Parasha Wajechi,
Bereshiet/Genesis 47:27 – 50:26
Deze parasha verhaalt het sterfbed van Ja’akov en besluit
het hele eerste boek Bereshiet/Genesis met de dood van Joseef.
De familiekroniek is afgesloten en in het volgende boek Shemot/Exodus
zal een natie geboren worden.
Het levenseinde van Ja’akov roept vraagtekens op.
Hoewel de voorwaarden voor een rustig einde daar lijken te zijn
zegt hij toch tegen Far’o als hij wordt geïntroduceerd
(47: 9):
‘Honderddertig jaar heb ik nu op aarde rondgezworven.
Mijn leven, dat ellendig is geweest, heeft nog maar kort geduurd,
ik heb nog niet zo lang op aarde rondgezworven als mijn voorouders.’
Inderdaad, Awraham werd honderdenvijfenzeventig en Jitschak zelfs
honderdentachtig.
En we moeten oppassen en Ja’akovs uiting inpassen in het
kader van misschien vereiste beleefdheidvoorschriften; dan was
het geen klacht, maar een soort hoffelijkheid om jezelf niet al
te gelukkig aan te prijzen.
Een midrash zegt niettemin dat Ja’akov om deze woorden ‘niet
zo oud’ als zijn vader en grootvader is geworden:
‘maar’ honderd en zevenveertig.
Poetisch en raadselachtig zijn de spreuken die Ja’akov in
zijn laatste momenten over zijn zonen uitspreekt.
Het lijken wel orakelachtige, deels in nevelen van ijlkoorts geziene
, half visioenachtige beelden.
Pinchas Peli (vermeld in Harvey Fields) meent dat het hier een
soort feedback met educatieve bedoelingen betreft.
De vader die zijn zonen een pedagogische spiegel voorhoudt.
Abravanel (eveneens vermeld in Harvey Fields) vertegenwoordigt
de visie dat het hier om een soort verantwoording aan de zonen
van Ja’akov gaat door hun vader over waarom Jehoeda als
de leider van de familie het meest geschikt was en de anderen
niet.
De woorden van Ja’akov zijn maar heel gedeeltelijk de voorzeggingen
voor wat in de toekomst te wachten staat (dat wordt wel in het
vooruitzicht gesteld in 49:1), en maar heel gedeeltelijk de zegeningen
voor voorspoed die je ook zou verwachten (tenzij je in 48: 29
– ‘met deze woorden gaf hun vader elk van hen een
eigen zegen’ - leest, dat naast de weergegeven woorden de
vader ook nog een hier niet woordelijk vermelde zegen uitsprak).
Misschien kunnen de woorden en beelden van de stervende vader
het best in hun waarde gelaten worden als de orakels die zij waren,
poëtische kenschetsen vanuit hart en visie van de vader,
metaforen die de neerslag vormden van een langlevenlange ervaring
met deze weerbarstige mannenzonen.
En in deze krachtige poezie is menige vlaag vreugde en scheut
bitterheid geslopen die Ja’akov aan zijn zonen heeft opgedaan.
Als we deze zegenspreuken annex orakels verder trekken, voorbij
aan de historische vertelling, dan zijn ze welhaast te zien als
archetypen, oerkarakters van mannen in hun gemeenschap.
Re'oeven, hartstochtelijk, onstuimig, fier, impulsief,
immoreel. “Hij heeft mijn bed beslapen! “ hoor ik
Ja’akov nog steeds verbijsterd roepen.
Shim’on en Levi, eeuwige samenspanners, oorlogshitsers,
die geen geweld schuwen.
Jehoeda, schoon, trots, gracieus, de man met gezag, echte
leider. (in 49: 10 staat “Totdat Shilo komt” ; die
vertaling is onzeker, vele andere varianten doen de ronde)
Zwoeloen, de man van het geld en de materie, de vervoerder,
de handelaar.
Jissachar , de noeste arbeider, de ijverige dienaar,
de toegewijde volgeling.
Dan, de onbetrouwbare regelaar.
Gad, de politie-agent.
Asjer, de genieter, fijnproever, restaurateur.
Naftali, de ongebondene, de kunstenaar.
Joseef, degeen die alle tegenslagen overwint, zijn kompas
trouw blijft, de rechtvaardige, de ‘tsadiek’.
Benjamin, de egoist, die leeft bij de dag.
Tot wie hoor jij, lezer?
24 januari 2005
Parasha
Wajigash
Bereshiet/Genesis 44:18 – 47:27
In de parasha
Wajigash vindt dan eindelijk de verzoening plaats tussen Joseef
en zijn broers, na de pleitrede van Jehoedaten behoeve van Benjamin,
de langste rede in de hele Tora.
Deze verzoening
is wel een model voor hoe verzoening in zijn werk kan gaan. De
vele fasen en facetten van het proces vanaf de eerste komst van
Joseefs broers tot met met Joseefs bekendmaking hebben natuurlijk
tot vele duidingen geleid en tot vele pogingen het gedrag en de
bedoelingen van Joseef te waarderen. Een aardig overzicht geeft
Het boek van Harvey Fields, ‘Een Toracommentaar voor onze
tijd'.
Mijn idee is
dat als doorgaande lijn door Joseefs gedragswijze loopt, dat hij
uiteindelijk zijn familie vreselijk heeft gemist en voor alles
zijn vader.
Het verschijnen van zijn broers moet ook voor hem een schok zijn
geweest en dit gemis en de sluimerende liefde voor zijn familie
ondanks alles weer wakker hebben gemaakt.
Maar ook de woede over het harteloze verraad dat zijn broers aan
hem hadden gepleegd.
Voor er sprake
kon zijn van een verzoening moet Joseef zijn wrok opgeven, maar
dat zou alleen kunnen als van de kant van zijn broers óók
een verandering merkbaar was geworden, een verandering in de zin
van een bewustzijn over hun gepleegde daden, een schuldbesef.
Daarvoor heeft Joseef hen als het ware aan een test onderworpen,
een beproeving die deels een zekere ‘gecontroleerde' genoegdoening
inhield en deels inzicht moest geven in hun huidige ‘state
of mind'. Men zou zich wel kunnen afvragen of deze test niet wel
erg lang was uitgesponnen en de genoegdoening niet overmatig bemeten;
die waardering zal uiteenlopen bij ieder, ik weet het zelf niet
goed.
In ieder geval had de test zijn beoogde uitwerking. De broers
bleken inderdaad zich schuldig te voelen. Dat schuldbesef bleek
bijvoorbeeld uit 42: 21.
Ook een verandering bleek uit de heftige pleitrede van Jehoeda
voor zijn jongste broer en uit zijn begaanheid met het welzijn
van zijn vader. Dat lange hartstochtelijke blijk van familieliefde
– contrast met het vroegere onderlinge gedoe – was
voor Joseef de onmisbare scheut water die de emmer van de zolang
beheerste tranen deed overlopen.
Joseef stuurde iedereen behalve zijn broers weg en toen kon hij
zich bekendmaken en zijn emoties de vrije loop laten in de intimiteit
van de familie.
Op de commentatoren
en andere lezers die zich afvragen waarom Joseef de hovelingen
wegstuurde lijkt mij het logisch te antwoorden: omdat je in een
officiële omgeving (i.c. die van het hof) een bepaald formeel
decorum in acht dient te nemen je emoties daar niet laat gaan.
Dat is nog steeds zo: intieme zaken en politiek houdt men nog
steeds graag gescheiden.
De hereniging
van Joseef wordt in paragraaf 45 met veel begrip en psychologische
nuance beschreven, lees het nog eens na en verwonder je over deze
mooie en ontroerende passages.
Een merkwaardigheid
is te lezen in 46: 34 in combinatie met 47:3
31 Jozef
zei tegen zijn broers en zijn verdere familieleden: ‘Ik
ga nu de farao op de hoogte brengen. Ik zal tegen hem zeggen:
“Mijn broers en mijn andere familieleden zijn uit Kanaän
naar mij toe gekomen. 32 Het zijn altijd schaapherders en veefokkers
geweest, en ze hebben hun schapen en geiten en hun runderen meegebracht
en alles wat ze verder maar bezitten.” 33 Als de farao jullie
ontbiedt en naar je beroep vraagt, 34 dan moeten jullie
hem beleefd antwoorden dat jullie al van jongs af aan veefokkers
zijn, net als jullie voorouders. Dan zullen jullie je wel hier
in Gosen mogen vestigen, want de Egyptenaren hebben een afschuw
van schaapherders.'
47 1 Daarop
ging Jozef naar de farao en deelde hem mee dat zijn vader en broers
uit Kanaän waren gekomen, met hun schapen, geiten en runderen
en met alles wat ze verder bezaten, en dat ze nu in Gosen waren.
2 Vijf van zijn broers had hij meegenomen en hij stelde hen aan
de farao voor. 3 ‘Wat is uw beroep?' vroeg de farao,
en zij antwoordden: ‘Wij zijn schaapherders, net als onze
voorouders.'
Merkwaardig
omdat Joseef hen aanbeveelt niet te zeggen dat ze schaapherders
zijn (omdat de Egyptenaren een afschuw hebben van schaapherders,
Rashi: “omdat schapen volgens de Egyptenaren godheden zijn”),
terwijl ze dat even later tegen Far'o gewoon wél zeggen.
Ik heb hier geen bevredigende verklaring voor.
14 jan.
2006
parasha Mikéts,
Bereshiet/Genesis 41-44:18
In de parasha neemt het verhaal van Joseef en zijn familie een aantal spannende en ingrijpende wendingen.
korte inhoud
Joseef wordt uit de gevangenis gehaald om de droom van de Farao te verklaren, de beroemde droom van de zeven vette en de zeven magere jaren. Josef verklaart hem en geeft ook nog het recept om de na zeven welvaartsjaren verwachte hongersnood door te komen. De Farao verheft hem uit zijn nederige positie als bajesklant tot onderkoning en geeft hem een voorname vrouw tot echtgenoot. Joseef neemt zeer vooruitziende maatregelen en laat overal door het land voorraadschuren bouwen en vullen met koren en inderdaad komen de zeven jaren van hongersnood, die ook het land K'na'an bereiken en Jacob en zijn kroost.
De tien broeders van Joseef trekken naar Egypte om koren te kopen en komen voor Joseef, die zij niet herkennen, maar andersom wel.
Joseef gaat nu een gecompliceerd spel met zijn broers spelen. Hij beschuldigt ze van verspiederij, ze protesteren heftig en Joseef en eist dat ze om hun onschuld te bewijzen terug naar K'na'an moeten gaan en Benjamin naar hem mee terug naar Egypte moeten nemen. Ze krijgen wel koren mee, maar Shimon blijft als gijzelaar achter.
Jacob weigert Benjamin naar Egypte te laten gaan, maar ten langen leste als de honger weer toeslaat stemt hij toe en de broers trekken nu weer naar Joseef. Joseef ontvangt hen vorstelijk maar laat in de voederzak van Benjamin een kostbare bokaal van zijn tafel stoppen, die hij later, als de broers weer met gevulde korenzakken de terugweg aanvaarden, zogenaamd weer door zijn agenten laat vinden.
