GROOT
EN KLEIN Enige gedachten over de strekking van Grote Verzoendag
Kol Nidrei door Perry Como op Youtube
groot
en klein
“
Onze diepste angst is niet dat we ontoereikend zijn. Onze diepste
angst is dat we oneindig machtig zijn. Het is ons licht, niet onze
duisternis waar we het allerbangst voor zijn. We vragen ons af: wie
ben ik dat ik briljant, buitengewoon aantrekkelijk, getalenteerd en
geweldig zou zijn. Maar waarom eigenlijk niet? Je bent toch een kind
van God?
Dat je je kleiner voordoet dan je bent komt de wereld niet ten goede.
Er is niets verheffends aan je kleiner voor te doen dan je bent, opdat
de mensen om je heen zich vooral niet onzeker gaan voelen.”
Als woorden van Nelson Mandela gaan zij de wereld rond. Hij zou ze
hebben uitgesproken bij zijn inauguratie tot president van de republiek
Zuid-Afrika. In feite is de tekst van Marianne Williamson, een van
de founding mothers van de z.g. Course in Miracles. Ze zijn te lezen
in een van haar boeken. Of Mandela ze nu geciteerd heeft of helemaal
niet gesproken doet nu niet meer ter zake. Ze zijn aan hem vastgehecht
geraakt en in ieder geval op hem van toepassing en in principe ook
op ons. De woorden wekken ons op, voelen aan als juist en roepen ons
op het beste in ons zelf te realiseren, om als het ware over de drempel
van onze angst te stappen in onze beste mogelijkheden.
In
de Machzor (het gebedenboek) voor Rosh HaShana en Jom Kipoer, lezen
we: “De mens zijn oorsprong is stof en zijn einde is stof. (…)
Broos als breekbaar glas, hij verdort als ’t gras”.
En: “Mijn G-d zolang ik niet geschapen was, zolang ik niet gevormd
was, was ik niets waard. En nu ik gevormd ben is het alsof ik niet
gevormd ben, want stof ben ik in mijn leven, hoeveel temeer dan, wanneer
ik gestorven zal zijn. Hier sta ik dan voor U Heer, als een voorwerp
vol smart en vol schande om zijn eigen tekortkomingen”. En vele
malen op Grote Verzoendag wordt in de ‘bekentenisgebeden’,
de Widoej, beleden hoe wij mensen hebben gedwaald en gefaald. De gebeden
brengen de bidders tot een besef van vergankelijkheid, kleinheid en
nietigheid, slechts overgeleverd aan de vergevingsgezindheid van de
Schepper.
Ook die woorden van de gebeden van Grote Verzoendag voelen aan als
juiste oproepen, hoe zwaar ze soms zijn aangezet ook of juist daarom,
als indringend en nodig aan.
Hoe
is dat met elkaar te rijmen, die ‘grootheid’ van de mens
en die ‘Kleinheid’?
twee
woorden
Wellicht
biedt Rabbi Bunam zicht op deze vraag.
Hij sprak tot zijn leerlingen: Ieder van jullie moet twee zakken hebben
om naar behoefte in de ene of in de andere te kunnen tasten: in de
rechter ligt het woord: “Om mijnentwille is de wereld geschapen”
(Talmoed, Sanhedrin 37)) en in de linker: “Ik ben stof en as”
(Genesis 18:27).
Deze
twee zakken zijn voor ons beschikbaar.
Je zou ook kunnen zeggen: de mens is een wezen dat gespannen is tussen
twee polen. In de ene is hij de koning van het universum; voor hém
is het geschapen en hij mag het bewerken en genieten, een winnaar
is hij. Maar onvermijdelijk breekt er een moment aan, dat zijn project
feilbaar blijkt, barsten vertoont en schipbreuk leidt. Hij belandt
bij de andere pool.
In de andere is hij klein, nietig en vergankelijk en moet hij, afgestapt
van zijn troon, erkennen dat hij het niet redt. Eenzaam is hij en
overgeleverd aan de genade van wat hem ver te boven gaat. De wende
die dan voor hem ligt is de ommekeer, de tesjoewa, en als hij die
wende maakt keert hij weer naar de andere pool en deze levenslange
slingerbeweging, is dat niet een van de grondtonen van het bestaan?
twee
Adams
Misschien
verwant daarmee zijn de typeringen van Rabbi Joseph Dov Soloveitchik
in zijn essay ‘ The Lonely Man of Faith’. Hij omschrijft
daarin a.h.w. twee bestaansmodaliteiten van de mens, gebaseerd op
Genesis 1 en 2: Adam de eerste (Gen. 1) en Adam de tweede (Gen. 2).
