu nog voor de joden een gesprekspartner en inspirator.
Hij blijft met al zijn eschatologische gedrevenheid binnen het
rabbijnse discours. Jezus heeft ons joden veel te zeggen.
Maar
dat hij meer was dan alleen een Toraleraar, een rabbijnse onderwijzer
en wonderdoener is niet alleen mij uit de ‘opgeschoonde’
evangeliën duidelijk, zelfs in een van latere lagen ‘gekuiste’
versie van de synoptische verhalen zijn al aanknopingspunten te
vinden voor de latere ontwikkelingen naar de Christus van de geschiedenis.
Ik denk dat Jezus persoonlijk wel geloofd en ook gewild heeft,
dat hij ook na zijn dood een verschil zou maken, maar wel vermoed
ik dat hij verbijsterd zou zijn als hij had kunnen meemaken, hoe
zijn leven en sterven zou uitlopen op een Christelijke kerk met
al zijn clerus, zijn dogmatiek en met al die liturgie om zijn
figuur heen.
Jezus Messias
Jezus poneert zichzelf absoluut als een autoriteit met een zeer
bijzondere opdracht voor zijn joodse volk en dat spitst zich toe
naar het Messiasschap. Het is de vraag die vele onderzoekers en
bijbelgeleerden van de laatste twee eeuwen zich hebben gesteld:
beschouwde Jezus zichzélf als de Messias?
Flusser twijfelt op sommige plaatsen maar op andere bevestigt
hij dit wel. In ieder geval had Jezus een Messiaans zelfbewustzijn.
Met Martin Buber denk ik dat Jezus er lang mee heeft geworsteld,
dat hij heeft getwijfeld, maar dat hij tenslotte zichzelf als
Messias dacht. (zie Matth. 16:13). Aanvankelijk zal hij zich zeker
een profetische opdracht hebben gesteld.3)
Zeer
vermoedelijk kende hij de voorzeggingen in het boek Jesaja over
de knecht van de Heer (42 e.v.) heel goed en heeft hij zich daarmee
geïdentificeerd. Wellicht meende hij oprecht dat het lot
van de verachte, versmade lijdende knecht hem was beschoren. Hij
heeft het als levensopdracht, je zou haast zeggen als levensscript,
op zich genomen tot de dood toe. Het is dan niet zozeer zo, dat
de jesajaanse profetieën a priori op Jezus sloegen, maar
wel dat Jezus deze profetieën welbewust op zich heeft genomen.
Zou het kunnen zijn dat het provocerend optreden in de tempel
tegen de wisselaars en zijn tirades tegen de priesters en andere
tempelautoriteiten niet alleen een verkondigende strekking houden,
maar ook mede tot doel hadden zijn gevangenneming en lijdenslot
af te dwingen, zo vraag ik me af.
Jezus is gestorven als martelaar van de verkondiging van zijn
boodschap. Hij voorvoelde en bedoelde ook vermoedelijk deze afloop
van zijn aardse leven. Het zijn smartelijke taferelen, de geestelijke
worsteling in Gethsemane, de vertwijfeling aan het kruis, taferelen
die ook mij als ik ze weer lees beroeren.
Vanuit
joods oogpunt moet ik mij toch afvragen: is Jezus nu geslaagd
in zijn Messiaanse taak? Naar joodse maatstaven niet.
Dat de joden in de loop van de geschiedenis de man, uit wier naam
zij vervolgd en gedood werden, niet als Messias aanmerkten, zelfs
als een valse Messias, is al te begrijpelijk. Een groot wantrouwen
en een bedachtzaam zijn op bekeringspogingen vanuit de christelijke
omwereld is daaruit gegroeid en nog steeds aanwezig.
Los daarvan is het ook duidelijk: met Jezus’ dood is er
geen rijk van vrede en geen wereld van gerechtigheid ontloken,
het Koninkrijk van God is niet doorgebroken.
Op
zich is het messianisme van Jezus door en door joods. Greenberg
beschrijft als typisch kenmerk van het jodendom de neiging om
messiassen voort te brengen. Ik heb zo’n idee, dat vele
joodse moeders met hun pasgeboren baby op de arm er stilletjes
over gemijmerd hebben of hij (of ook zij) misschien wel de Messias
was en misschien heeft menig joodse man in een uithoek van zijn
mind zich wel eens heimelijk een moment een potentiële Messias
gewaand. Er zijn in de geschiedenis vele messiassen in spe geweest,
die het niet hebben gehaald, maar geen was zo bijzonder als Jezus.