De broeders worden teruggehaald en Joseef veinst dat hij 'de dief' Benjamin als slaaf bij hem wil houden. Jehoeda neemt het woord en in de volgende parasha Wajigash houdt hij een lang betoog om Benjamin vrij te pleiten.
In de loop van de parasha Mikéts onderzoeken de broers vertwijfeld waar ze al deze tegenslagen aan te danken hebben en vermoeden ze dat onder andere hun mishandeling van Joseef destijds er wel eens mee te maken zou kunnen hebben.
Aan het eind van Jehoeda's betoog maakt Josef een eind aan de beproeving; hij laat zich eindelijk gaan en maakt zich bekend; een emotionele ontmoeting en verzoening vindt plaats. Joseef laat ook Jacob en zijn huishouding en vee uit K'na'an halen; de hele familie krijgt een woonplaats in Egypte, in het vruchtbare Choshen.
Het hele verhaal wordt in geuren en kleuren, met veel detail en dialoog verteld. Ook verhaaltechnisch zit het goed in elkaar en is het boeiende lectuur.
Op het persoonlijke vlak zien we de ontwikkeling van Joseef van verwend wonderkind tot heerser met hart en verstand en van de broeders van jaloerse heethoofden tot mannen met geweten en berouw.
Op het nationale vlak, als ik het zo mag noemen, zien we de ontwikkeling van de nomadische herdersfamilie van Jacob tot een volk, dat woont binnen een van de eerste georganiseerde naties van de geschiedenis, Egypte.
Joseef en zijn broeders
Joseef is een uitgebreid beschreven karakter en we volgen hem in deze parashot in zijn ontwikkeling. Nog meer dan bij Jacob lijkt zijn personage te zijn uitgewerkt in markante trekken. In het begin van zijn leven komt Joseef over als een jongen met een uitstekend verstand, een rijke fantasie en een uitzonderlijk vermogen om dieper te schouwen. Duidelijk is hij verwend en de kleurige mantel symboliseert zijn kleurige en beeldrijke talenten en tegelijk belichaamt deze uitdossing ook zijn voorgetrokken positie als zoon van Jacobs grote liefde. Jong, overmoedig en arrogant weet Joseef zijn enorme talenten en geestkracht nog niet in de hand te houden. Hypocriet klikt hij over zogenaamde zonden van zijn broers en met zijn op zich inhoudsrijke dromen gaat hij slordig en ontactisch om. Dat leidt tot de heftige poging van zijn gekwetste en getergde broers hem uit de weg te ruimen.
De doodsangst en de spanningen van de slavernij zullen de jonge Joseef tot inkeer hebben gebracht. In zijn positie als slaaf en gevangene gaat hij zijn gaven beter gebruiken. Hij leert op langere termijn te denken en blijkt een uitnemend organisator. Hij is allengs meester geworden over zijn fantasie en over zijn dromen en over die van anderen. Hij kan deze gaven nu inzetten voor zijn eigen zaak en die van anderen.
Het heeft ermee te maken, dat hij is gaan beseffen dat hij een dienaar is, dat hij een instrument is geworden van een oneindig grotere macht, zoals naar voren komt in de droomuitleg aan Far'o: God geeft Far'o zijn bedoeling te kennen en Joseef is alleen maar de doorgever.
Op zijn manier heeft hij contact gemaakt met de God van Israël, zijn vader.
Nog duidelijk komt dit besef naar voren bij de hereniging van Joseef met zijn broers.
Het lijkt wel of Joseef een subtiel maar lastig parcours heeft uitgezet voor zijn broers, waarlangs zij geleidelijk tot besef van schuld konden komen en tot inkeer. Immers pas dan, als Joseef merkt dat zijn broers wezenlijk zijn veranderd kan hij zijn eventuele wraakplannen laten gaan, kan hij kiezen voor het verlangen naar zijn familie, voor de ook altijd levend gebleven liefde; en kan hij zich bekendmaken en komen tot ontmoeting en verzoening.
Het besef van de broers omtrent hun bezwarend verleden breekt door nadat ze drie dagen gevangen zijn geweest; ze zeggen dan tot elkaar (Ber. 42: 21): “We hebben inderdaad schuld tegenover onze broer wier doodsangst wij hebben gezien toen hij ons smeekte en wij niet naar hem geluisterd hebben, daarom is deze ellende over ons gekomen.”
In de verzen, waarin Joseef in de put wordt geworpen (37:21 e.v.) wordt van de doodsangst en van de smeekbeden van Joseef vanuit die put geen gewag gemaakt. Pas hier, na drie dagen afzondering in gevangenschap in deze penibele omstandigheden dringt de impact van die smeekbeden tot de broeders door en beseffen ze de verharding van hun hart. Pas nu, vele bladzijden later, lezen wij, via het verslag van de woorden van de berouwvolle broers, over die hartverscheurende smeekbeden; Nechama Leibowitz wijst op de narratieve vondst om dit nu pas te vermelden, als krachtig literair middel om het berouw van de broers tastbaar te maken.
Als Joseef de overtuiging heeft dat de broers werkelijk veranderd zijn, kan hij zich bekend maken en zeggen: “Maar God heeft mij vooruitgezonden tot grote redding …” (45:7).
van herders tot onderdeel van de Egyptische natie
In de volgende parasha wordt de aankomst van Jacob met zijn gevolg van zeventig verhaald.
De groep vestigt zich in het land Choshen dank zij de macht van onderkoning Joseef.
Niet onderschat mag worden de enorme overgang die met Joseef wordt ingeluid, Joseef, die als eerste in de familiegeschiedenis de sprong heeft gemaakt van herdersjongen naar een nieuw sociaal niveau, namelijk naar een functie waarin politiek, vooruitzien, beleid op lange termijn, centraal stond, anders gezegd: naar een positie binnen de toenmalige ‘moderniteit' van de georganiseerde naties van het Midden-Oosten. Vanuit die positie leidde hij als het ware de familie van Jacob uit de anonimiteit van de steppen binnen in de politieke geschiedenis, die met het boek Shemot/Exodus in volle omvang wordt voortgezet.
De familie van Jacob neemt een sprong in de richting van het worden van Am Israël.
Er valt in deze rijke parasha nog veel te halen. Verleidelijk is het nog uit te weiden over dromen en Joseef als dromer. Maar dat moet een andere keer.
9 januari 2006
parasha Wajeshev Bereshiet/Genesis 37-4l
inhoud
In deze en de volgende parashot Mikets, Wajigash en Wajéchi volgen we Jacob en zijn zonen tot hun aankomst en vestiging in Egypte. Centraal staat de figuur van Joseef. De geschiedenis speelt zich om hém af, vanaf zijn jongelingschap, als hij – lieveling van zijn vader – door jaloerse broeders als slaaf wordt verkocht, via zijn opklimmen tot Egyptische onderkoning, die zijn door hongersnood geteisterde vader, broers in het rijke Egypte een woonplaats biedt, tot en met zijn dood, waarna het voorspel tot de Exodus een aanvang neemt.
Het begint met de puber Joseef, de lieveling van zijn vader en drager van de kleurige mantel, die lasterpraatjes over zijn broers aan vader overbrengt (de midrasj zegt: overtredingen door de broers van de Noachitische wetten).
Als Jozef ook nog naief zijn dromen vertelt, waarin hij overheersend centraal staat, zijn de broers een prooi van de jaloersheid, willen ze hem ombrengen, als hij hen opzoekt op het veld.
Uiteindelijk besluiten ze onder invloed van Juda de voorlopig in een put geworpen Joseef te verkopen. Ik ga hier even dieper op in, want in het rondvertelde verhaal en in de commentaren lees je altijd, dat ze dat ook werkelijk gedaan hebben.
Maar dat is nog niet zo zeker. Er staat letterlijk:
”Laten we hem aan die Ismaëlieten
verkopen in plaats van hem om te brengen; hij is tenslotte onze
broer, ons eigen vlees en bloed.' De anderen stemden hiermee in.
Intussen waren er Midjanitische kooplieden langs gekomen en hadden
Jozef uit de put getrokken en hem aan de Ismaëlieten voor
twintig zilverstukken verkocht en die Ismaëlieten namen Jozef
mee naar Egypte. Toen Ruben weer bij de put kwam en ontdekte dat
Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. Hij
ging naar zijn broers terug. ‘De jongen is weg!' riep hij. ‘Wat
nu, wat moet ik nu!' “
Hebben de broers nu Joseef eerst aan de Midjanitische kooplieden verkocht of waren die hen voor? Voor het laatste pleit, dat Ruben uiterst verrast was toen hij Joseef uit de put wilde halen en hem niet aantrof. In dit laatste geval is hun verraderlijk handelen misschien minder beladen, ze hebben dan voorts ook geen bloedgeld van de kooplieden ontvangen. Verder zijn ze in deze constructie ook veel onzekerder over Joseefs lot. Hij was plotseling weg en kan ook door wilde dieren zijn verscheurd. Misschien zagen ze de karavaan voorbij trekken en vermoedden ze dat Joseef daarbij was.
Nechama Leibowitz behandelt uitgebreid deze kwestie; ze vermeld hoe vele commentatoren komen tot een viervoudige doorverkoop van Joseef: broers naar Midjanieten, Midjanieten naar Ishmaëlieten, Ishmaëlieten naar Medanieten. Medanieten aan Farao's generaal Potifar (waarvan overigens in de volgende parasha weer staat dat hij koopt van de Ishmaëlieten). Uiteindelijk voelt Leibowitz ook het meeste voor de door mij hierboven geopperde hypothese. Zie verder haar betoog op de internetpagina met haar shioeriem (lessen).
Jacob werd in de waan gebracht van Joseefs dood door zijn kleurige mantel met geitenbloed te bewerken en aan de ontstelde vader te tonen. Jacob stort zich in diepe rouw.
Hoewel ik wel geloof in een soort karmische doorwerking ook na lange tijd wil ik niet zover gaan dat allerlei latere rampen over Israël zijn gekomen als echo van deze broederlijke wreedheden.
Als een plots intermezzo krijgen we nu het verhaal van Juda en zijn schoondochter Tamar, die achtereenvolgens de twee zonen van Juda, Er en Onan, huwt en dan aan de dood verliest. Als gesluierde hoer verleidt en misleid ze vervolgens haar schoonvader en weduwnaar. Ze baart hem een tweeling en ze openbaart zich dan aan Juda als de moeder van zijn zonen, door hem de onderpanden te tonen die ze indertijd als hoer van hem kreeg.
Dan schakelen we weer naar Joseef. In Egypte heeft hij steeds succes, in het begin echter steeds onderbroken door diepe terugslagen. Als slaaf van generaal Potifar klimt hij op tot house manager; hij weerstaat hij verleidingspogingen van zijn vrouw, maar komt toch door haar toedoen in de gevangenis. Ook daar boert hij toch weer goed, - hij weet steeds vertrouwen te winnen - en wordt een soort assistent directeur van de gevangenis. Daar komen ook twee belangrijke hovelingen terecht, de schenker en de bakker. Jozef is een expert in dromen, zoals eerder al gebleken. Hij verklaart de dromen van de beide heren, die ook weldra precies zo uitkomen, de schenker komt spoedig vrij en de bakker wordt opgehangen. De schenker zal later nog een belangrijke rol spelen om Joseef aan het hof van de Farao te halen.
de wegwijzer
Ik ga in op één van de vele kleurige en dramatische gebeurtenissen van deze geschiedenissen. Het lijkt een vrij onbelangrijk detail dat in 37: 15-18 wordt verteld:
(NBV)“15 Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht. 16 ‘Ik ben op zoek naar mijn broers,' antwoordde hij. ‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?' 17 ‘Ze zijn hier niet meer,' zei de ander, ‘ik hoorde hen zeggen dat ze naar Dotan wilden.' Jozef ging zijn broers achterna en trof hen in Dotan aan.“
Uitgangspunt bij Tora-verklaring is dat er nooit iets voor niets staat.