Adam de eerste is niet alleen de fysieke veroveraar van zijn natuurlijke
wereld, maar ook de mens, die de natuur in gaandeweg steeds meer als
het ware heeft gekoloniseerd en tot cultuur heeft gemaakt, met de
ongeremde capaciteiten van zijn geest de natuurkrachten onderzoekt,
deze leert kennen en bedwingen, op ingenieuze manier weet te gebruiken.
De mens als steeds kundiger dokter, ingenieur, architect, natuurkundige.
Wegen, bruggen, elektrische centrales, de skyline van Manhattan. (en
om de hoek kijkt de vervorming hiervan tot hybris, zelfoverschatting
en overmoed*)
Op het relationele vlak uit zich dit als volgt.
Adam de eerste is niet eenzaam, wel weet hij dat hij het alleen niet
redt, alleen is hij hulpeloos, daarom is hij een sociaal wezen, hij
werkt functioneel samen om de opdracht om de aarde te beheersen te
volvoeren. De relatie van mens tot mens is die van collectieve actie,
gericht op het bereiken van gezamenlijk succes.
Aldus de wereld onderzoekend en veroverend leert de mens zichzelf
kennen in de vrijwel onbegrensd lijkende mogelijkheden van zijn geestelijke
en creatieve capaciteiten.
Hierin ligt zijn waardigheid en glorie. In dit bewustzijn kan de psalmist
zingen (psalm 8):
“Want U hebt hem maar net minder dan de engelen gemaakt en hem
gekroond met eer en glans; U hebt hem heerser gemaakt over de werken
van Uw handen en alles aan zijn voeten gelegd”.
In tegenstelling tot de opperste waardigheid van de glorieuze veroveraar
Adam de eerste, is de situatie van Adam de tweede – die in Genesis
twee de hoofdrol heeft - die van opperste nederigheid.
Adam ontdekt zijn diepste menselijke identiteit in een diep gevoeld
besef van contact met het grote mysterie van het zijn, het mysterium
tremendum.
Tegelijk staat hij daarmee in een intense ontologische onzekerheid.
In zijn zoeken naar zin in de onmetelijke kosmos en in de blik van
de medemens ervaart hij zijn unieke en existentiële eenzaamheid;
onontkoombaar moet hij tot erkenning komen van zijn behoefte aan verlossing.
Dit is de lading van de uitspraak: ‘het is niet goed dat de
mens alleen is' en de daarop volgende zoektocht naar een metgezel.
De oplossing, de verlossing, kan echter niet bereikt worden door zoals
Adam de eerste ambitieus te werken, door inspanning en uiterlijk succes.
Het kan juist alleen door een nederlaag, een offer.
Wat is dit offer? De overgave, de terugtocht, gesymboliseerd in het
verhaal doordat de Eeuwige Adam ‘overweldigde' met een diepe
slaap. Toen pas vond Adam zijn metgezel. Toen pas was, zou je kunnen
zeggen, werkelijk existentieel contact mogelijk geworden.
Dit is volgens Soloveitchik de kiem van werkelijke gemeenschap als
geloofsgemeenschap. Waar de gemeenschap van Adam de eerste zuiver
utilitair is en egotistisch, is de gemeenschap van Adam de tweede
existentieel gekenmerkt door het offer; door overgave en het weggeven
van een deel van zichzelf wordt werkelijke gezelschap gevonden.
Tot
zover deze parafrase, waarmee ik de Soloveitchik hopelijk niet al
teveel onrecht heb gedaan. RC 170507
* Net had ik dit geschreven
of ik trof in een stukje van A. Soetendorp dit citaat van Spinoza
uit zijn Ethica aan: ‘Nadat de mensen zich éénmaal
hadden wijsgemaakt dat al wat geschiedt om hunnentwil geschiedt, moesten
zij wel in alle dingen datgene het belangrijkst vinden wat voor hen
het nuttigst was en al datgene voor het voortreffelijkste houden waardoor
zij het aangenaamst werden aangedaan’ Hier ontbreekt juist die
tegenpool!!!