Was
hij een valse messias?
Greenberg zegt nee, hij was : ‘a failed messaiah’.
Het was een authentieke en eerlijke poging. Maar vanuit joodse
optiek niet geslaagd dus. Maar geslaagd of niet geslaagd, we constateren,
dat de werking van Jezus boven hem uit is gestegen en dat die
werking in de geschiedenis nog steeds verder gaat. In zijn naam
zijn onzegbaar vreselijke dingen gedaan, ontzagwekkende en bewonderenswaardige
werken volbracht en ook ontelbaar veel goede en liefdevolle daden
verricht. Die doorwerking is nog steeds aan de gang.
En in zekere zin kunnen we als joden misschien zeggen, dat die
doorwerking in de christenen nog niet voltooid is en dat het aan
de christenen is om door hun werken alsnog de messiaanse status
van Jezus te bevestigen, voor henzelf en voor de wereld, en laten
ze het dan aan de joden overlaten hoe zij hún messiaanse
zaak behartigen.
Als aan het einde der tijden de messias dan echt komt kunnen beide
geloofsrichtingen hem vragen: komt u voor de eerste of de tweede
keer?
Jezus de verlosser
De vraag rond het Messiasschap is één ding, een
volgende vraag is:
was het lijden en de kruisdood van Jezus ook door hemzelf bedoeld
en bestemd als boetedoening voor de zonden van zijn gelovigen
en van de wereld?
David Flusser meent van niet, nadat hij de relevante teksten in
de eerste drie evangeliën , die historisch gezien het meest
betrouwbaar zijn, zorgvuldig heeft geanalyseerd. Het leerstuk
van de verlossing door het zoenoffer aan het kruis is vooral een
zaak van Paulus en latere christologische ontwikkeling. Het is
een uitlegging, die voorbij ligt aan de joodse Jezus en zijn joodse
leven. Het is ook het leerstuk dat voor de joden uiterst moeilijk
of niet te begrijpen is.
Als
kind ben ik Ned. Hervormd opgevoed en hoorde ik mijn vader uit
bijbelcommentaren spreken en de dominee van de kansel preken over
het lam Gods dat voor onze zonden is gestorven. Begreep er niets
van.
De ingewikkelde dogmatiek van God die is afgedaald naar de wereld
en mensvorm heeft aangenomen in zijn zoon, Jezus Christus, die
hij vervolgens heeft geofferd als zoenoffer om de mens uit zijn
zondige staat te verlossen, deze leer van rechtvaardiging en verlossing
door Christus, het is nog steeds moeilijk in te voelen wat het
inhoudt.
In een oude witz ligt dit ook besloten, de vreemdheid van het
kruis:
Moos ligt op zijn sterfbed en vraagt aan Saar: haal de pastoor
ik wil toch katholiek worden.
Saar wil deze laatste wens niet negeren en haalt de pastoor. Deze
komt en houdt een crucifix voor het gezicht van Moos en vraagt:
Moos, wat is dit? Moos zegt met een zucht: zwaar antiek…
Dat
God zich in één speciaal mens heeft belichaamd is
aan het joodse denken vreemd. En dat deze mens dan geofferd moest
worden ter verzoening is niet te begrijpen. Er zit voor de christenen
een zielewaarheid in die voor de jood moeilijk te peilen is.
Natuurlijk is er de diep-menselijke behoefte, bewust gevoeld of
ver verscholen, aan vergeving, verlossing, verzoening, hoe je
het wil noemen. Onbewuste processen, psychische mechanismen ,
schuldgevoelens en rituelen om dat allemaal op te heffen spelen
daarbij een rol 4). Het is hier
niet de plaats om daarop in te gaan.
De
joden hebben op het stuk van verzoening en verlossing hun eigen
religieuze weg in afgelegd. Verlossing en verzoening zijn in het
jodendom van centraal belang, dat wel. Maar mensenoffers zijn
allang afgeschaft sinds Avraham bij het altaar waarop zijn zoon
lag werd vrijgesproken van het dit oude Semitische gebruik. In
de tempel werden wel dierenoffers gebracht, zoenoffers en zondoffers.
