Vele moderne en oude bijbelcommentatoren hebben hun commentaren op de Tora geschreven, vaak aan de hand van het hoofdstuk, dat die week in de synagoge wordt gelezen, de 'parasja van de week'; en iedere week worden er weer nieuwe commentaren gepubliceerd.
Bescheiden voeg ik mij - een beetje als goedwillende amateur - in het grote leger van deze commentatoren.
Steeds zal ik daarbij ernaar streven een eigen interpretatie of een persoonlijke noot toe te voegen. Dit alles vormt een goede aanleiding om de bijbel - speciaal dus de Tora - eindelijk eens goed, met respect voor de traditie, maar toch met nieuwe ogen te lezen. Als je wil, doe mee...
parsha of the week :
Tradition is to deliver commentaries on the Tora chapter of the week and a host of ancient and modern scholars have done so. I humbly dare to add my own share,.
This all to give myself an occasion and create a discipline to regularly close-read the Tora, with respect for tradition as well as with new eyes. If you like join me! The language, alas, is Dutch
We-zot ha-beracha (Dewariem/Deuteronomium 33 en 34)
De beschrijving van de laatste gang van Mozes (Deut. 34), weg van het volk, de berg Nebo op, raakt mij altijd weer als ik het lees. Waar hem dat inzit, ik weet het niet. Ik ben sowieso al gevoelig voor sterfscenes en dit is wel de meest klassieke. Aan Buber doet het denken "aan een van de edele dieren, die zich van hun kudde verwijderen om alleen te kunnen sterven". Dat zit er ook in, ja.
Het is ook de combinatie van kracht - de laatste wandeling alleen, niet wazig was zijn blik en niet geweken zijn frisheid" (Deut. 34,7) - en de menselijke smart van het afscheid. De grootsheid van zo'n vol leven, dat een einde neemt.
De eenzaamheid die hem zijn hele leven moet hebben omgeven die hier in zijn volheid en naaktheid onthuld lijkt.
Het is ook de menselijkheid ondanks de heroieke enscenering van de eenzame bergbeklimming, Mozes was geen mens zonder zonden, zoals Jezus, hij was toornig als de God van de Tora zelf, geduldig en ongeduldig, bescheiden en autoritair, een welsprekend man met een spraakgebrek, moedig met bange momenten, een profeet maar niet heilig.
Hij stierf "al pi Hashem", wat vertaald wordt als "volgens des Heren woord", "op bevel van de Eeuwige", "aan de mond van de Eeuwige" etc.
Zijn graf werd geen heilige plek of bedevaartsoord, want niemand wist en weet waar hij begraven is.
Als Mosjé de auteur is van Dewariem, wie heeft dan de laatste verzen geschreven, is de vraag die bij logisch georiënteerde lezer opkomt.
Rabbijn Evers heeft de antwoorden geinventariseerd:
Jehosjoea heeft de laatste verzen geschreven. Of
God heeft ze gedicteerd en Mosje heeft ze `bedima' - onder tranen heeft opgeschreven. Of
Alle letters van de Tora zijn op Sinaj aan Mosjé en na de dood hebben de letters zich tot de laatste verzen samengevoegd.
Zelf denk ik dat het boek Dewariem bestaat uit een kern van authentieke fragmenten, uitspraken van Mosjé door hem zelf of door nakomelingen van Aharon opgetekend, waarbij rond die kern oude herinneringen zijn toegevoegd, waaronder de dood van Mosjé.
Mogelijk heeft die samenvoeging pas plaatsgevonden onder koning Josjiahoe (zie mijn commentaar op de eerste parasja van Dewariem).
Ook dit nog: in vers 34: 10 staat: nooit stond er meer een profeet in Jisraël op als Mosjé, met wie de Eeuwige omging ‘van aangezicht tot aangezicht'.