-Machzor ‘Tov lehodot’, Gebeden voor Rosj Hasjanah en
Jom Kipoer ten gebruike in de Liberaal-Joodse Gemeenten in Nederland,
1964
-Martin Buber, ‘Chassidische vertellingen’, Servire, 1967,
p. 509
-Rabbi Joseph Dov Soloveitchik: ‘The Lonely Man of Faith’,
uit: Tradition: A Journal of Orthodox Thought, 1965. later uitgegeven
als boekje, Three Leaves Press, Doubleday, 2006
ASPECTEN
VAN TESJOEWA
vier
onderdelen
Het hoofdgebod is dat van verkeerde daden de dader omkeert voor het
aangezicht van de Eeuwige en deze daden belijdt, aldus vat Maimonides
samen in zijn Hilchot Tesjoewa.
Algemeen gesproken gaat het om daden of gewoonten, waarin we werkelijk
verbetering in kunnen en moeten brengen. In ons is een diep verlangen
schoon schip maken met de daden, waarmee we aan onszelf en anderen
verkeerd hebben gedaan, schade berokkend. Het gaat gepaard gaat met
een diep gevoel van berouw.
Daarnaast
kennen we misschien ook wel een soort schuldgevoel, ‘slechte’
gevoelens (‘ik ben slecht’, ‘ik ben waardeloos’,
‘ik ben een slachtoffer’), die de erfenis zijn van vroegere
traumatische situaties of situaties van vergaande ontkenning en verwaarlozing.
In zekere zin is het hechten aan zo’n gevoeld ook “een
onrecht” tegen zichzelf en misschien ook tegen anderen.
Tesjoewa is in dit geval eerder: het oprecht onderzoeken en afstappen
van negativiteit , terugkeer naar de onschuld, erkenning en herkenning
van: ik ben in wezen goed, ik ben intrinsiek waardevol. Soms kan dan
counseling of therapie daarbij helpen.
Maar
de algemene lijn volgend is tesjoewa : erkenning – dit heb ik
gedaan – , berouw, belijdenis, ommekeer en reparatie. Dan kan
verzoening plaatsvinden.
In de tijd van de Hoge feestdagen, kan de mogelijkheid van verzoening
en vernieuwing groeien en als het ware nieuwe ruimte openen om het
beste in ons te realiseren. Het is een appel om de jetser ha-tov,
het verlangen naar de goedheid, aan te spreken en in te zetten.
goed en slecht
Even een uitweiding over de jetser ha-tov. Het is mijn persoonlijke
overtuiging dat we niet blanco ter wereld komen. We zijn geen tabula
rasa. We zijn ook niet gepredestineerd. En evenmin inherent slecht
of goed. Wel is in ons ieder geplant het zaad van het verlangen
naar het goede, dat wil zeggen een verlangen naar ontplooiing van
onze competentie en van ontvouwing van het primaire verlangen om
– ieder op zijn specifieke manier – goed te doen aan
medemens, groep en samenleving. Dit is voor mij de jetser ha-tov.
Geleidelijk ontkiemt zich – natuurlijk in een relationeel
proces met ouders, omgeving – het zaad van de jetser ha-tov.
Natuurlijk worden daarbij vele hindernissen ondervonden. Sprookjes,
mythen en ook de aggadische vertellingen uit Tora, Talmoed en midrasj
zijn daar vol van. De reis van het leven gaat soms door barre landen.
Maar in een
aparte Slechtheid geloof ik niet, een aparte kracht die het universum
bezielt, zoals de leer van Zarathoestra of het Manicheïsme
beweert. Slechtheid is meer afwezigheid, afwezigheid van goedheid,
niet- ontplooidheid van de jetser ha-tov. In die zin is Satan inderdaad
een handlanger van de Eeuwige. Het zaad van de goede neiging kan
door wat voor oorzaak dan ook niet ontkiemen. Dat brengt een diepe
en intense pijn – ook wel angst - teweeg in hart en ziel (die
dan weer met alle macht moet worden onderdrukt). De negatie van
de jetser ha-tov uit zich in het uitsluitend zoeken van bevrediging
in de sfeer van het driftwezen dat we ook zijn. Het vermijden van
de primaire pijn van niet ontplooide competentie en niet ontvouwde
essentie kan zich ook via de woede of razernij uiten in destructie;
de pijn of de angst is dan even bevredigd als deze zich weerspiegeld
ziet in de pijn en de angst van een ander. Zoals we weten kan dat
vér gaan. Het is vaak moeilijk te accepteren , maar slechtheid
trekt vaak vele mensen met zich mee in het onheil. De slechtheid
van de een is het lot van de ander.