Er was het ritueel van Grote Verzoendag, beschreven in Leviticus.
Niet lang na Jezus dood maakte de verwoesting van de tempel een
eind aan de bloedige offerdiensten.
Voortaan was de weg van verlossing een zaak van de ziel, de geest
en de daad. Wel wordt op Grote Verzoendag de offerdienst, zoals
beschreven in Leviticus, gelezen en in zekere zin herbeleefd vanuit
het verlangen naar vergeving en verzoening.
Maar verzoening of verlossing eist geen middelaar. Verzoening
tussen mensen gaat gepaard met onderling gesprek, het schenken
van vergeving van de een aan de ander, daadwerkelijk goedmaken
en zonodig vergoeding van geleden materiële en morele schade.
Verzoening met de hemel gaat via rechtstreeks gebed. Niet alleen
op Grote Verzoendag, Jom Kipoer. De praktiserende jood bid drie
maal per dag in het achttiengebed een bede om vergeving, en een
om verlossing. Uitredding en verlossing door geloof alléén
is niet toereikend, een levenswijze die de richtlijnen van de
Tora en zijn ethische principes tracht te realiseren komt erbij.
Ommekeer (tesjoewa) is altijd mogelijk, ieder moment en Gods genade
is altijd voorhanden en niet afhankelijk van het geloof in het
mirakel rond één menselijk persoon.
Zoals
gezegd: dat Jezus kruisdood niet de tragische afsluiting is geweest
van een profetisch leven, maar dat hij deze betekenis heeft gekregen
als offer ter verzoening en verlossing, is op conto te schuiven
van de apostel Paulus. Als we proberen van welhaast theocentrische
hoogte op de geschiedenis neer te kijken dan kunnen we Paulus
aanmerken als het instrument, waardoor Jezus’ dood zin kreeg
voor de niet-joden om te komen tot een ethisch monotheïsme
en om deel te hebben aan de genade van de Schepper zoals die aan
Israël is geopenbaard.
Het
bizarre van de christenen heb ik altijd gevonden dat de dood van
Jezus als het Christusoffer als een onmisbaar leerstuk centraal
staat in het geloof, maar dat die dood tevens als misdaad, die
dus eigenlijk niet gepleegd had mogen worden, de kern vormt van
de oerbeschuldiging dat de joden Christus hebben vermoord.
twee wijzen van geloven
Met het Christusverhaal kom ik dan op een wezenlijk verschil in
geloofsmodaliteit bij jodendom en christendom, zoals dat is ervaren
door en beschreven bij Martin Buber in zijn boek ‘Twee wijzen
van geloven’.
Hij onderscheidt de ‘emoena’ en de ‘pistis’.
Voor het jodendom is kenmerkend de emoena, niet zozeer als geloof
te vertalen als wel met ‘vertrouwen’; het is een je
gedragen weten door een verder niet ter discussie gestelde divine
presentie, persoonlijk van moment tot moment en als volk door
de geschiedenis.
De term voor het weer op zich nemen van de emoena is: ommekeer.
In het christendom is het overheersende geloofsbegrip de pistis,
die het zonder meer aannemen van een geloofswaarheid eist, als
daad en sprong. Die geloofswaarheid is dan in dit geval gecentreerd
in één persoon, Christus. Deze geloofsdaad is absoluut
nodig om te komen tot verlossing en verzoening.
De term die hier thuishoort is: bekering. Volgens Buber sprak
Jezus, in de synoptische evangeliën tenminste, over het geheel
genomen in de sfeer van emoena. Bij Paulus begint het accent te
vallen op de pistis, voorzover hij predikt dat de aanname van
Jezus als heiland en verzoener de enige weg is tot heil en God.5)
De stap naar vergoddelijking van Jezus is dan niet ver.
kunnen christendom en jodendom
elkaar ooit begrijpen?
‘Niemand komt tot de Vader dan door mij’, zei Jezus
(Joh. 14:6).
Dat geld voor de niet-Joden, maar niet voor wie al bij de Vader
is: het volk Israël.
Dat was het openbarende besef van Franz Rosenzweig, toen hij in
1913 twijfelde of hij Christen zou worden of Jood zou blijven.