Ook al lijkt het een onbelangrijk detail, het feit dat het is opgenomen in het verhaal houdt in dat het een betekenis of boodschap heeft.
In de hierboven opgenomen vertaling staat, dat Joseef ‘iemand tegenkwam'. Letterlijk vertaald staat er: ‘Jiemtsehoe iesh' ofwel: een man (iesh) vond hem. Wanneer er sprake is van een anonieme ‘man' gaat het in de Tora meermalen om een instroming in de manifeste wereld van een transcendente kracht, die een belangrijke wending teweeg brengt. Soms wordt hij een ‘man' genoemd, zoals de mannen die bij Awraham op bezoek komen en hem de geboorte van Jitschak in het vooruitzicht stellen; en zoals de ‘man' met wie Jacob heeft geworsteld aan de Jabbok.
Soms wordt hij een boodschapper genoemd. een ‘mal'ach', later via het Griekse equivalent ‘angelos' vertaald als ‘engel'.
De veel geraadpleegde Middeleeuwse commentator Rabbi Shlomo Jitschaki (RASHI) verklaart beknopt, dat het hier gaat om (de engel) Gabriël; zie ook het boek Daniël, waarin gewag wordt gemaakt van ‘een man Gabriël', waar het duidelijk gaat om een engel-achtig fenomeen (Daniël 9:21 )
Daarmee kiest deze commentator duidelijk voor de interpretatie dat het hier een ingreep van de Eeuwige betreft.
Hoe het ook zij, het is duidelijk dat het hier een draaipunt betreft in de afwikkeling van het drama van Joseef en zijn broeders, ja zelfs in de geschiedenis en het lot van Israël. Joseef was verdwaald. Als hij de man niet had ontmoet had hij zijn broeders waarschijnlijk nooit gevonden. Misschien was hij wilde dieren tegengekomen, rovers, misschien was hij onverrichter zake teruggekeerd naar het kamp van zijn vader.
Hij was waarschijnlijk nooit in Egypte terecht gekomen (en als hij er onverhoopt toch terecht zou zijn gekomen was zijn geschiedenis zich daar heel anders verder ontwikkeld, was de broederschuld niet opgetreden, was Joseef nooit de redder van zijn familie geworden). Waarschijnlijk was Jacob en zijn zeventig mensen nooit in Egypte aangeland, althans niet op de manier zoals in de Tora beschreven met de vestiging in het land Chosjen, de bevolkingsaanwas, de toenemende onderdrukking en tenslotte de Exodus.
toeval of sturing?
Is het toeval dat de ‘man' op de weg van de verdwaalde Joseef kwam?
Eeuw in eeuw uit is de vraag of een essentiële schakelgebeurtenis (b.v. een ontmoeting) nu zuiver toeval is geweest of een ingreep Gods. Het is een onderwerp, dat gezellig bediscussieerd werd en wordt aan de borreltafel (of bij het nomaden kampvuur, wie weet) en tussen wetenschappers, theologen en filosofen, in gewichtige academische fora. Op belangrijke historische wendingspunten, maar ook in de individuele levens van onberoemde personen zijn er staaltjes van al dan niet schijnbaar toeval te geven.
Wie ben ik om een overzicht te geven van de stand van deze discussie, die in populair wetenschappelijke vorm een eigentijdse variant kent – waar het gaat over biologische evolutie - onder de noemer van ‘intelligent design'.
Ik wijs er hier op, dat de Tora suggereert, dat er een bovenmenselijke, zo u wil goddelijke sturing is. Een sturing, die kennelijk wil, dat Joseef zijn beproeving tegemoet gaat, dat de broeders hun dwaling aan hem begaan, zodat Joseef vanuit de diepste put via toppen en dalen naar zijn hoogste glorie kan stijgen, waardoor hij zijn familieleden vanuit hun ontberingen een veilige plaats van welvaart kan bieden, welke plaats weer wordt tot een oord van ellende, van waaruit zij uiteindelijk uit de slavenketens bevrijd optrekken naar de Sinaj, waar zij de openbaring van de Tora krijgen, waarna etcetera de geschiedenis verder rolt met een beurtelings oplichtende dan weer in duistere raadselachtigheid verzinkende finaliteit.
Misschien is onze grootste vrijheid als mens niet zozeer dat wij in opperste vrijheid kunnen kiezen als wel dat wij de vrijheid hebben ons af te sluiten óf ons te openen voor welke boodschapper ons vanuit een grotere dimensie met zijn tekens, met zijn richtingwijzing tracht te bereiken.
Misschien is dat de kwaliteit van Joseef geweest – behalve dat hij een helder verstand had, een prima intuïtie, een visie om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen - : de kwaliteit om in de nood van het moment, verdwaald in eindeloze velden, open te staan voor tekenen, die de juiste richting aangaven; en wie weet geeft dat aan die hogere dimensie (God zo u wil) de gelegenheid zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is.
Tenslotte: het is opvallend hoe vaak de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, dwalingen, vooruit: zeggen we zonden, de geschiedenis juist essentieel vooruit duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis der mensen, de jaloersheid en naijver van Joseefs broeders brengen Joseef - en uiteindelijk Israël – in Egypte. In deze zelfde parasha brengt de zonde van Juda met Tamar het nageslacht voort dat zal leiden tot David ha-melech en diens zonde met Batshewa brengt Shlomo ha-melech voort.
3 januari 2006 parasha Wajishlach (Genesis/Bereshiet 32:4 – 37)
korte inhoud
Jacob trekt zijn broer, die hij tweeëntwintig jaar geleden
ontvlucht was tegemoet, beiden zijn welvarend geworden. Met angst
en beven ziet Jacob de ontmoeting naderen en hij vreest het ergste.
Verschillende preventieve maatregelen treft hij. Hij verdeelt
zijn mensen over verschillende plaatsen, zend rijke geschenken
vooruit. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje
en vecht met een onbekende man, die Jacob later associeert met
God. Met vele (zeven) buigingen loopt hij Esau tegemoet en deze
sluit hem in zijn armen en kust hem ‘en zij huilden'. Als Esau
aandringt om samen op te trekken wijst Jacob dit af en ze scheiden
weer. Jacob slaat zijn tenten op bij Shechem.
De prins van die stad verkracht Jacobs dochter Dina. Als de prins toch Dina wil trouwen en tot vele concessies bereid is tot en met de besnijdenis van alle mannen van de stad, plegen de zonen van Jacob onder leiding van Shimon en Levie afschuwelijk wraak door de mannen die nog ziek waren van die besnijdenis om te brengen en de stad te plunderen. Jacob is hier zeer ongelukkig over, hij trekt verder en slaat zijn op bij Beth El en pleegt offers en neemt maatregelen tegen afgoderij bij zijn zonen en personeel, het maakt allemaal de indruk van een poging de toorn van de omwonenden en van God af te wenden. God geeft wederom een signaal aan Jacob dat hij aan zijn zijde blijft. Weer verder trekkend komen ze bij Bet Lechem, waar Rachel sterft in het kraambed. Jitschak sterft en wordt begraven door Jacob en Esau, die bij die gelegenheid kennelijk nog een keer bij elkaar zijn gekomen. De parasha besluit met een overzicht van de nakomelingen van de beide broeders.
man-engel
We gaan nog even in op de beroemde scene van het gevecht met de
‘man-engel', die luidt in de enigszins door mij naar de meer letterlijke
tekst teruggebrachte vertaling van de NBV:
Bereshiet 32: 25: “Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en een man worstelde met hem totdat de dag aanbrak. 26 Toen hij zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht. 27 Toen zei hij : ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.' Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.' 28 Hij vroeg: ‘Hoe luidt je naam?' ‘Jakob,' antwoordde hij. 29 Daarop zei hij: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.' 30 Jakob vroeg: ‘Zeg me toch hoe u heet.' Maar hij kreeg ten antwoord: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?' Toen zegende die ander hem daar. 31 Jakob noemde die plaats Peniël, ‘want,' zei hij, ‘ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.' 32 Zodra hij bij Peniël was overgestoken, zag hij de zon opkomen. Jakob liep mank. 33 Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het heupgewricht ligt, eten de Israëlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag.”
Vele commentatoren hebben zich gebogen over de vraag wie de ‘man' (‘iesh') in het gevecht is geweest. Een niet gering aantal identificeert de man met Esau of met de engel van Esau.
Ook de middeleeuwse bijbelgeleerde Rashi volgt die oude wijzen die menen dat het ging om de beschermengel van Esau. Bepaalde kabbalistische bronnen associeren deze met Samaël, de engelachtige manifestatie van Satan en tevens de verleider van Eva in Gan Eden (overzicht in Wikipedia http://en.wikipedia.org/wiki/Samael ).
Interpretaties gaan dan in de richting van: het gevecht van Jacob is een gevecht met de verwerpelijke materialistische Esau-apecten in Jacob zelf (zo b.v. R. Ari Kahn van Aish.com).
Al eerder in mijn opwerkingen bij de parasha was ik niet geneigd Esau tot de verpersoonlijking van het allerverderfelijkste kwaad te zien en als voorloper van alle latere vijanden van Israël.
Zelf ga ik meer in de richting van de interpretaties van Gunther Plaut – Jacob vocht met oude schuldgevoelens over zijn bedrog - en Elie Wiesel - Jacob vocht met oude angsten en schulddgevoelens - zoals beschreven in ‘Een Toracommentaar voor deze tijd' (p. 91) van Harvey Fields.
Me daaruit inspirerend kom ik tot de volgende benadering van Jacobs gevecht. Lang is Jacob's coming out voorbereid. De begaafde dromer is steeds meer geincarneerd in het leven van de aarde, en nu, aan het hoofd van kudden en omringd met vrouwen en kinderen, geworden tot een aanzienlijk man, staat hij voor zijn vijand en tegenhanger, de verpersoonlijking van kracht, geweld, impulsiviteit.
Voor Jacob is het moment genaderd van de sprong, de sprong naar een nieuwe levensfase.
Hij staat aan een afgrond van angst, de angst voor vernietiging door de vloedgolf van wraak en geweld van zijn broer, maar die diepe doodsangst gaat gepaard, genereert bijn als het ware ook de angst om in een nieuwe grootheid te gaan staan, zijn werkelijke ruimte in te nemen, zijn essentie onder ogen te zien en voluit te omhelzen.
” Onze diepste angst is niet, dat we ontoereikend zijn.
Onze diepste angst is dat we oneindig krachtig zijn.
Het is ons licht, niet onze duisternis, waar we het allerbangst voor zijn”,
zo begon Nelson Mandela zijn beroemde inaugurele rede als president (daarbij de woorden van Marianne Williamson citerend).