Maar Mosjé zelf sprak tot het volk in vers 18:15: De Eeuwige zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren. 16 Jullie hebt de Eeuwige daar immers zelf om gevraagd, toen jullie bij de Chorew bijeen waren? Jullie zeiden: ‘Wij kunnen het stemgeluid van de Eeuwige, onze God, en de aanblik van dit enorme vuur niet langer verdragen; dat overleven we niet.' 17 De Eeuwige heeft toen tegen mij gezegd: ‘Zij hebben goed gesproken. 18 Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij. Ik zal hun mijn woorden ingeven, en zij zullen het volk alles overbrengen wat ik hun opdraag.
Hoe kan dit samengaan? Een antwoord heb ik nog niet gevonden.
Het boek Dewariem is afgesloten en de lezing van de Tora is rond. De chataniem Tora hebben de laatste parasja gelezen en ook weer de eerste parasja Beresjiet. De cyclus gaat door. Maar in de geschiedenis gaat het verhaal in zekere zin ‘longitudinaal' door: het volk staat aan de rivier Jordaan en onder Jehosjoea zullen zij de rivier oversteken; deze situatie is ook de inhoud van de haftara - stuk uit de bijbel dat naast het Tora-stuk wordt gelezen- die bij deze parasja hoort.
Die oversteek betekent het verlaten van mythische grond van de Tora en de oversteek naar de concrete geschiedenis. In het boek Jehosjoea begint het echte geschiedenisboek, de geschiedenis van de omgang van het volk met zijn bijzondere lot, met zijn Tora en zijn vrienden en vijanden van het politieke moment.
Het volk dat aan de rivier staat, vóór de oversteek naar een onbekend gebied en een ongewisse toekomst heeft ook een archetypische sfeer, die terug te vinden is in alle gemeenschappen die voor een belangrijke lotswisseling staan, voor kardinale beslissingen, die toekomstbepalend zijn. Ook individueel zijn deze momenten te herkennen: grote beslissingen die een nieuwe levensfase inluiden.
In het allereerste stuk van het boek Jehosjoea (1:9) staat, dat de Altijdzijnde Jehosjoea – en eigenlijk ons allemaal wanneer we voor grote stappen in het leven staan - gebiedt: wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Eeuwige, je God, staat je bij.'
Rob C. 13 okt. 2006
Jom Kipoer - Tesjoewa
Er is vast en zeker wel eens een moment geweest dat u een van de fotoalbums van de familie ter hand nam en stuitte op een foto van u als kind. Kleine jongen, kleine meid, die je vanuit verleden aankijkt. Ik blader er nog wel eens in; ook nu ik dit aan het voorbereiden was, schieten bepaalde foto's voorbij; bijvoorbeeld, die jongen van acht, schoolfoto, aan een schoolbank, verwarde kuif, pullovertje, wat verlegen blik, ondeugend maar verlegen lachje. Heeft u ook ook zo'n foto? En denkt u dan niet zoiets als: wat is er niet al gebeurd sindsdien.
Als u kon tijdreizen, wat zou u dan vertellen aan dat kind dat u ooit was? Welk verhaal zou u hem of haar vertellen? Fijne dingen, vreselijke dingen … hoogtepunten, dieptepunten. Ligt dat verhaal vast en nemen gedane zaken geen keer?
In boek en film is het geen probleem, tijdreizen en ingrijpen in het verleden. Het fenomeen heeft ons altijd gefascineerd. Science fiction bloeit dank zij dit thema en films die de tijd de tijd als bereisbaar medium exploiteren zijn heel populair, denk maar aan Back to the future, The Terminator.
Maar in feite kan het natuurlijk niet. Niet in fysieke zin.