Vervolgens heeft hij in zijn vrij korte leven de identiteiten
van christendom en jodendom grondig doordacht. Het is volgens
hem nodig dit te doen zonder elkaars overtuigingen als dwaling
te bestrijden.
Het is een complexe theorie, die lastig te volgen is, maar wel
belangrijk. Marcel Poorthuis vat Rosenzweigs opvatting over de
relatie van de 2 religies o.a. aldus samen:
“Er
zijn twee posities, die van het jodendom en die van het christendom.
…Vanuit elk van beide posities verschijnt de ander als volstrekt
noodzakelijk. Het jodendom heeft het christendom nodig om de boodschap
de wereld door te zenden, het christendom heeft het jodendom nodig
om niet te vervluchtigen tot heidendom. …Voor elk van beide
religies behoudt de andere religie iets onbegrijpelijks. De christen
kàn niet natrekken hoe de Jood al bij de Vader kan zijn
zonder de Weg die Christus is, te begaan. Een Jood kan niet begrijpen
hoe een christen door Christus tot God de Vader gaat zonder dat
als omweg te ervaren. Het jodendom is al bij de Vader.”
Rosenzweig
gaat uit van het verschil en ziet dat verschil ook als noodzakelijk.
Beide religies zijn zelfstandige openbaringen binnen een goddelijk
plan. Het gaat erom met elkaar in relatie te treden met volstrekt
respect voor elkaars ‘alteriteit’, andersheid.
In mijn eigen woorden uitgedrukt: het is beter vanuit acceptatie
van wezenlijk verschil naar overeenkomsten te zoeken dan met voorbijgaan
aan de verschillen vanuit overeenkomsten een soort schijnharmonie
te creëren. Christendom hoeft niet per se te verjoodsen en
jodendom hoeft niet per se te verchristelijken.
In zijn boek ‘For the sake of heaven and earth’ bouwt
de orthodoxe Rabbijn Irving Greenberg op de ideeën van Rosenzweig
voort.
Na de Sjoa en de stichting van de staat Israël plaatst Greenberg
die ideeën wel meer op de solide grond van de geschiedenis,
al doet hij dat op een vrij abstracte manier.
Wat de Amerikaanse rabbijn overneemt van Rosenzweig is het concept
van wat hij noemt ‘covenantal pluralism’.
Het is wellicht Gods intentie, dat via meer dan één
Verbond de mensheid zich kan ontwikkelen naar een wereld van vrede,
gerechtigheid en verlossing. Meer dan één verbond
kan zich in dienst stellen van vervolmaking van de wereld naar
een staat van verlossing, Tikoen Olam, het herstel van de wereld
in zijn proces van vervolmaking naar de messiaanse eindtijd.
Wel hebben de twee Verbonden deze intentie tot nu behoorlijk misverstaan
en hebben zij elkaar in een sfeer van concurrentie en triomfalisme
verworpen, veracht en belasterd. Na de catastrofe van de Sjoa
is de tijd gekomen voor ommekeer bij christendom, maar ook bij
jodendom. Noodzakelijk daarbij is het besef, dat God niet exclusief
bezit is en dat zijn liefde zo overvloedig is, dat deze niet in
één religie is uitgeput, maar meerdere varianten
kan omvatten. Meerdere menselijke antwoorden zijn mogelijk.
Greenberg zegt ongeveer: je hoeft de autoriteit van het eigen
geloof niet af te zwakken maar je kan wel de begrensdheid erkennen
van de kring waar het gelding heeft. Ik tracht één
voorbeeld van zijn theologie van de joods-christelijke relatie
te geven en neem daarvoor Jezus’ opstanding uit de dood.
Oorspronkelijk werd de opstanding van Jezus gezien als een blijk
van zijn goddelijkheid en als bewijs van de superioriteit van
het christendom. Als zodanig is het voor de religieuze Jood onacceptabel.
De opstanding kan ook geduid worden als werkelijke manifestatie
van God in de kring van mensen, die intens en oprecht tot Hem
uitriepen. Dan kan geaccepteerd worden dat hij zich in andere
dan christelijke kringen weer anders manifesteert.
De joden aanvaarden dat de messiaanse opstanding alleen denkbaar
is als het de hele mensheid betreft. Voor hen kan het helpen te
bedenken, dat het geen zin heeft de Eeuwige te beperken in de
keuze van manieren waarop hij zich aan anderen dan joden openbaart.