Om die sprong te kunnen wagen, moest Jacob eerst schoon schip maken, d.w.z. zijn verleden onder ogen zien, en met name zijn bedrog ten aanzien van zijn broer, de intense gevoelens van schuld en waardeloosheid doorwerken. Dat is een gevecht op leven en dood.Als hij dat een nacht lang gedaan heeft en de engel-man heeft overwonnen – je kan ook zeggen grondig teshoewa heeft gedaan - is hij klaar om in zijn nieuwe grootheid te stappen, bevrijd van oude ballast. Dan is hij van een ja'akow, een hielenvolger, een Godstrijder, Israël, geworden. Als hij gezegend wordt staat dat misschien wel voor de bekrachtiging van de zegen van zijn vader Jitschak, die nu pas na deze nacht van boete en overwinning geschoond is van de smet van bedrog en misleiding en nu pas werkelijk van kracht kan worden.
De nacht van Jacob is een beproeving. De paradox blijft dat de duistere kracht die Jacob aangrijpt en het op zijn ondergang voorzien lijkt te hebben, hem zelfs uiteindelijk kwetst aan zijn heupspier, zich ook in de loop van het gevecht onthult als engel van licht die Jacob kan zegenen en hem een nieuwe identiteit (als ik dat beperkte woord kan gebruiken) inleidt.
Het is Jacob die zijn inzet ten volle moet doen, maar als hij dat dan ook doet, wil de tegenstand wijken en blijkt daarachter de Goddelijke zegen schuil te gaan.
Ik denk dat ieder mens in zijn leven één of wel meerdere nachten kent van gevecht met de engel, met God, met je lot, misschien niet zo spectaculair en mythisch van proportie als die van Jacob, misschien wat minder heftig, hoewel wie zal dat meten…..
In Jacobs eenzame nacht aan de Jabbok is ons in ieder geval het prototype gegeven van hoe grootse krachten op beslissende momenten ons kunnen beproeven en ons een nieuwe levensfase kunnen induwen met een aanvankelijk onbegrepen duistere kracht die geleidelijk zegen blijkt te zijn.
28 dec. '05
parasha Wajetsé
(Bereshiet/Genesis 28:10 – 32:4)
In dit bijbelstuk het verhaal van Jacobs tocht naar en verblijf in het land Charan, bij zijn oom Lawan.
Hij huwt diens dochters Lea en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lawans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen.
Het is een rijk verhaal met vele geledingen en ook vele thema's.
In de eerste plaats is er het thema van de bewustwording en rijping van de jongeman tot volwassen man die zijn bestemming weet.
Dan is er het thema van list, bedrog en misleiding en hoe dat een rol speelt in het leven van gemeenschap en familie.
En last but not least het prachtige thema van Jacobs huwelijk, de verstandhouding met de vrouwen in zijn leven, zijn diepe hartsliefde voor de ene vrouw, Rachel, en het verstandshuwelijk met de andere vrouw, Le'ah.
Al deze drie thema's lokken tot diepere beschouwingen, maar ik zal me nu beperken tot het thema van de bewustwording van Jacob over het bestaan van de Goddelijke dimensie, zijn kennismaking met de God van zijn vaderen.
Bereshiet 28:10 en verder bevat het begin van de reis en de beroemde droom over de ladder naar de hemel: ‘Ja'akow verliet dus Be'ersjewa en ging op weg naar Charan.
11 Op zijn tocht kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten omdat de zon al was ondergegaan. Hij pakte een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen slapen. 12 Toen kreeg hij een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij de engelen van Elohiem omhoog gaan en afdalen. 13 En zie daar stond Hashem boven hem, die zei: "Ik ben de Hashem , de God van je vader Awraham en de God van Jitschak. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven."'
Hoewel volgens de bijbelse leeftijd Jacob toch minstens veertig moet zijn geweest krijg ik hier de indruk van een inwijding van een jongeman, een openbaring, die eerst nu pas de jonge Jacob op het pad van een volwassen man brengt en op de weg van zijn bestemming.
De ladder van Jacob heeft aanleiding gegeven tot vele uitleggingen, van letterlijke, tot allegorische en zeer mystieke.
Rashi viel het op dat de engelen eerst omhoog gaan en dan de ladder afdalen, terwijl je het omgekeerde zou verwachten. Hij verklaart dit door de engelen te zien als gebonden aan het land dat zij beschermen. De engelen van het ‘binnenland' verlaten Jacob op dit punt waar hij zijn buitenlandse reis begint en stijgen ten hemel; de engelen van het ‘buitenland' dalen op hem neer.
Nechama Leibowitz haalt een duiding van Sforno aan die zich baseert op een oude midrasj: de engelen symboliseren de oude rijken, die rijzen tot glorie (stijgen op de ladder), maar zie, ze vallen vroeger of later weer terug; het gaat om een beeld van de historie, dat zich in de droom onthult aan Jacob in zijn hoedanigheid van Israël.
Mij spreekt dit het meeste aan: de engelen die naar boven stijgend de ladder opgaan te zien als Jacobs smeekbeden, in de eerste plaats smeekbeden om bescherming (zoals in vers 20 wel wordt bevestigd) en in de tweede plaats meer, in een meer transcendente laag, als zijn diepste verlangen om openbaring van de zin van zijn leven en onthulling van zijn missie.
De dalende engelen zijn als het ware tegemoetkomende reacties vanuit de transcendentie (goddelijke dimensie).
Ze brengen hem een besef van kracht en bescherming. Maar ook een inzicht in en intuïtie omtrent zijn unieke missie.
Dat zou kunnen blijken uit de bewoordingen: eerst wordt gesproken over de ‘engelen van Elohiem' , het meer neutrale woord voor de goddelijke dimensie. Een zin later staat er: ‘En zie daar stond Hashem boven hem, die zei: ‘Ik ben de Hashem , de God van je vader Awraham en de God van Jitschak'
Het tetragrammaton wordt nu opeens gebruikt, hier weergegeven als ‘Hashem', het woord voor de Eeuwige als degene die zich bekommert om het lot van Israël.
Jacob maakt hier op een diepe bewustzijnslaag kennis met een ver boven hem uitgaande macht die zijn lot richting geeft in het verlengde van de sturing die zijn vader en grootvader al heeft geleid..
De ladder is het diepste verlangen naar ontmoeting met God, een verlangen dat vanuit de diepte in fasen vormkrijgend opstijgt. ‘En zie daar stond Hashem boven hem' (‘we-hiné Hashem nitsav alav' volgens mij zowel in de NBV als in Dasberg minder goed vertaald): in welke vorm dan ook ontmoeten de opstijgende engelen de neerdalende engelen, er komen antwoorden, bevestigingen, tekenen, krachten uit de transcendentie.
In de kabbalistische visie – voorzover ik die begrijp - wordt de
ladder gezien als een patroon van de sefirot, waarbij Jacob geplaatst
wordt gezien als midden tussen Awraham, de rechterstijl, die ‘Chesed'
– stroom, liefde, genade - symboliseert, en Jitschak,de linkerstijl,
die ‘Gewoera' – begrenzing, oordeel, vrees - belichaamt.
In de droom maakt de Eeuwige Jacob als het ware tot de fusie van de eigenschappen Chesed en Gewoera, dat wil zeggen tot de sefira Tif'eret – schoonheid, ziel, essentie - . Zo wordt als het ware contact gelegd tussen de hogere werelden en de lagere wereld van Malchoet – de wereld waar het goddelijke inwoont, de Sjechina - , vanwaaruit onze materiële wereld zin en betekenis krijgt.
De ladder is de verticale as van de coördinaten van ons bestaan, waarvan de horizontale as onze werkzaamheid in de wereld is. In ieder van ons staat die ladder klaar om daarlangs tree voor tree ons verlangen en ons gebed en onze daden omhoog te sturen.
Jacob heeft dit met volle kracht gedaan. Niet lang daarna zou deze verlegen huismus en moederszoon de vrouw van zijn leven ontmoeten en ook nog meteen kussen, een zware putdeksel oplichten, die een hele troep herders nog niet van hun plaats kregen, later met wijze tolerantie ten opzichte van zijn sluwe oom te werk gaan, een groot gezin stichten en een enorm vermogen verzamelen in moeilijke omstandigheden om toch dan de stem te horen die hem terugriep naar zijn familie en zijn missie.
17 december 2005
Parasha Toldot (Bereshiet/Genesis 25:19-28:9)
In de parasha Toldot (Bereshiet/ Genesis 25:19-28:9) begint het verhaal van de twee zonen van Jitschak en Rivka: Jacob (Ja'akov) en Esau (Esav). Jacob zal de nobele stamvader van Israël worden en Ezau zal voortleven als de verpersoonlijk van het kwade.
Als we ons beperken tot het zuivere tekst, zoals het opgetekend staat in de Tora dan komt een vrij genuanceerd verhaal ons tegemoet over twee zeer verschillende broers, die aanvankelijk elkaar bestreden, elkaar belaagden, maar die zich dan verzoenden en ieder hun eigen weg gingen.
Naar de woorden van deze parasha is Ezau – ‘de harige' - een kundig jager en een man van veld.
Hij was de lieveling van zijn vader Jitschak, die graag de producten van zijn jagende zoon at.
Jacob – ‘die op de hielen zit'- was een ‘iesj tam' , een simpele, eenvoudige man, die liever bij de tent zat; hij was de oogappel van zijn moeder Rivka.
Esau was een impulsieve, hartstochtelijke man, zoals blijkt uit de onstuimigheid, waarmee hij vermoeid na de jacht de rode linzensoep opeist en daarvoor nonchalant zijn eerstgeboorterecht inruilt.
Al was Jacob eenvoudig, ambitieus en slim was hij ook, als hij, Esau blijkbaar goed kennend, de impulsiviteit van zijn broer uitbuit en hem dat eerstgeboorterecht afhandig maakt .
Esau komt ons later weer tegemoet als hij veertig is en twee Hittitiesche vrouwen huwt; de twee vrouwen waren een ‘verdriet' (morat roeach) voor hun schoonouders. Twee mogelijkheden: ze waren een verdriet vanwege hun karakter, maar waarschijnlijker is, dat het verdriet veroorzaakt werd, omdat Esau zijn vrouwen had gezocht in de onmiddellijke omgeving en niet bij de oorspronkelijke stam.
Dan krijgen we het beroemde verhaal, hoe Jacob zijn blinde vader misleidde, door zich voor te doen als Esau en zo de vaderzegen, die de oude Jitschak voor zijn favoriete zoon had gereserveerd, binnen te halen. Om de woede van zijn broer te ontlopen (en ook om naar de wens van zijn moeder een vrouw uit de stam te zoeken) vlucht Jacob naar zijn oom Lawan.
Een gezinspsycholoog zou hier waarschijnlijk spreken van een gespleten familie. Vader en moeder hebben ieder hun eigen voorkeur en dragen ieder bij om de disharmonie tussen hun beide zonen te versterken.
Vanuit het oogpunt van verhaal, intrige en toneel- of filmscenario is het verhaal van de broers vol spannend conflict en ligt het drama voor het grijpen. Esau is dan een onmisbaar en noodzakelijk ingrediënt van het drama.