Toch is er wel een mogelijkheid om de tijd te omzeilen. En op een bepaalde manier in te grijpen in het verleden. Dat kan via het wonderlijke proces van Tesjoewa.. Tesjoewa brengt met zich mee, dat ik in de geest op bezoek ga in het verleden. Het verleden is hier en nu vooral bij mij in de vorm van het verhaal, dat ik mijzelf over mijn leven vertel. Het proces van Tesjoewa begint met een krachtig wilsbesluit om afstand te nemen van de verhalen die ik steeds maar aan mijzelf herhaal. Ik ga de stellingen bekijken, waarin ik me heb ingegraven, de harde oordelen, die ik gekoesterd heb onderzoeken. Ik ga de pijnlijke wendingen in het verhaal nog eens bekijken, de emotionele episodes, de terugkerende impasses, punten waarin ik steeds vastloop, de gebeurtenissen waarin ik heb gefaald, of waarvan ik vind dat een ander heeft gefaald.. Hoe pijnlijk kan dat verhaal zijn …De vraag is: kan ik boven mezelf uitstijgen, boven dat verhaal uit komen? Kan ik het oude verhaal loslaten en ben ik in staat te vergeven en vergeving te ontvangen?.Ja, be-ezrat Hasjem is het mogelijk in een diepgaande wending van de ziel voorbije gebeurtenissen, daden, instellingen onder ogen zien, onderzoeken en berouwen en vergeven. In dat proces van afstand, berouw, vergeving en verzoening kunnen aan die zaken uit het verleden nieuwe betekenissen ontspruiten. Lichtpunten komen op. Andere definities gaan opdoemen, een nieuw verhaal ontstaat, dat doorwerkt in het heden op een nieuwe manier, dat openingen biedt, onze toekomst een nieuwe perspectief geeft en onze daden een nieuwe richting, ik weet weer wat mij te doen staat..
Rav Kook zegt in een parafrase: de daden uit het verleden staan niet los van iemands huidige bestaan, doen, laten en willen. Omdat alles zo met elkaar verbonden is heeft de mens de mogelijkheid om een nieuwe kleur te geven zelfs aan zijn daden uit het verleden. Dat is de geheime betekenis van Tesjoewa.
In de Talmoed zijn uitspraken te vinden die die krachtige mogelijkheid om de betekenissen en de waarderingen uit het verleden te veranderen illustreren en ondersteunen.
In het tractaat Joma (86a-b) discussiëren de Rabbijnen over de grootheid van Tesjoewa. Rabbi Resj Lakisj - een van de wijzen uit de derde eeuw van de westerse jaartelling - zegt:
Groot is Tesjoewa: zelfs de verkeerde daden, die met opzet zijn gedaan worden dan beschouwd als niet opzettelijk. Even later gaat hij zelfs nog een stap verder: groot is Tesjoewa, zo zelfs dat opzettelijke daden als verdiensten beschouwd gaan worden. Dat is opmerkelijk: wat ooit verkeerde daden waren worden bij ommekeer en diepgaande verandering ten goede met terugwerkende kracht in een nieuw licht beschouwd en ze worden niet meer aangerekend, maar zelfs getransformeerd tot verdiensten . Die laatste grote sprong geldt overigens alleen voor wie ommekeer doet uit liefde.
En Rabbi Resj Lakisj mag daarover meepraten, want voor zijn ommekeer en transformatie tot een der grootste Talmoedrabbijnen was hij – zo zegt de overlevering - gladiator en struikrover.
[ Markant was het moment van zijn ommekeer. Hij was een reus van een kerel en beresterk. Toen hij in zijn bandietenperiode een keer bij de Jordaan was gebeurde het volgende. Hij zag een beeldschone vrouw baden en sprong uit de struiken de Jordaan in. Met krachtige slagen zwom hij naar de bader toe. Het bleek tot zijn verbazing een man te zijn, het was de beroemde wijsheidsleraar Rabbi Jochanan, die inderdaad volgens de overlevering geen baard droeg en bekend stond om zijn schoonheid.
“Zo een kracht zou gewijd moeten worden aan Tora”, zei Rabbi Jochanan droogjes tegen de reus tegenover hem.
“Zulk een schoonheid zou gewijd moeten worden aan vrouwen”, antwoordde Resj Lakisj.