Greenberg stelt dan: het christendom heeft zijn status zelf in
de hand: christendom is afgodendienst als het verachting, vernedering
en dood zaait. Als het christendom het gebod de naaste lief te
hebben praktiseert, ook aan de joden, en Israël in de ruimste
zin spiritueel en fysiek steunt, is het welkom als gelijkwaardige
partner in de Tikoen Olam. Dan kan het jodendom uiteindelijk in
vreugde bevestigen een deel van zijn taak om de wereld tot zegen
te zijn gerealiseerd te hebben door uit zijn midden het christendom
als onafhankelijk geloof te hebben voortgebracht. Het kan het
christendom dan zien als een nieuwe expressie van het convenant,
dat Abraham is gesloten, naar de niet-joden.
In Nederland zijn veel christenen geïnteresseerd in jodendom
en veel is gedaan om het jodendom in zijn eigenheid te leren kennen.
De leerhuizen en het Folkertsma instituut, gesticht door Yehuda
Aschkenasy, zijn daar uitingen van. Omgekeerd is de belangstelling
maar matig is mijn indruk.
In Amerika heeft Greenberg met zijn denkbeelden heeft heel wat
protesten van collega’s en achterban geoogst.
Er is bij joden nog steeds veel drang in eigen wereld besloten
te blijven en veel irrationele, maar soms ook helaas terechte
angst dat een milde en coöperatieve houding naar de Christenen
zal worden misbruikt voor missionaire doeleinden en zal leiden
tot verwatering, afval of overloop. Ik denk dat de weg van Greenberg
een van de voorbeelden is van de weg die toch gegaan moet worden.
Veel goede wil en integriteit zijn nodig bij beide partijen. .
Een
aantal rabbijnen in de VS hebben een soort beginselverklaring
over de relatie jodendom - christendom uitgegeven onder de naam
‘Dabru emet’, laten wij waarheid spreken. Daarin worden
een aantal statements gemaakt die overeenkomsten en juiste intenties
onder woorden brengen, verschillen erkennen, maar die tegelijk
dienen als gemeenschappelijke basis voor een samenwerking van
Joden en Christenen op de weg naar een wereld van rechtvaardigheid
en vrede. 6)
Het
is wel nodig om goed te wegen en te weten wie je vrienden zijn.
Als ik kennis neem van de evangelicale beweging in de VS genaamd
Christians United for Israël met zijn agenda van geweld en
armageddon-ideeën (het heet in het jargon: ‘dispensationalism’)
dan ben ik er niet gerust op.7)
Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig.
besluit
Ik probeer tot een samenvatting te komen.
Er zijn vele gedachten in de joodse wereld over Jezus gevormd
en er is wel een ontwikkeling van ontkenning, afwijzing en afkeer
naar behoedzame appreciatie van Jezus, zoals hij vooral in de
synoptische evangeliën naar voren komt. Dat is alleen maar
goed. Stukken daaruit zijn voor mij zeker stof voor discussie,
verdieping of zelfs voedsel voor de ziel. Het levensdrama van
deze authentieke joodse man is aangrijpend en inspirerend voor
de huidige jood die zich los kan maken van de historische nasleep
en die door de evangeliserende en anti-joodse lagen van de evangeliën
heen kan kijken. Ook dan blijven er accenten over die vragen om
kritische beschouwing.
Een begrip van joodse zijde voor de latere Christologische ontwikkelingen
is veel gevraagd, ook veel christenen van vandaag worstelen ermee,
zie bijv. het belangwekkende boek van H. Kuitert over Jezus.