Slechtheid
is afwezigheid van het goede en de beschikbare energie wordt deels
gebruikt niet om de jetser ha-tov te volgen maar om muren te bouwen
om de oorspronkelijke essentie. Hier kan ik nu niet verder op ingaan.
Wel signaleer ik nog dat wij vol indrukken zitten en oordelen over
wat en wie slecht is. Maar het is goed om altijd te beseffen: het
laatste oordeel is niet aan ons. Terug naar het herstel-aspect:
tesjoewa.
Van oudsher leert men dat tesjoewa uit vier onderdelen bestaat:
Het stoppen van de van de verkeerde daad of houding.
Berouw.
Bekentenis, waarbij men de overtreding of afdwaling met naam moet
noemen. Volgens Maimonides is luidkeels berouw betonen altijd goed
– met smeking en geween - maar zeker tussen Rosj HaSjana en
Jom Kipoer.
De overtredingen tegenover de Eeuwige hoeft men alleen in het algemeen
te belijden en hoeven niet concreet en hardop genoemd te worden. Misstappen
tegen de medemens, zoals het toebrengen van schade, iemand vervloeken
of diefstal en dergelijke, worden pas vergeven, nadat men teruggegeven
heeft wat men de naaste schuldig is en vrede met hem gesloten heeft.
(HT II 9) Ook als reparatie van aangedane schade is gedaan is het
nog nodig om vergeving te vragen.
Dan is er het commitment om je in de toekomst verre te houden van
de gepleegde dwaling.
Het
proces doet mij denken aan mijn vroegere vakanties lange afstand wandelen
in Frankrijk met die gidsjes van de Grand Randonnée vereniging.
Zowel de aanwijzingen waren vaak onduidelijk als mijn Frans niet perfect
en soms let je gewoon niet op. Dan gebeurde het meer dan eens dat
ik een afslag miste of zo. Na een tijd lopen, soms meer dan een uur,
merkte ik dan, alleen temidden bossen en velden, met grote tegenzin:
ik ben verkeerd gelopen. Recept is dan ondanks de neiging door te
willen lopen en te hopen op goed geluk: onmiddellijk stoppen, gaan
zitten en erkennen dat een vergissing is gemaakt (berouw), reconstrueren,
waar ging het verkeerd (inkeer), en dan: langs dezelfde terug (ommekeer)
naar het punt het verkeerd ging en als ik dat had teruggevonden was
er grote opluchting dat ik weer op het rechte pad was (verzoening)
en nam ik mij heilig voor beter op te letten (nieuw commitment).
balans
Maimonides behandelt uitgebreid een aantal indelingen op het gebieden
van verkeerde daden en verdiensten. Met zijn briljante en nuchtere
geest maakt hij een aantal interessante onderscheidingen. Niet allemaal
spreken die ons nog aan of komen die ons als reëel voor.
Vooral de kwantificering, die hij vaak toepast lijkt niet meer zo
van deze tijd.
Vaak gaat de kwantificering in de vorm van optelsommen en vergelijking
van de uitkomsten.
Een tsaddik is iemand wiens verdiensten zijn misstappen overtreffen.
Een slechterik, rasja, heeft meer slechte daden dan verdiensten. Is
het half om half dan is er sprake van een middelmatige, een ‘benoni’.
Onder wie rekent u zich?
Overigens gaat het niet strikt om aantal, maar om zwaarte. Een grote
goede daad weegt op tegen meerdere lichte overtredingen. Deze kwantitatieve
benadering staat wel veraf van mij.
Toch is het misschien wel zo dat we ergens een soort innerlijke intuïtie
hebben over de stand van de weegschaal in ons leven. Misschien meestal
latent. Rosj Hasjana en Jom Kipoer geven de entourage in woord en
gebed om die tastende en diagnosticerende gewaarwording vooral naar
boven te brengen zoals ook vaak gebeurt in de moeilijke uren van crises
in het leven en ook zware ziekte en het sterfbed.