Zoveel is er niet mis met hem. Goed, hij is een onstuimige vent, een wildeman, maar ook een goed jager en waarschijnlijk een goede krijgsman (die naar de latere vaderzegen zal leven van het zwaard). Hij is een lastige klant, die naar het idee van zijn ouders de verkeerde vrouwen kiest, maar dat later tracht goed te maken door een kleindochter van Awraham te trouwen. Hij leeft in het moment, een gepassioneerd man. Misschien zou hij nu een stervoetballer zijn, kundig, toegewijd, populair, een paar jaar geliefd, en later vergeten.
Jacob is zijn tegenhanger, een rustige man, slim, een vent die vooruitkijkt, wiens ambitie verder reikt dan het moment van nu, een strateeg, die vooruitplant.
Maar Esau zou het toonbeeld worden van het kwade, van de man die voor het slechte pad kiest.
Zijn andere naam Edom – de rode – zou het label worden van alle kwade machten die het op Israël voorzien hadden. Het volk Amalek, afstammend van Esau, Haman de afstammeling van Agag, ook een Edomiet, dan de Romeinen en zelfs Hitler werden door velen gezien in het teken van Esau.
Vele commentaren en midrasjiem belichten duistere kanten van Esau en schilderen hem als een onverschillige, liefdeloze, moordlustige man.(Zie ook het verhaal van R. Ari Kahn op de site van Aish.com, waaran ik veel ontleend heb).
Een voorteken is reeds het rode haar waarin de baby Esau was gehuld, dat als synbool gold van het te vergieten bloed.
Het kan heel goed, dat Awraham Esau nog heeft meegemaakt. Awraham was 100 toen Jitschak geboren werd, 140 toen Jitschak huwde en waarschijn een paar jaar later vader werd. Laten Jacob en Esau ongeveer twintig of vijfentwintig zijn geweest, toen Esau van de jacht terug kwam en de rode soep eiste.
De legende wil dat tot dan Esau omwille van zijn grootvader zich inhield. Maar op die dag stierf Awraham, 175 jaar oud en bij Esau braken de duistere krachten baan.
Sterker nog, de legende luidt, dat op die dag Esau ook Nimrod had verslagen, de koning die Awraham al had vervolgd en die, nog steeds rebellerend (‘marad'= rebelleren) tegen diens nageslacht en tegen die Ene G-d, uit was op Esau, waarbij het tussen hen ook nog zou gaan om het kleed van Adam, dat macht gaf over de wereld en de natuur.
”The first challenge of Esau's life -- the death of his beloved grandfather -- proved too great a test. Esau came away from that experience mean-spirited, a misanthrope dedicated to spreading his disease to all who crossed his path” dramatiseert R. Ari Kahn.
Mooie verhalen, die op zich al weer roepen om duiding. Duidelijk is dat veel bijbelcommentaar en midrasj uit is op het construeren van rolmodellen, heilige voorbeelden van het goede – vaak gevonden in Awraham, Jitschak en Jacob, Mosjé, David etc. – maar daarmee zijn ook antithetische modellen ontstaan van slechtheid en kwaad. Ik zou bijna zeggen, die ‘arme' Esau is voorwerp geworden van het laatste, terwijl hij toch eigenlijk niet meer is dan de ‘gewone man' met zijn passies, hebbelijkheden, gewoontes, ja misschien de vijand van het ene moment en de vriendelijke buurtgenoot van het volgende moment.
De bijzondere figuur is Jacob, die ook niet zonder vlekken is, ook een mens met menselijke eigenschappen, maar een mens met een bijzondere gave en met een missie.
Zeiden we eerst, dat de familie Jitschak een gespleten familie was met een zware gezinsproblematiek, een broken home bijna, als we de familiegeschiedenis meer in spiritueel perspectief zien, dan gaat het meer over het drama van de voortzetting van Awrahams erfenis.
Het draait om de figuur van Rivka. Alles wijst erop, dat moeder Rivka tot Jacobs vertrek naar Lawan de regie over het leven van haar oogappel heeft gehad.
In de gezinspsychologie is zij de eenzijdige moeder met haar voorttrekken van Jacob, in de spirituele geschiedenis is zijn degene, die de dramatische constellatie voorvoelt als zij zwanger is en (25:23) de stem hoort die voorzegt dat er twee naties in haar schoot zijn en dat de oudste de jongste zal dienen.
Ze moet in de jonge Jacob de kwaliteiten hebben gezien die hem waardig maakte om de erfenis van Awraham op zich te nemen.
In de woestheid, de impulsiviteit, het gebrek aan overleg van Esau lag ook tegelijk een onvermogen om boven de passie of de begeerte van het moment uit te kijken, om te luisteren naar diepere of hogere boodschappen, om de essentie van dingen en mensen te peilen, kortom om contact te voelen met de Eeuwige. Daarmee is Esau geen kwaadwillige, geen slechterik, geen crimineel, hij is eenvoudig alleen maar ongeschikt.
Hij is zoals u of ik, als we niet boven de begeerten van het moment uit kunnen kijken, en dat doen we meestal niet.
Rivka voelde zich instrument om deze herschikking van de opvolging van Awraham te helpen realiseren. Het lijkt wel of zij de drager van inzicht was, terwijl Jitschak geen gevoel had voor de meer spirituele laag van werkzaamheid in zijn familie. Hij was blind voor de meer subtiele kwaliteiten van Jacob en genoot van de wilde kracht van Esau en zijn gebraden wild, Esau in wie hij zich waarschijnlijk meer herkende.
9 dec. 2005
Chajé Sarah
Het hoofdstuk Chajé Sarah – Genesis/Bereshiet 23
tot 25:12 - , ‘het leven van Sarah', gaat helemaal niet over het leven van Sarah, maar over haar dood en begrafenis. Natuurlijk stamt de titel van de gewoonte een hoofdstuk te noemen naar de beginwoorden. Maar we kunnen er toch wel een betekenis aan hechten: het hoofdstuk gaat over continuïteit. Van Awraham en Sarah gaat de estafettestok van Israëls bijzondere geschiedenis over naar Jitschak en Rivka.
Sarah sterft en Awraham koopt een graf. Uitgebreid worden de onderhandelingen weergegeven, met hoofse plichtplegingen wordt de koop gesloten, met omzichtige beleefdheden die in ons nuchtere Nederland al lang in onbruik zijn geraakt, maar in het Midden-Oosten op veel plaatsen nog wel in zwang zijn, denk ik.Bijvoorbeeld het veinzen dat het een gift betreft, terwijl intussen wél een koopprijs wordt gesuggereerd.
Het lijkt wel of in dit stukje het standaardvoorbeeld voor de etiquette van goede onderhandelingen wordt beschreven.
Sarah wordt bijgezet in de spelonk op het veld Machpela.
Dan komt dat prachtige verhaal van hoe Awrahams vertrouweling de opdracht krijgt een vrouw voor Jitschak te zoeken en hoe de knecht deze opdracht volbrengt. Het verhaal wordt in geuren en kleuren verteld, het is een staaltje van de beste Tora-vertelkunst.
Het valt op hoe in dit hoofdstuk de reis van de Knecht en zijn ontmoeting met Rivka aan de waterput en zijn aankomst in het huis van haar familie, met name van haar broer Lawan, tweemaal wordt verhaald, eerst als vertelling in de derde persoon en dan als verslag van de knecht aan Lawan. Twee parallelverhalen, grotendeels gelijkluidend maar in saillante details toch verschillend. Een stijlvorm die wij in onze moderne verhaalkunst niet kennen, maar die hier op een of andere wijze bijzonder sterk werkt.
De verschillen in de twee versies zijn door vele commentatoren door de eeuwen geïnventariseerd en geduid.
Een leuk voorbeeld dat ik vond: in 24:3 laat Awraham de knecht zweren bij ‘de Eeuwige, de G-d van de hemel en de G-d van de aarde'; in het verslag van de knecht over deze eed (24:37) vermeldt de man geen Eeuwige. Dit zou hij dan bewust in zijn verslag hebben weggelaten omdat Awrahams familie natuurlijk niet het Abrahamitische monotheïsme (om het mooi theologisch te zeggen) kenden, maar hun eigen godendienst hadden; de knecht wilde dit natuurlijk respecteren en hen niet nodeloos kwetsen. Een zin later vertelt de bediende dat hij de opdracht had gekregen naar het vaderlijk huis en de familie van Awraham te gaan om een vrouw te zoeken. Awraham had het echter alleen over zijn ‘land en geboorteplaats' (24:4). De knecht dacht strategisch en heeft het in zijn verslag maar iets toegespitst tot de familie, waar hij door dat (schijnbare?) toeval is aangeland. Zo zijn er meer voorbeelden.
Hij voert Rivka mee terug
Van Rivka krijgen we het beeld van een in alle opzichten prachtige vrouw.
Ze is mooi (24: 16), gedienstig en behulpzaam, als ze niet alleen de knecht te drinken geeft maar ook aanbiedt de kamelen te drenken (24:19), daarmee het voorteken vervullend van voorbestemming tot Jitschak's bruid; bovendien heeft ze kennelijk een scherpe intuïtie over haar lotsbestemming en de vastbeslotenheid om daar onvoorwaardelijk naar te luisteren en te handelen: ondanks de pogingen van de familie haar nog een tijdje te houden zegt ze op de vraag of ze onmiddellijk mee wil gaan: ‘Ja, ik wil gaan'.
Jitschak zal dan ook meer dan voldaan zijn geweest:
Jitschak ‘bracht haar naar de tent van Sarah, hij nam haar tot vrouw, hij beminde haar en troostte zich met haar na Sarah' (24:67).
Awraham maakt nog een late bloei door. Hij verwekt bij een bijvrouw Ketoera (de legende ziet er een teruggekeerde en gelouterde Hagar in) nog zes kinderen, die hij wegzendt en waarvan we weinig meer horen. Dan ontslaapt hij in hoge maar goede ouderdom en heeft Jitschak het rijk alleen.
Hij heeft de plaats van zijn vader ingenomen en Rivka de plaats van Sarah.
Continuïteit...
30 november 2005
Wajera Genesis/Bereshiet
18 - 23
In het bijbelstuk (parasha), getiteld Wajera, worden een aantal sleutelgebeurtenissen verhaald uit de oergeschiedenis van Israël. Een belangrijk deel van Awrahams leven speelt zich in deze passages af. Achtereenvolgens zijn dat:
het bezoek van de drie ‘mannen' (engelen), die, gastvrij onthaald door Awraham, hem de geboorte van een zoon uit Sara aankondigen;
de verwoesting van Sedom en ‘Amorra, die ondanks de discussie tussen Awraham en de Eeuwige, plaats zal vinden;
het lot van Lot. die door tussenkomst van de engelen aan de verwoesting ontkomt en toevlucht vindt in een dorp in de buurt en later in een grot, waar zijn twee dochters hem twee zonen ontlokken;
de ontmoeting met Awimelech, die Sara in zijn gevolg haalt en haar later, geschrokken door een droom, weer aan Awraham teruggeeft;
de geboorte van Jitschak;
het wegzenden van Hagar en haar zoon Jishmaël en de haar geschonken uitkomst;
conflict en verbond met Awimelech;
beproeving van Awraham met het gevraagde offer van Jitzchak, en de herhaalde belofte van een overvloedig nageslacht.