Een samenhangende theorie of theologie over Jezus is in het jodendom
moeilijk te vinden, laat staan dat deze is ontwikkeld over Jezus,
voorzover ik weet. Toch zou het de moeite waard zo’n onderneming
te wagen, maar misschien is dat buiten mijn weten ergens al lang
gebeurd.
noten
1)Het
is opmerkelijk, dat de toenemend felle veroordeling en verdoeming
van het jodendom door christenen in de eerste eeuwen van de gewone
jaartelling geen tegenhanger heeft in de Talmoed. Een enkele passage
zou Maria als hoer en Jezus als bastaard neerzetten. Een paar
keer wordt ene Jesja (Aramees voor Jesjoea-Jezus) vermeld, de
één een sekte-leider en de ander een afgodendienaar,
beiden geëxecuteerd tijdens Pesach. De verschillen overtreffen
echter ruimschoots de overeenkomsten. Ook worden een aantal passages
over Bileam met Jezus in verband gebracht; Bileam zou dan een
deknaam voor Jezus zijn. Allemaal zeer onwaarschijnlijk. Weerlegging
te lezen in de bron:
The
Jesus Narratives in the Talmud, door Gil Student, http://www.angelfire.com/mt/talmud/jesusnarr.html
Buiten beschouwing in het verband van deze lezing laat ik de uiteraard
in de volkscultuur van het de joden door alle eeuwen bestaande
stereotypen en spottende, soms lasterlijke beelden over Jezus
en christenen, een spiegeling zou je kunnen zeggen van de bekende
kwaardaardige stereotypen over joden.
2)
Wel bevat de Misjna en de daaruit afgeleide halacha een aantal
pittige regels over omgang tussen joden en niet-joden , die ronduit
segregatie bevorderend en discriminatoir zijn te noemen. Er is
in de rabbijnse wereld veel geworsteld met de vraag of christenen
nu gerekend moesten worden tot afgodendienaars of tot een aparte
categorie van hen die de Noachidische wetten aanhielden, waarvoor
veel soepeler regels zouden gelden. Rabbi Menachen ha-Meiri uit
de 13e eeuw staat vrij eenzaam overeind als tolerante humanist
avant la lettre om christenen van een aantal van deze discriminerende
voorschriften uit te zonderen, aan hen moest bijv. het per ongeluk
aan joden teveel betaalde wèl worden teruggegeven en aan
hen moesten verloren zaken wèl worden geretourneerd. Bron:
‘A
lonely champion of tolerance’, R. Menachem ha-Meiri’s
attitude towards non-jews’ door David Goldstein.
3)
Een markant moment van figuurlijke en letterlijke ‘verlichting’
lijkt de verheerlijking op de berg (Lucas 9:28-36, Matth. 17:1-13),
waar Jezus een glanzende uitstraling krijgt en spreekt met Israëls
grote profeten Mozes en Elia, in wier rij hij zich blijkbaar geroepen
voelde een plaats te hebben. Of het gebeuren werkelijk zo is geweest
of dat het de verteller, die er waarschijnlijk heilig in geloofde,
om te doen was de profetische status van Jezus op gelijk niveau
als zijn voorgangers te vestigen en het ‘fiat’ van
hen te verzekeren, het is een uitzonderlijk verhaal. Jezus’
finest hour? De scène lijkt met zijn licht en straling
in het levensdrama een glanzende tegenhanger te zijn van de donkerte
van het lijden. Hier op de berg worden lijf, leven, ziel en geest
als het ware een lichte en glanzende eenheid, daar op de berg
Golgotha worden lichaam, ziel en geest gebroken, al is er toch
wel een laatste eenwording in het sterfmoment.
4)
Interessant is de ‘psychologie van de verzoening’.
Dat laat ik hier verder rusten omdat mijn verhaal nu vooral meer
theologisch probeert te zijn. Ik vermeld: Sigmund Freud heeft
in zijn boek over Mozes (Der Mann Moses
und die monotheistische Religion) de theorie, dat in de oerhorde
ooit de broeders de oervader hebben gedood. Daarna brak zowel
schuldgevoel door als het verlangen toch weer een vader te hebben,
hetgeen leidde tot de projectie van een god in de hemel. Om deze
vader-god toch te verzoenen voor de ooit gepleegde moord op hem
wierp één van de oorspronkelijke daders-broeders
zich op als offer om de oude schuld te delgen. Deze oermythe komt
terug in de lotgevallen van het joodse volk in zijn uittocht en
verdere geschiedenis (waarin volgens Freud er twee Mozessen geweest
zijn, waarvan de eerste ook is vermoord, hetgeen weer vergeten
en verdongen is!), maar ook in het verhaal van Jezus. In zekere
zin beschouwt Freud het Christendom als een ‘patiënt
met beter ziekte-inzicht’ dan het jodendom, omdat het christendom
de moord op de vader, zij het bedekt, erkent en de joden dit nog
steeds verdringen. Een ingewikkeld (ook wel achterhaald) verhaal,
maar nog steeds prikkelend.