Maimonides geeft als goede arts een recept: beschouw jezelf als middelmatige,
als een ‘benoni’ , bij wie iedere volgende daad de schaal
kan doen doorslaan naar de ondergang, zowel van jezelf als van de
wereld (op wie deze berekeningen ook van toepassing zijn).
Hij
gaat ook uitgebreid in om wie met welke zonden wel of geen toegang
heeft tot de Komende Wereld, Ha-olam Haba, zeg maar het gelukzalig
voortleven van de ziel na de dood. Voorbeeld van zijn benadering:
Wie nooit gebedsriemen heeft aangelegd wordt in overeenstemming met
zijn overtredingen geoordeeld maar heeft wel toegang tot de Komende
Wereld.
Een aantal groepen worden opgesomd, die absoluut geen toegang hebben,
maar wier ziel absoluut verloren gaat, ketters (beschreven in 5 categorieën),
afvalligen (2 soorten) en zo meer. Ook een aantal daden en eigenschappen
die berouw en boetvaardigheid in de weg staan beschrijft hij, wel
24 zijn het er. Ik laat dit verder maar voor wat het is maar citeer
wel een passage die ons misschien moed geeft:
"Wie terugkeert van zijn kwade zaken en als berouwvol mens sterft,
die behoort tot de Toekomende Wereld, want tegen berouw is niets bestand....
ook al ben je weerspannig en slechts in het verborgen teruggekeerd
en niet in het openbaar, je boetedoening wordt aanvaard”
laat
je klederen ten allen tijde wit zijn
Wacht met ommekeer niet lang, zegt Maimonides, als je verkeerd hebt
gehandeld, doe er dan meteen wat aan, je moet er van uitgaan, dat
je spoedig kan sterven, en hij citeert Prediker; Laten ten allen tijde
uw klederen wit zijn. Oewechol eet jehijoe wegadècha lewaniem.
Dat komt uit deze passage, die ik graag volledig weergeef: Prediker 9: ‘7 Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink
uw wijn met een vrolijk hart, want als u dit doet, dan heeft God dit
reeds lang zo gewild. 8 Laten uw klederen te allen tijde wit zijn
en laat olie niet op uw hoofd ontbreken. 9 Geniet het leven met de
vrouw die u liefhebt, al de dagen van uw vluchtig leven, die Hij u
geeft onder de zon, al uw vluchtige dagen, want dat is uw deel onder
de levenden en bij het zwoegen, waarmee u zich aftobt onder de zon.’
Volgens Maimonides bedoelt Prediker dus: geniet van het leven, maar
laat je lei altijd schoon zijn …NB in de NBV wordt vertaald:
Draag altijd vrolijke kleren (sic!)
groot
is de kracht van tesjoewa
Het gaat niet alleen om het onderkennen en bekennen (vidoej) van metterdaad
begane verkeerdheden, het materieel of immaterieel goedmaken ervan
en het afsmeken van verzoening, dat op Jom Kipoer zijn hoogtepunt
vindt, de fase van inkeer (Kappara).
Het gaat tegelijkertijd ook om een wezenlijke verandering van instelling
en attitude naar de toekomst toe, om ommekeer – Tesjoewa. Dat
houdt onder meer in dat we onszelf onder de loep nemen vanuit een
wens om de waarheid en een verlangen naar ontplooiing.
Groot
is de kracht van tesjoeva, want daardoor rekent de Schepper opzettelijke
daden onopzettelijk en onopzettelijke daden worden meteen vergeven,
zegt de Talmoed. Oude wijzen maken nog onderscheid in ‘lagere
tesjoewa’ en ‘hogere tesjoewa’. Van lagere tesjoewa
is sprake als je uit angst ommekeer doet, b.v. angst voor straf. Hogere
tesjoewa is ommekeer uit liefde, uit een verlangen om zo dicht mogelijk
bij de schepper te zijn. Dan wordt de gepleegde daad zelfs tot verdienste.
In kabbalistische termen worden dan de korsten of schillen (klipot)
die het kwaad zijn weggetrokken en komt de goddelijke vonk van goedheid
vrij, die omhoog kan rijzen naar de hogere werelden. Energie komt
vrij voor persoonlijke transformatie.