Uit deze rijke geschiedenissen stip ik twee gebeurtenissen aan en matig ik mij aan een druppeltje aan de zee van commentaren toe te voegen.
de drie mannen
In Awraham heeft de Tora, later versterkt in de commentaren door de eeuwen, een gestalte van onovertroffen voorbeeldigheid in goede eigenschappen getekend.
Het attribuut uit de essenties van de levensboom dat aan hem wordt gekoppeld is ‘chesed', liefde in de zin van ‘lovingkindness'.
Dat komt onder andere tot uiting in het begin van de parasha als Awraham de drie passerende mannen gastvrijheid aanbiedt en hen onthaalt op verfrissing en een maaltijd.
Omdat dit gebeuren wordt beschreven onmiddellijk na het verslag van de besnijdenis (eind van de vorige parasha) ziet de midrasj (=de Joodse aanvullende en uitleggende verhalen) Awraham voor zijn tent nog bijkomen van deze ingreep. Hij is nog herstellend.
Bovendien is het brandend heet op die dag.
Maar dat verhinderde hem niet de uiterste gastvrijheid te betonen aan de passerende vreemdelingen. In deze zin is Awraham voor de latere generaties het durend toonbeeld van gastvrijheid.
Tevens ziet men die eerste zin van Bereshiet 18 – ‘De Eeuwige verscheen hem …' – als een soort archetypisch ziekenbezoek door de Eeuwige van Awraham, dat een voorbeeld zet voor de mens en hem verplicht tot navolging in het zieken bezoeken.
Veel commentaren, merk ik, zien de verschijning van de Eeuwige in de bossen van Mamré apart van de komst van de drie mannen. Gesignaleerd wordt dan dat Awraham zijn Goddelijke bezoeker zelfs laat wachten om de drie mannen, in wie hij gewone reizigers ziet, te bedienen. Dit stelt de gastvrijheid van Awaraham nog in een scherper licht. Zijn verlangen om te dienen en te geven overtreft zijn verlangen om de verschijning van een goddelijke aanwezigheid te ontvangen. "Het aanbieden van gastvrijheid is groter dan communicatie met God” (Talmoed, Shabbat, 127a) .
In feite stelt Awraham zich pas goed in verbinding met het goddelijke door zijn gastvrij onthaal van de vreemdelingen.
Misschien is het eenvoudiger om de drie vreemdelingen te zien als een interventie van het goddelijke in deze wereld en daarnaast niet nog een Eeuwige te postuleren die staat te wachten - zij het met een milde en geamuseerde gesteldheid - tot hij aan de beurt komt.
In de loop van Bereshiet 18 hebben soms ‘de mannen' het woord en soms de Eeuwige. In 18: 22 staat dat ‘de mannen zich wendden en naar Sedom gingen, terwijl Awaraham nog voor de Eeuwige stond'. In Bereshiet 19 zijn de drie ‘mannen' geworden tot twee ‘boden' (mal'achiem). Waar is de derde gebleven? Of was één van de drie mannen de hoogste door Awraham te percipiëren manifestatie in déze wereld van de Eeuwige, waarvan gezegd wordt in Bereshiet 18:33: ‘De Eeuwige ging heen, nadat hij opgehouden had met Awraham te spreken'?
Over de episode met Awimelech in Bereshiet 20 nog dit.
Het lijkt wel een herhaling van de eerdere belevenis van Awraham en Sarai in Egypte (Ber. 12:11). In Bereshiet 26 overkomt Jitzchak weer gedeeltelijk hetzelfde, nota bene ook met Awimelech.
De topos is:
de aartsvader is bevreesd, dat zijn mooie vrouw wordt geroofd en hij gedood en hij zegt daarom of laat zeggen, dat de vrouw zijn zuster is (wat in Awrahams geval de halve waarheid was: Sarai was zijn halfzuster). De vorst (Farao of Awimelech) denk straffeloos de vrouw te kunnen nemen, maar wordt toch tijdig gewaarschuwd. In het geval van Awraham wordt het huis van koning Awimelech getroffen door onvruchtbaarheid. In een droom wordt deze ingefluisterd dat de vrouw Sarai in zijn paleis wel degelijk de echtgenoot van Awraham is. Sarai wordt teruggegeven en Awraham wordt gecompenseerd met geld en vrije vestiging.
Deze herhaalde gang van zaken wijst erop hoe gevaarlijk het zwervend leven was en hoe afhankelijk van de luimen van meer machtigen.
Maar we de aandacht op richten is het gedeelte van de verzen 20: 17 t/m 21 21: 2 (NBV).
17 Toen bad Abraham tot God, en God genas Abimelech en zijn vrouw en bijvrouwen, zodat ze weer kinderen konden krijgen; 18 de HEER had namelijk bij alle vrouwen in Abimelechs paleis de moederschoot gesloten om wat er gebeurd was met Abrahams vrouw Sara.
18 1 De HEER zag om (Hebr. 'pakad') naar Sara zoals hij had beloofd, hij gaf haar wat hij had toegezegd: 2 Sara werd zwanger en baarde Abraham op zijn oude dag een zoon, op de vastgestelde tijd, die God hem had genoemd.
Rasji zegt hierover (vertaald uit Engelse weerggave): ‘deze afdeling is hier geplaatst om je te leren dat wie erom bidt dat een ander begenadigd wordt zelf éérst wordt geantwoord. Want er staat: “hij (Awraham) bad etc.”en onmiddellijk daarna “De Eeuwige zag om naar Sarah”, wat wil zeggen, Hij had al naar Sarah omgezien voordat Hij Awimelech had genezen.'
Hoe komt Rasj daarbij?
Een gebruikelijk principe van Tora-uitleg is ‘post hoc quia hoc'. Als in de Tora het ene onmiddellijk na het andere komt is dat niet zomaar, dan is er een verband. We zagen dat ook al bij Awrahams besnijdenis aan het eind van Ber. 17. In Ber. 18 onmiddellijk aan het begin verschijnt de Eeuwige aan Awraham, dus hij komt speciaal om zijn zieke uitverkorene te bezoeken. Hier, in het geval van Sarah's zwangerschap, bidt aan het eind van Ber. 20 Awraham om vruchtbaarheid bij Awimelech en zijn vrouw. Begin Ber. 20 wordt Sarah zwanger, er is dus een verband. Maar wat…
Dat wordt verder verhelderd door een andere interpretatievorm, de analyse van de Hebreeuwse woorden.
In dit geval kijken we naar de werkwoordsvorm van ‘De Eeuwige zag om naar Sarah'. Er staat ‘pakad', wat de voltooid verleden tijd is, dus eigenlijk staat er: had (al) naar haar omgezien (dit vertaalt Dasberg beter, hij vertaalt: had bedacht).
Dat houdt in dat al vóór het vlak ervoor verhaalde gebeuren de Eeuwige al aan Sarah had gedacht, dus al vóór Hij op voorbede van Awraham de genezing van Awimelech en zijn vrouw bewerkstelligde had hij de vrouw van Awraham al bedacht met zwangerschap. (ontleend aan Avigdor Bonchek)
Kort gezegd destilleren we hieruit: wie bidt voor de noden van een ander krijgt zijn eigen nood gelenigd, nog eerder dan als hij bidt voor eigen nood. Nog wat meer uit de context losgemaakt: wie zich zonder enig eigen belang inzet voor een ander wordt in zijn eigen nood door G-d meer dan gehoord. Moge dat zo zijn.
21 nov. '05
Parasha Lech lecha, Bereshiet/Genesis
12-18
[ By telling Abraham, "Leave your land, your birthplace,
the home of your parents, and go to the land that I will show
you," God instructed us, his descendants, that there are
three forms of subjectivity we need to leave behind when we set
out on the journey of self-discovery:
"Your land" represents the first level of subjectivity—the
influence of society and community, and peer pressure, which affect
us in deep and profound ways. We all want to be liked and accepted
by others, and we adjust our behavior accordingly.
The "home of your parents" represents the second level
of subjectivity—parental influence, which can be so subtle
that we don't even recognize it. Often, we don't realize how deeply
the attitudes of our parents permeate our own attitudes and behavior,
for good and for bad.
"Your birthplace" represents the third level of subjectivity—inherent
self-love. Each person is blinded by his or her selfish interests;
no one is immune from that.
(citaat
R. Simon Jacobson) ]
“Cuando el rey Nimrod al campo salía ”, toen koning Nimrod naar buiten trok – zo begint een liedje in het Ladino, het ‘joodse Spaans' – zag hij in de hemel de voortekenen van de geboorte van Awraham en als een Herodes avant la lettre gebood hij de vroedvrouwen iedere pasgeboren zoon te doden. Daarom bracht Awrahams moeder haar kind in het geheim ter wereld, in een grot. De baby kon meteen al spreken en zond zijn moeder weg, want een engel zou hem verder beschermen: “malak del cielo me acompañara”. Twintig dagen later trof de moeder bij de grot een jongeman “die naar de hemel keek en diep nadacht om de ware God te leren kennen”, “para conocer el Dió de la verdad”, het was haar in twintig dagen volwassen geworden zoon Awraham.
In het liedje wordt een van de vele legenden verteld over Awraham.
Al die verhalen portretteren een jongeman die diep nadenkt over de afgodendienst om hem heen en deze verwerpt ten gunste van die ene schepper.
Zijn vader Terach zou zelfs winkelier zijn geweest en hebben gehandeld in afgodsbeeldjes.
Toen Awraham een keer op de winkel moest passen heeft hij ze stukgeslagen met een stok, die hij daarna plaatste in de hand van het grootste afgodsbeeld.
Toen Terach terugkwam vroeg deze geschrokken:
- wat heb je gedaan?
- ach, een vrouw kwam koeken als offerande brengen en de beeldjes kregen ruzie over wie het eerst mocht eten en het grootste beeld heeft toen de andere stukgeslagen.
- neem me niet in de maling, die beelden weten toch niets!
- horen je oren wat je mond zegt? zei de jongen Awraham toen.
Een ander verhaal voert koning Nimrod weer op, de koning die in de legende als tijdgenoot van Awraham wordt geplaatst en als fanatieke beschermer van de afgodendienst wordt beschreven.
In een dicussie met Awraham spot de laatste met de afgoden van Nimrod en houdt hij vast aan zijn nieuwe inzichten in de ene onzichtbare schepper. Nimrod gooit hem in het vuur, maar Awraham komt er ongedeerd uit.
Het zijn allemaal mooie verhalen, zonder twijfel gegroeid uit de behoefte om de uitverkiezing van Awraham te verklaren en te voorzien van een passende heroïsche voorgeschiedenis.
Want in de Tora zelf staat er niets over Awraham en zijn persoonlijke verdiensten, als de woorden klinken, die de intrede vormen van het Joodse volk in de geschiedenis: “Lech lecha, ga weg uit je land, van je geboortegrond en uit het huis van je vader, naar het land dat ik je zal wijzen.”