Ze spraken verder en tenslotte trad Resj Lakisj toe tot de Jesjiewa van R. Jochanan en hij werd zijn beste leerling. In hoeverre het een gewicht in de schaal wierp dat een huwelijk tussen Lakisj en de beeldschone zuster van R. Jochanan werd geregeld laat ik hier in het midden. ]
Hoe kan dat alles, hoe kan het verleden van gedaante veranderen.
De midrasj zegt: voordat de Schepper de wereld schiep was er al Tesjoewa. De Eeuwige kon de wereld niet laten bestaan zonder eerst de mogelijkheid van Tesjoewa in het leven te hebben geroepen. Misschien is Tesjoewa op te vattenen als een dimensie die buiten de tijd staat. Ergens in ons wezen, via de ziel, de nesjama, hebben wij toegang tot die buitendimensionele plek - misschien mag je zeggen: tot een transcendente ruimte - , waar de hervormende kracht van Tesjoewa werkzaam is. Als een gouden draad loopt hij eigenlijk door ieder moment van ons leven. Wanneer we onszelf onderzoeken en heroriënteren op ons leven staat die mysterieuze beschikbaarheid, die ons te boven gaat, open en hebben wij de kans om het verleden als het ware te herschikken en te herlezen tot een nieuw verhaal.*
[ Dan begrijp ik opeens deze passage van de 20ste-eeuwse Joodse filosoof Emmanuel Levinas, die ik weergeef in een vrije bewerking:
Vergeten raakt niet de werkelijkheid van het vergeten gebeuren. Maar er is een kracht, sterker dan het vergeten en dat is vergeving: krachtiger dan vergeten werkt vergeving in op het verleden. Het herhaalt op een of andere manier de gebeurtenis in een loutering er van. Het vergeten vernietigt de relaties met het verleden, terwijl de vergeving het vergeven verleden in het gelouterde heden bewaart. Het schepsel dat vergeven is, is niet een onschuldig schepsel. De onschuld is niet te stellen boven de vergeving. Het verschil tussen onschuld en vergeving is waar te nemen in het vreemde geluk van de verzoening, wat men wel noemt: de felix culpa, ‘gelukkige schuld', een dagelijks ervaringsfeit. Aldus Levinas. ]
Even terug naar die kinderfoto. Het lijkt net of dat kind mij anders aankijkt. Vol verwachting, een twinkel in de ogen, misschien heeft hij wel meegeluisterd. Hij is vol verwachting over het vervolg.
23 sept 2007
* Emmanuel Levinas in een passage over tijd, vergeving en verzoening, “De vergeving in zijn onmiddellijke zin is gebonden aan het morele fenomeen van de misstap; de paradox van de vergeving ligt in de terugwerkende kracht en vertegenwoordigt, vanuit het gezichtspunt van de gewone tijd, een omkering van de natuurlijke gang van zaken, de omkeerbaarheid van de tijd. Aan de vergeving kleven verschillende aspecten. De vergeving verwijst naar het verlopen ogenblik; aan het subject dat zich op een ogenblik misgaan heeft, laat ze de mogelijkheid te bestaan alsof het ogenblik niet verlopen was, te bestaan alsof het subject zich niet misgaan heeft. Met een kracht krachtiger dan het vergeten, dat niet de werkelijkheid van het vergeten gebeuren raakt, werkt de vergeving op het verleden,
-herhaalt ze op een of andere manier de gebeurtenis in een loutering ervan. Hier komt nog bij dat het vergeten de relaties met het verleden vernietigt, terwijl de vergeving het vergeven verleden in het gelouterde heden bewaart. Het zijnde dat vergeven is, is niet het onschuldig zijnde. Het verschil betekent niet, dat we onschu1d boven de vergeving mogen stellen , het laat toe in de vergeving een surplus aan geluk te onderscheiden, het vreemde geluk van de verzoening, de felix culpa, een dagelijks ervaringsfeit waarover men zich niet meer verbaast.” (De totaliteit en het Oneindige, Ambo, p. 345)
Ha'azinoe
De parasja Ha'azinoe (Dewariem 32-33) bestaat grotendeels uit de poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanezang. Het bestaat uit drie episoden.