Voordat
de wereld geschapen werd was er al tesjoewa, zegt de midrasj. Zonder
Tesjoewa zou de wereld niet kunnen bestaan. Pas daarna werd samen
met het universum de tijd geschapen.
In navolging van een moderne commentator zou ik Tesjoewa kunnen begrijpen
als staande buiten de tijd, geen deelhebbend aan de tijd. Ergens in
ons wezen, via de ziel, onze nesjama, hebben wij toegang tot die buitendimensionele
plek, waar tesjoewa werkzaam is. Wanneer we onszelf onderzoeken en
heroriënteren op ons leven staat die mysterieuze beschikbaarheid
open en hebben wij de kans om buiten tijd en ruimte te komen en het
verleden als het ware te herschikken en te herlezen tot een nieuw
verhaal. Misschien kennen jullie die momenten van alomvattende verzoendheid,
waarin je leven opeens in een ander licht komt te staan en een glans
en gerichtheid vertoont die je tevoren helemaal niet gezien had.
Misschien is dat waar we willen zijn aan het slot van Jom Kipoer.
Het wordt onderstreept en stemgegeven door de sjofar.
RC 070607
litt.:
Mozes Maimonides, Twee ethische tractaten, Meinema, Zoetermeer.
DE
SJOFAR
Vanaf
het begin van de Joodse geschiedenis heeft de sjofar geklonken. Eeuw
in eeuw uit schalde het doordringende geluid in de woestijn, de tempel,
om de legerscharen te verenigen en moed in te blazen en natuurlijk
in de synagoges, eeuwenlang en overal ter wereld.
Als sjofar kan dienen de hoorn van ieder kosjer dier, meestal een
ram. Alleen die van de koe wordt nooit gebruikt. Moeilijke vraag:
Kan iemand raden waarom? (om Kodesjborchoe niet te herinneren aan
de dwaling van het ‘gouden kalf’ – eigenlijk jonge
stier - ) hoe klinkt de sjofar? klik hierboven
De essentie van de sjofar is, lijkt mij, het inluiden van een beslissend,
zo niet heilig moment. Het indringend geluid boezemt een gevoel van
urgentie en ontzag in. Dat begint al in Ex. 19: 16 Op de derde dag,
bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen,
er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het
geschal van een ramshoorn.
Am. 3:6 Klinkt ooit in een stad de ramshoorn zonder dat haar inwoners
bang worden?
De sjofar schalde bij de aankondiging van het Jowel-jaar, de kroning
van een koning van Israel en het alarmerende geluid van de hoorns
riep in de oude tijden de mannen op zich tot legers te vormen om het
land te verdedigen. En natuurlijk klonk hij eeuwenlang in de tempel
naast de zilveren trompetten waar de levieten de dienst aan God mee
onderstreepten.
Maar allengs is de sjofar eigenlijk alleen nog maar in de synagogale
eredienst te horen. Een uitzondering is 1967, toen hij ook klonk na
de verovering van de oude stad van Jeruzalem.
Op Rosj Hasjana klinkt van oudsher de sjofar in al zijn oude glorie:
Lev. 23: ‘Zeg tegen de Israëlieten: “De eerste dag
van de zevende maand moeten de hoorns schallen. Het zal voor jullie
een rustdag zijn, die je als heilige dag samen moet vieren.
Wat wil die sjofar ons op die dag vooral zeggen? Ontegenzeggelijk
dringt het geluid diep in ons door en wie voelt er niet iets heel
elementairs in het hart woelen.
De
eerste boodschap is fundamenteel en simpel: Keer om! Keer om! Tesjoewa…
Maimonides (Hilchot Tesjoewa 3:4) zegt het op zijn gebruikelijke droge
en pregnante manier, wel erg plechtstatig vertaald: ‘Alhoewel
het blazen van de ramshoorn (Shofar) op Nieuwjaarsdag door de Schrift
is geboden, bevat het nog een extra aanduiding, en wel: Waakt op,
waakt op uit uw slaap gij slapenden, wordt wakker gij sluimerenden
uit uw sluimering en onderzoekt uw daden, keert om in boete en berouw
en gedenkt uw Schepper. Gij die de waarheid zijt vergeten door tijdelijke
ijdelheden, die het hele jaar ijdel en ledig hebt gedoold, nutteloos
en zonder uitredding, ziet uzelf aan; aanschouwt uw wegen en daden.