Van Noach wordt gezegd, als hij wordt gespaard van de ondergang, dat hij een rechtschapen man was, onberispelijk onder zijn tijdgenoten. En ook de kwaliteiten van Moshé komen in de Tora al naar voren, alvorens hij wordt geroepen tot zijn nieuwe taak als leider naar de bevrijding.
Maar Awraham wordt plotseling, zonder verklaring, geïntroduceerd: Lech lecha, ga weg uit je land.
Nu was zijn vader Terach al eerder uit zijn vertrouwde omgeving vertrokken, uit Oer-Kasdiem (in de christenbijbel: Ur der Chaldeeën), met de bedoeling naar het land Kena'an te gaan (Bereshiet 11, 31). Maar hij kwam tot Charan en bleef daar. Het lijkt erop, dat Awraham het idee van zijn vader weer opneemt en afmaakt.
Wat speelde er in de familie, welk verlangen deed hen trekken? De boven verhaalde Joodse vertellingen, midrashiem genoemd, reflecteren misschien wel een onderliggende geschiedbeweging: de familie van Awraham, te beginnen bij zijn vader, voelde zich niet thuis in de religieuze en rituele wereld van het toenmalige Mesopotamische beschaving, een wereld waarin het gevaarlijk was je niet te conformeren aan de door de koning als opperste priester belichaamde riten en het maar al te raadzaam was de geldende godenwereld te belijden.
Een zucht, naar nieuwe verten van vrijheid en helderheid deed al Terach besluiten te emigreren. Wellicht was er zelfs sprake van vervolging vanwege het geloof.
Bij zijn zoon Awraham brak de divine inspiratie, het werkelijk nieuwe inzicht in de eenheid van het scheppend principe in al zijn volheid door. Een misschien van tijd tot tijd wel angstig inzicht maar een inzicht van zo'n nieuwheid en een ervaring van zo'n geweldige ruimtelijkheid, dat het individu dat dat inzicht durfde omhelzen en die nieuwe ruimte durfde betreden een naam heeft gekregen in de geschiedenis: Awraham.
Spiritueel gezien was die eerste etappe uit Charan richting Kena'an ‘a giant leap for humanity'.
En eigenlijk echoot die roep van ‘Lech lecha' sindsdien door alle eeuwen tot hen die een belangrijke beslissing moeten nemen, tot hen die voor onbekend terrein in hun leven staan en dat nieuwe gebied moeten binnentrekken. Het gold en geldt zeker voor het Joodse volk dat zo vaak steeds opnieuw letterlijk weer verder moest trekken.
Maar het geldt ook daarbuiten, voor ieder die voor de grens van een volstrekt nieuw levensgebied is komen te staan en moet beslissen.
Dan is het goed om scherp te luisteren en te horen of er een stem zegt: Lech lecha. Ga!
Misschien is daarom tevoren niets over Awraham meegedeeld in de Tora.
Awraham was geen uitzonderlijke hoogverheven man. Hij kon en kan iedereen zijn.
Hij was geen uitzonderlijke hoogverheven man, totdat de roep “Lech lecha!” hem dat opriep te zijn en dat waar te maken.
11 november 2005
Noach
De parasha Noach – Genesis 6 tot 12 – vertelt het overbekende drama van de zondvloed, beter gezegd grote vloed (maboel ha-majiem). Noach wordt als enige rechtvaardige gespaard van de vernietiging van de verdorven mensheid en krijgt de opdracht een ark te bouwen en met hem zijn familie en van alle diersoorten paren op die ark mee te nemen. Na vele maanden op de overstroomde aarde te hebben rondgedreven land de ark op de droogvallende aarde en stelt De Eeuwige zijn regenboog aan de hemel als teken dat Hij niet wederom deze radicale sanctie op zijn schepselen zal toepassen.
In de volgende episode wordt het incident rond de dronkenschap beschreven van de inmiddels landbouwer en wijngaardenier geworden Noach, die naakt zijn roes ligt uit te slapen: zijn zoon Cham zag zijn vader open en bloot en deed er niets anders aan dan het aan zijn broers, Shem en Jefet, te vertellen, die wél met het nodige respect en met afgewend gelaat hun vader benaderden om hem te bedekken met de mantel der liefde.
Dan volgt het verhaal van de nakomelingen van Noach en hun verstrooing over de aarde, nadat zij met hun project van de toren van Bawel De Eeuwige toch wat ongerust hadden gemaakt over de ambities van de schepselen, die zijn evenbeeld droegen.
Tenslotte wordt gefocused op de nakomelingen van Shem, die in tien geslachten uitmonden in Avraham.
De algehele indruk die het verhaal van de grote vloed maakt is die van een “herschepping”.
Een grote schoonmaak van de eerste versie van de schepping naar een tweede, die letterlijk met een schoongewassen lei mag beginnen met een soort nieuwe Adam in de persoon van Noach.
In het begin van paragraaf 6 komen die merkwaardige passages voor over de zonen van God en de dochters der mensen en over de reuzen die de aarde bevolkten.
Jammer genoeg heb ik niet het deel van commentator Umberto Cassuto ‘Me-Noach ad Awraham', maar het zou me niet verbazen als hij in dat deel heeft geconcludeerd, dat het hier residuen betreft van oud-semitische mythen en Godenverhalen, residuen die eigenlijk niet goed passen in de sobere monotheïstische traditie die de Tora-redacteur steeds betracht. Al zullen midrashiem vast wel een mooie draai aan deze passage hebben gegeven.
Scheppingsverhaal-achtig doet ook aan de beschrijving van de dieren (b.v. 7, 14-15), die doet denken aan Bereshiet 24-25, de uittocht uit de ark, die doet denken aan de uitstroom van een nieuwe creatie van levende wezens over de door het vernietigende maak ook schoonwassende water gerenoveerde aarde, afgesloten met opnieuw een: “Peroe oereboe oemil'oe et ha-arets”, weest vruchtbaar, vermeerdert je en vul de aarde (zoals in Bereshiet 1, 28). Even daarna wordt, zoals in Bereshiet 1, 29, het voedsel voor de mensen aangegeven, maar was in Bereshiet alleen het fruit en het gewas aangewezen – en dus eigenlijk het vegetarisme verordonneerd - nu is naast het groene gewas ook al wat beweegt en leeft potentieel voedsel: het vlees, maar niet het bloed.
Nog een parallel zie ik in de assertieve daden van de mens en een zekere angst van De Eeuwige voor de kennis en kracht van zijn schepselen.
Zie enerzijds: Bereshiet 3, 22: Zie, de mens is geworden tot één van ons doordat hij weet van goed en kwaad. Als hij nu maar niet zijn hand uitsteekt en ook van de boom des levens neemt en eet zodat hij eeuwig leeft.” Volgt de verdrijving uit het paradijs.
In Bereshiet 11, 6 sprak de tot de toren van Bawel afgedaalde Eewige tot zichzelf: “Ziet één volk is het en één taal hebben ze allen, indien dit het begin is van wat ze willen doen, zal hun niets, wat ze ook van plan zijn om te doen, meer te moeilijk zijn.”
En weer voelt zich De Eeuwige enigszins bezorgd over de macht van de mens – bijna als een vader die zijn te snel opgeschoten zoon zijn plaats wijst - , en neemt hij actie door het volk te verstrooien.
Eigenlijk is deze bezorgdheid de enige motivatie die in de Tora zelf wordt gegeven voor de verstrooiing.
Zo letterlijk te lezen voeren de bouwers van stad en toren niets ongerechtigs uit.
Tijd en plaats ontbreken nu om de allegorie van de verdrijving uit het paradijs en die van de toren van Bawel verder uit te werken in zijn rijke diepere lagen.
Ik vermeld nog alleen deze verklaringen:
De verstrooing is een sanctie op de overmoed van de mensen.
Dit is de meest populaire opvatting.
Iets verder zoekt men, als men de verstrooing ziet als een zet van de Schepper aan de mens om niet symbiotisch op één plek van de aarde te blijven 'plakken', maar om de hele aarde te verkennen en te vullen.
Een uitgebreide midrash voert koning Nimrod in als de dictator, die op Brave New World-achtige manier zijn mensen heeft gedrild tot een uniforme werkmachine; achter de ogenschijnlijke eenheid schuilt dwang, indoctrinatie en onmenselijkheid. De verstrooiing is dan de bevrijding uit deze dwangsituatie en de talenverscheidenheid een welkome erkenning van creatief noodzakelijke verschillen.
Dan hebben we tenslotte ook nog de ‘zonde' van Cham die zijn naakte vader ziet. Vergelijk de parallel met Adam en Chawa, die elkaar in naaktheid zien. Eerder heb ik geschreven , in mijn commentaar op de parasha ‘Ki tetsé', dat deze schaamte samenhing met de bewustwording van de mens omtrent de immens machtige procreatieve functie van de geslachtsorganenen, die leidde tot taboeisering van de aanblik ervan. Ik noteerde:
“… de primordiale schaamte omtrent de naaktheid, die Adam en Eva al hebben ervaren. We vinden hem ook terug in de scène van de dronken Noach, die brutaal in zijn naaktheid wordt gezien door zijn zoon Cham. Die naaktheid is natuurlijk schaamtevol, omdat Cham zicht had op het geslacht van zijn vader, waaruit hij zich voortgekomen wist.”
Een evenals van Adam tot Noach duurt het tien generaties tot met Awraham de joodse geschiedenis tot ontkiemen komt.
In de midrashiem wordt Awraham over het algemeen gezien als een nobeler uitgave van Noach. Behalve op tekstuele uitleggingen wordt dit vooral gebaseerd op de reactie van de beide mannen op de aanstaande vernietiging van hun medemensen; Noach riep bij verneming van de ondergang van zijn medemensen niet de compassie van De Eeuwige in, Awraham deed dit wel bij de verkondigde vernietiging van Sedom en Amorra.
Bereshiet
De meesten van ons hebben de letterlijke opvatting van het scheppingsverhaal achter ons gelaten.
Voor wat betreft het verslag van de creatie van onze kosmos en onze aarde, daarin geeft de wetenschap een verbazend en aan alle kanten door onderzoek geschraagd verslag, dat nog steeds wordt uitgebouwd.
We kunnen het verhaal van het eerste hoofdstuk van Bereshiet/Genesis nu lezen als een bondig onder woorden gebrachte, krachtige allegorie. En juist dan valt op, dat er in het scheppingsverhaal van Bereshiet 1 een frappante parallellie met de ontdekkingen en hypothesen van de wetenschap te vinden is.
De meeste fysici accepteren eveneens een begin, een schepping uit het niets: de theorie van de Big Bang, voor het eerst in 1946 door George Gamow voorgesteld. Een creatio ex nihilo, die begon met een onvoorstelbare hoeveelheid samengebalde lichtenergie (‘er zij licht'), waarvan nog steeds een minuscule achtergrondstraling te bespeuren is, zoals Penzias en Wilson ontdekten.
Tevens is er in het scheppingsverslag een bepaalde ontwikkeling te bespeuren, die doet denken aan de evolutionaire ideeën van Darwin: eerst de planten en dan van de waterdieren naar de landdieren en dan de mens.
Nu gaat het er niet om met alle macht wetenschappelijke bewijzen aan te dragen om de juistheid van de bijbel/Tora aan te tonen. En ook niet om aannemelijk te maken dat er een soort intelligent design aan het werk is.