Ook de theorie van René Girard is belangwekkend. Hij gaat
uit van het offer van Christus als ‘zondebok’, het
offer, waarin alle chaotische agressie onder de mensen –
die weer voortkomt uit de begeerte naar wat de naaste heeft -
gefocust wordt op één punt en daardoor gereguleerd
en hanteerbaar.
5)
David Flusser nuanceert dit onderscheid tussen emoena als typisch
voor jodendom en pistis voor christendom, inzoverre hij meent
dat in jodendom elementen van pistis en in christendom elementen
van emoena wel degelijk zijn waar te nemen. Zie het betreffende
hoofdstuk in ‘Tussen oorsprong en schisma’, Folkertsma,
Hilversum, 1984)
6)
de verklaring Dabru Emet is in het Nederlands te lezen op de website
met adres:
http://www.xs4all.nl/~ojec/dabruemet.html
Ik citeer de website ‘Misjchol’: In september 2000
verscheen in de New York Times en in de Baltimore Sun een joodse
verklaring over christenen en christendom, onder de naam Dabru
Emet ('Spreek de waarheid', naar Zacharia 8: 16). De verklaring
is opgesteld door vier joodse geleerden uit de Verenigde Staten,
aangesloten bij het Institute for Christian and Jewish studies
en ondertekend door meer dan 150 rabbijnen en joodse geleerden
uit de Verenigde Staten, Canada, Europa en Israël.
Aanleiding voor de verklaring vormen de verschuivingen in het
christelijk denken over joden en jodendom sinds de shoah. De initiatiefnemers
zijn van mening dat deze christelijke ontwikkelingen een brede
joodse aandacht verdienen. 'We believe it is time for Jews to
reflect on what Judaism may now say about Christianity.' Dabru
Emet is een eerste aanzet tot een dergelijke reflectie. In acht
stellingen, waarin het onder meer gaat over God, de bijbel, de
geboden, de staat Israël en het nazisme, geven de auteurs
hun visie op de verhouding van het jodendom tot het christendom.
7)
Op de website
van de Amerikaanse TV-journalist Bill Moyers kunt u het allemaal
beluisteren en bekijken; hij is in gesprek met Rabbi Michael Lerner
en de theoloog Timothy Weber, die uitlegt : Dispensationalism
is a particular way of reading Bible prophecy which divides the
Bible into two stories. There's a story about God's earthly people,
Israel. And then a story about God's heavenly people, the Church.
And the basic premise of dispensationalism is that all Bible prophecies
concerning earthly events applies to the Jews. And all of those
events will be fulfilled literally in the End Times. So, Israel
must be returned to the land. They must stay in the land. Without
Israel in the land, there can be none of the other events prophesied
in the Bible. There can be no rise of Anti-Christ. There can be
no rebuilding of the Temple. There can be no Battle of Armageddon.
And there can be no second coming of Jesus Christ. So everything
is riding on the Jews, getting them there and keeping them there
in the Holy Land. Ga naar:
http://www.pbs.org/moyers/journal/10052007/profile2.html
geraadpleegde
literatuur
George
Cassuto, Eindelijk opgedoken, eigen beheer, Bunnik 1995,
epiloog, Bunnik 1996
Peter Tomson, Als dit uit de Hemel is …, Jezus en de
schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het
Jodendom, Folkertsma, Hilversum, 2002
Harry Kuitert, Jezus, nalatenschap van het christendom,
Ten Have, Baarn, 1998
David Flusser, Jezus, een joodse visie, Folkertsma, Hilversum,
2001
Martin Buber, Twee wijzen van geloven, Servire
Marcel Poorthuis, Rosenzweig over het christendom, in:Tweespalt
en verbondenheid, joodse reacties op christelijke theologie, bundel
onder redactie van dr. M. van Loopik, Meinema, 1998,
Jacob Neusner, A Rabbi talks with Jesus, McGill-Queen’s
University Press, Montreal, 2000
Irving Greenberg, For the sake of heaven and earth, the new
encounter between Judaism and Christianity, The Jewish Publication
Society, Philadelphia, 5764/2004
|