Laat ieder van u zijn kwade weg verlaten en de gedachten die niet
goed zijn prijsgeven.’
Tesjoewa: als ik het in mijn eigen woorden tracht uit te drukken:
Tesjoewa is de marge van vrijheid die in de schepping is ingebouwd,
de speling die vanaf het begin in de schepping is meegegeven en die
in de mens zich manifesteert als de wonderbaarlijke mogelijkheid om
het isolement, waarin we door onze kortzichtige ideeën en eigenzinnige,
zelfbeluste daden zijn beland, te doorbreken, waardoor we weer verbinding
kunnen voelen met onze essentie, met onze gemeenschap en met het mysterie
van de schepping. “Zo groot is Tesjoewa, dat het aan de schepping
van de wereld voorafging” zegt de midrasj en Rav Kook zei: “Tesjoewa
ging vooraf aan de wereld en is daarom het fundament ervan. Het leven
verwerkelijkt zich vooral door voortgaande onthulling van essentiële
aard van tesjoewa”
In
het geluid van de sjofar verstrengelt zich emotie en betekenis.
Wat associeert u met de tonenreeks, die in de ‘seder ha-tekiot’
(in onze Machzor op p. 127) wordt geblazen.
Welk verhaal wordt opgeroepen?
Ik las de volgende indrukken, waarin ik veel herken, u ook?
In het begin van de reeks vertelt de gerekte toon van de eerste bazuinstoot
– de Tekia – nog van rust en sereniteit mee.
Maar dan komt de tweede sjofartoon, de Sjewariem: in de drie smartelijke
klankgolven klinkt verdriet, wanhoop en tragedie.
De derde toon is de langgerekte gebroken stotterttoon, die we Teroea
noemen. Wat roept die op … frustratie, angst, wanhoop over de
loop van leven en over hoe ver de wereld en ons leven daarin afstaat
van hoe het zou kunnen zijn. De gebrokenheid in ons leven, in Israël
en in de wereld. En misschien gaat het wel over het onvermijdelijk
moment van verlies in ons menselijk streven en pogen, dat als het
werkelijk beseft en geaccepteerd wordt ook de opening kan zijn naar
verzoening en vernieuwing: een nieuwe Tekia, de vierde.
De
laatste toon van het woordeloze verhaal van de seder ha-tekiot is
een extra lang gerekte Tekia, de ‘Tekia Gedola’. De Tekia
Gedola verwijst naar de uiteindelijke verlossing, zoals Jesaja die
al in poëtische beelden voorschildert (27:3) “Op die dag
wordt op de grote ramshoorn geblazen”. Het gaat over uitredding
en verlossing van Israël en gepaard daarmee de volken van de
hele wereld naar rechtvaardigheid, veiligheid, vrede, compassie. Die
laatste lange toon is een voorafschaduwing van die ‘Sjofar Gedola’,
grote ramshoorn, die ook al klinkt in de 10e beracha van het achttiengebed: Blaas op de grote sjofar
tot onze vrijheid
en verhef een teken
om onze ballingen te verzamelen
De
ramshoorn verwijst ook naar de ‘akeda’ (binding van Jitschak)
en de ram, die door Avraham in plaats van Jitschak werd geofferd.
Rabbi Chanina ben Dosa zei: 'die ram' (uit het verhaal van de binding
van Izaak) , daarvan ging niets verloren.
De as van de ram werd tot het fundament, waarop het binnenste altaar
staat, zoals er gezegd wordt: 'En Aaron zal over zijn hoorns verzoening
doen, eens per jaar' (Ex 30.10).
De pezen van de ram waren tien in getal. Zij werden tot de tien snaren
van de lier waarop David speelde.
De huid van de ram werd de gordel rond de heupen van Elia. Zoals er
gezegd wordt: 'En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig
kleed en een leren gordel rond zijn heupen' (2 Kon 1,8).
Wat de twee hoorns van de ram betreft: de linker werd gehoord op de
berg Sinai, zoals er gezegd wordt: 'en er was het geluid van de sjofar'
(ExI9,19). En de rechterhoorn was groter dan de linker en in de toekomst
wordt daarop geblazen wanneer de ballingen verzameld worden, zoals
er gezegd wordt:
'En op die dag zal er op de grote sjofar geblazen worden' (Jes 27,13).
(Pirké de-Rabbi Eliëzer 31)