Wetenschap en de verhalen van de religie zijn verschillende talen, die niet door elkaar gehaald mogen worden (hoogstens kunnen zij elkaar inspireren).
Maar de parallelliteit tussen wetenschappelijke ontdekkingen en die eerste passages van de Tora zouden een aanwijzing kunnen zijn dat deze passages toch bezield zijn van een diepergaande boodschap dan alleen het droge rapport van scheppingsdaden. Daarvan geven eeuwen van midrashiem en kabbala getuigenis.
Mij viel bij herlezing een speciaal aspect op; een groot deel van de scheppende activiteit van hoofdstuk 1 houdt niet zozeer in het uit het niets tevoorschijn roepen; het bestaat veeleer uit het scheiden, het uit elkaar halen, het een plaats geven, een groot deel van Bereshiet hoofdstuk 1 bestaat uit ordenen en differentiëren.
In het begin is er chaos, ‘tohoe wa-bohoe'. Het primordiale licht maakt het mogelijk scheidingen en positioneringen aan te brengen, licht en donker, water en hemel, de zee en het droge. Ook het aardse licht wordt geconcentreerd in een zon en een maan en de sterren.
Men zou kunnen zeggen dat als het dan zover is - aarde, water, hemel, zee en land zijn dáár - het Scheppend Principe zijn scheppende kracht delegeert, investeert in wat hij geschapen heeft: want vanaf de planten is de uitspraak, die deze scheppingen in gang zet: laat de aarde ….(1, 11), laat het water ….(1, 20), laat de aarde ….(1, 24) om tenslotte uit te monden in 1, 26: laat ons mensen maken naar ons beeld, onze gelijkenis.
In het hier volgend commentaar van de 19e-eeuwse Isbitzer rebbe
op de betreffende scheppingspassages komt dit ook tot uiting:
“ Toen de schepping dus zijn gemis besefte, bewerkte hij een
bewustwording van beneden af voor de schepping van de mens. “God
sprak, laten wij mensen maken”, met andere woorden (“laten wij”,
want God spreekt alle geschapen wezens aan), God, Hij zij gezegend,
sprak tegen de hele schepping, opdat ieder onderdeel van zijn
kracht iets zou geven en mee zou doen in de schepping van de mens,
zodat de mens deel zou hebben in al die onderdelen.”
(‘Living Waters', a commentary on the Torah, R, Mordechai Yosef of Isbitza)
Een originele duiding van het “laten wij” of “laat ons”, mij meer
aansprekend dan de midrashim die zeggen: wij = God die tot zijn
engelen spreekt.
Benadrukt wordt in deze passage, dat scheppen niet is iets uit niets
maken, maar dat de kosmos bezield is van en gedreven wordt door
een haar ingeplante scheppende oerkracht – die steeds weer uit chaos
– tohoe wa-bohoe – orde schept, ordent, scheidt, formeert, differentieert
en uit oude vormen nieuwere en mooiere, nog complexere vormen maakt,
een proces, dat immer doorgaat en voortschrijdt. (gedachtig aan
de tweede wet van de thermodynamica komt het beeld op van de ontworsteling
van orde aan de entropie). De tien uitspraken waarmee de schepping
is in het leven is geroepen klinken steeds door en geven onze dynamische
wereld nog weer opnieuw gestalte en steeds weer nieuwe gestalten.
Als in een versnelde film krijg je even het visioen van een caleidoscopische uitbarsting in een beurtelings feestelijke dan wel helse vormenrijkdom.
Wel is er af en toe een pauze. Na “zes dagen” – zes scheppingsfasen of –episoden – rust de oerkracht, verademt De Schepper en zijn schepping; dat is het 'shabbateske' ritme van Worden en Zijn (dat in laatste instantie één geheel is).
Vanaf hoofdstuk 2, vers 4 verandert de focus van het scheppingsverslag opeens. Als in de nieuwe Google-mogelijkheid om vanuit buitenaards perspectief in te zoomen naar je eigen achtertuin zoomt het Bereshiet-verhaal vanuit kosmische view opeens pijlsnel naar de mens, naar zijn binnenkant, vanwaaruit hij zich alleen bevindt in de schepping, de mens die van vlees is, uit verlangen gebouwd, die nieuwsgierig is en wil kennen, al valt hij daardoor uit zijn hemelse en zorgeloze paradijs – want hij is geschapen met een zeer lastige oriëntatie: naar het beeld van zijn Schepper.
28 okt, 2005, Rob Cassuto 
Bereshiet: seks, kennis, verantwoordelijkheid,
macht; een speculatie
Wij kunnen ons in dit postmoderne tijdperk nauwelijks voorstellen,
dat ooit de mens niet heeft geweten, dat de samenwerking van man
en vrouw in de seksuele gemeenschap het krijgen van kinderen,
anders gezegd dat de rol van de man en zijn penis, onmisbaar is
in de procreatie van nageslacht. Toch moet deze toestand van onwetendheid
ooit de staat van het mensdom zijn geweest.
Tot voor kort waren er nog stammen, die in deze onwetendheid verkeerden.
In de eerste decennia van de vorige eeuw ontdekte de antropoloog
Malinovski, dat de bewoners van de Trobriand eilanden (bij Papua
Nieuw-Guinea) nog geen idee hadden van het verband tussen seksualiteit
en zwangerschap.
In het prehistorische middenoosten is deze ontdekking wel ooit
gedaan. De doorbraak van het inzicht, dat de daad van opperste
lust en plezier (en wellicht ook mannelijke macht) negen maanden
later bij de vrouw zulk een indrukwekkend en ingrijpend gevolg
had in de vorm van de geboorte van een kind moet een verbijsterend
moment zijn geweest, een primordiale aha-erlebnis, een giant step
for mankind.
Vermoedelijk was deze pionier van de menselijke wetenschap een
vrouw, wat nog doorklinkt in het paradijsverhaal uit de Joodse
bijbel. Want wat was de boom van Kennis van Goed en Kwaad anders
dan de boom van kennis over waar de kinderen vandaan komen, de
boom van de wetenschap over dat babies ontstaan als causa prima
uit het slangachtig aanhangsel aan de man, die in de seksuele
daad zijn onmisbare gave stort in de vrouw.
De levende natuur (voor de gelovigen: zo gewild door God in zijn
fantasierijke en grillige wijsheid) is in al zijn vezels bezeten
van een onstuitbare drang naar handelingen en gedragingen die
kroost en nageslacht tot gevolg hebben en in zekere zin kan men
spreken van een bezieling van de natuur met een soort blind weten,
een intueren op het niveau van de soort, van het collectief, omtrent
voortbrenging, die het individu verre overstijgt.
Bij de mens is dat intueren op een goed moment opgedoken in een
heldere bewustheid. Eva ontdekte de verband.
Het is goed denkbaar, dat de vrouwen dit verpletterende inzicht
eerst alleen met elkaar hebben gedeeld en het in hun geheime esoterische
genootschappen misschien wel eeuwen verborgen hebben gehouden
voor de man. Maar uiteindelijk deelde een Eva dit schokkende feit
met een Adam en zo werden man en vrouw uit een prereflexieve wereld
geworpen in een wereld waarin zij voortaan wisten, dat hun gezamenlijke
seksuele daad onontkoombaar verbonden was met zijn gevolg, het
kind. Wat een ongezochte maar onontkoombare verantwoordelijkheid
opeens! De ontdekking dat de menselijke lust- en liefdesdaad over
een lange tijdsspanne heen zulke, aanvankelijke onvermoede, ingrijpende
gevolgen kan hebben, moet enorm hebben bijgedragen in het wekken
van een ethisch bewustzijn; het wekte de geest tot een enorme
sprong in zijn mogelijkheid te denken over consequenties van daden
en in het onderscheiden van gevolgen - soms pas na lange tijd
zichtbaar - in goede en kwade. De tot kennis gewekte geest kon
voortaan daden met goede en kwade gevolgen relateren.
Natuurlijk was er een zekere onvermijdelijkheid van deze ontdekking
in de gang der dingen verdisconteerd. In de mythe van het paradijsverhaal
komt dit tot uiting in het verbod door God om van de boom der
kennis van goed en kwaad te eten. Wanneer men een boom met prachtige
vruchten midden in een tuin zet voor de neus van mensen en dan
zegt dat je er niet aan mag komen, dan zal dat gebod ooit een
keer overtreden worden. Een soort wet van Murphy-achtige variant:
als iets is verboden zal het ooit toch gedaan worden. In zekere
zin mag met dan in termen van de mythe stellen, dat God deze overtreding
heeft gewild en heeft gewild dat de mens vanuit een eerdere primordiale
fase geconfronteerd zou worden met de mogelijkheid van een leven
met keuzevrijheid, intellectuele creativiteit en verantwoordelijkheid
Deze fundamentele kennis moet ook revolutionaire gevolgen hebben
gehad voor de man als man. Het moet de rol van de man –
en zijn penis - in een heel nieuw licht hebben geplaatst. Niet
langer had de vrouw alleen het monopolie van voortbrenging van
kinderen. De man bleek een sleutelrol in dit mysterieuze oergebeuren
te hebben. Dat moet zijn positie in stam of groep enorm hebben
versterkt. Het mannelijk lid steeg mijlenver in aanzien. Het werd
een apparaat van magische kracht, een power point van de eerste
orde. De sociale organisatie van stam of groep moet belangrijke
veranderingen; misschien werd door deze ontdekking wel de overgang
van matriarchale naar patriarchale samenlevingsvormen gemarkeerd.
Vandaar mijn vermoeden dat de vrouwen hun kennis over de procreatieve
rol van de mannen tijdenlang geheim hebben gehouden; ze wisten
donders goed dat openbaring van het geheim een een gevaar zou
vormen voor hun machtspositie..
Het is niet verbazingwekkend dat dit lichaamsonderdeel werd omgeven
met magische rituelen en taboe’s. Hoewel in de Tora tamelijk
grondig wordt afgerekend met magie en magische rituelen - hierin
toont het boek zich uiterst progressief en geschiedenis-bepalend
- zijn er toch wel overblijfselen aan te tonen, die vooral te
maken hebben met de zichtbaarheid, die vermeden moet worden.
Het begint met het vijgeblad. Denk ook aan de scène van
de dronken Noach, die brutaal in zijn naaktheid wordt gezien door
zijn zoon Cham. Die naaktheid is natuurlijk schaamtevol, omdat
Cham zicht had op het geslacht van zijn vader, waaruit hij zich
voortgekomen wist. Cham wordt vervloekt, een muis die nog een
staartje zou hebben als rechtvaardiging van racisme naar de zwarte
medemens.
In Deuteronomium staat een duister voorschrift: 'Als twee mannen
aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin
om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen,
dan moet haar hand worden afgehakt; toon geen medelijden.'
Het gaat niet om zomaar een brutaliteit, een schandalige daad.
De daad van de vrouw raakt de betrokken man in zijn elementaire
waardigheid als voortbrenger van nageslacht, of sterker nog waarschijnlijk,
ontneemt hem zijn kracht en vruchtbaarheid; zijn mannelijke macht
wordt besmet, ontledigt, aangetast.
RC 25 okt. 2008
meer over Bereshiet/Genesis door Rob Cassuto |