De eerste brengt in herinnering de keuze van de Eeuwige van Israël als Zijn volk, Zijn bijzondere bescherming: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt' en vervolgens een tekening van de voorspoed waardoor ‘Jesjoeroen (= Israël) vadsig en vet (werd), het raakte verzadigd, werd dik en rond. Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper, versmaadde zijn stut en steun, zijn rots. ‘
Dan komt de wending naar de tweede episode: de vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk: eerder in Deuteronomium wordt ebeneens het beeld van de arend daartoe gebruikt, nu als agressieve aanvaller: (28:49): ‘Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt.'
Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden komt de derde episode, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen oefent, in lyrische beelden beschreven.
Het motief voor deze wending is dat de vijanden van Israël niet misleid zouden worden en hun overwinning van het arme volk aan zich zelf zouden toeschrijven en hier niet de wil en de hand van de God van Israël zouden zien. Het doet denken aan het argument waarin Mosjé God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf niet ten prooi aan vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) 'Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: “Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen”?'
Daarnaast wil God met zijn rampspoeden Israël laten beseffen, dat de nagejaagde afgoden geheel machteloos zijn.
Steeds is de terugkeer naar de strenge maar uiteindelijk immens liefdevolle Schepper de enige uitredding.
In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds door de keuze die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor de afval de vreselijkste rampspoeden, in geuren en kleuren beschreven, worden verbonden.
In deze sfeer zijn ook de termen en beelden van het leerdicht zijn straf, krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Er schijnt door de lyrische tekst een paradox door: hij is bedoeld als laatste waarschuwing en tegelijk lijkt het een voorspelling, dat deze waarschuwing niet wordt gehoord en onvermijdelijk de weg van rampspoed zal moeten worden afgelegd.
De God en zijn geboden die óf gevolgd worden óf in de wind geslagen worden ten gunste van de afgoden (in ruimste zin), wie en welke zijn dat? Slaat het in deze tijd vooral op de preciesheid van de 613 mitswot die uit de Tora gedestilleerd zijn en op de exacte opvolging van de regels van de Sjoelchan Aroech of geldt het vooral voor het luisteren naar de stem van het ethische hart dat onlosmakelijk versmolten is met de God, zoals die aan Mozes en Israël verschenen is en het praktiseren van de essentie van wat toen is gehoord en nog steeds resoneert in ons eigen hart?
Rosj
Hasjana - Nitsaviem-Wajelech
In
parasha Wajelech (hfst 31) staat de voorspelling dat het volk
van Israël na de dood van Mosjé achter andere goden
zal aanrennen en (NBV):
17
Dan zal ik in toorn tegen hen ontsteken, ik zal hen aan hun lot
overlaten en me van hen afkeren. Wanneer ze zo kwetsbaar zijn
geworden, zullen ze ten prooi vallen aan allerlei ellende en tegenspoed.
Dan zullen ze zeggen: “Deze ellende overkomt ons zeker doordat
onze goden ons verlaten hebben.” 18 Nee, ik ben het die
zich van hen afkeert, omdat ze zoveel kwaad hebben gedaan en zich
met andere goden hebben ingelaten.
Deze
passage is een omschrijving van het Verborgen Aangezicht van God.
Een hardvochtige en rechtlijnige passage
Steeds worstel ik met enerzijds de constatering dat zovelen van
het volk van Israël, zovelen van de volkeren van deze wereld,
zovelen zoveel ellende onder ons brengen. Ook ik als iemand die
meestal langs de zijlijn staat heb mijn aandeeltje.
Anderzijds zijn er ook zoveel hoopvolle tekenen, zoveel goede
initiatieven, zoveel ontluiking van goede intenties en goede daden.
De in Deuteronomium in zo grote getale uitgestorte voorzeggingen
van rampen en vervloekingen ze lijken altijd wel te eniger tijd
ergens ter wereld werkelijkheid te worden.
Ook het laatste lied van Mosjé staat vol van de woede van
de Eeuwige die op zijn ongehoorzame kinderen ontbrandt en met
een literair welhaast wellustige pen (voorloper van Dante’s
beeldende taferelen) worden voor de zoveelste keer allerlei bloedige
scene’s geschilderd.
Steeds pepert de oude leider, die weldra het stokje moet overgeven,
het zijn volk van Israël en ons in, hoe ongehoorzaam en verderfelijk
wij zullen zijn.
Ja, nou weten we het wel, ben ik geneigd uit te roepen.
Daarom lijkt het alsof de zon even een straal van haar licht laat
schijnen in een duister bewolkte hemel als we lezen in hfst 30
de regels over de Grote Terugkeer (Tesjoewa) (NBV):
1
Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb,
zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de
HEER, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar
lering uit getrokken hebt 2 en samen met uw kinderen naar de HEER,
uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, 3 dan zal
de HEER, uw God, in uw lot een keer brengen: hij zal zich over
u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al
die landen bijeenbrengen.
De
uitleggers hebben verschillende verklaringen voor deze passage.
Maar hij ademt wel de nabijheid van een Messiaanse tijd.De grote
ommekeer is dat niet wat we in ons hart steeds wensen: dat een
grote ommekeer in ons eigen leven zal plaatsvinden en iedere dag
doen we onze geringe pogingen om dat naderbij te brengen. Laten
we de kijker eens richten op het persoonlijk niveau van ons dagelijks
leven.
De tijd tussen Rosh Hasjana en Jom Kipoer is daar speciaal aan
gewijd: een samengebalde onderneming om Tesjoewa, een grote ommekeer
teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons
heen.
Een van de grote thema’s is vergeving. We vragen aan onze
familieleden, vrienden, collega’s en misschien wel vijanden
vergeving om wat we hun hebben aangedaan. En we smeken vergeving
af aan de Altijdzijnde. Maar het is mij opgevallen dat er weinig
gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór
ons aan anderen naar aanleiding van wat ons door die anderen is
aangedaan. Feitelijk is dit – het vergeven door mij aan
anderen – toch ook een vorm van navolging van de Eeuwige
(imitatio Dei). Mozes Cordovero heeft dit uitgewerkt in zijn ‘Palmboom
van Devora’, waarin hij oproept tot een uiterste vergevingsgezindheid
als navolging van de vergevingsgezindheid zoals die beschreven
is als attribuut van de Eeuwige in Exodus 34:6,7, regels die wij
deze dagen meerdere keren zingen.
Wat
ons is aangedaan door anderen:
Dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld,
verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen en
collega’s.
”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn
partner heeft me verraden”. Ga zo maar door.
Een half leven lang kan je met wrok blijven rondlopen. Of de behandeling
of daad aan jou gedaan inderdaad onterecht was of een projectie
van jou naar aanleiding van eerdere misstanden, heel vaak komen
door onze wrok, kwaadheid of door ons lijden terecht in een slachtofferpositie.
De pijn die eronder ligt schrikt ons af. Die zee van pijn, daar
willen we niet aan.
Toch is dat nodig.
De fasering is: je losmaken van je wrok of lijden of boosheid,
er op een afstand van gaan staan, dan schouwen in jezelf en de
pijn aangaan. Want dan is er ruimte geschapen voor de volgende
stap: voor vergeving van de ander. Dan ontstaat er nieuwe ruimte
waarin weer het licht kan binnenvallen.
Die ander hoeft het niet eens te weten, dat je hebt vergeven.
Vergeven doe je voor jezelf in de eerste plaats en de anderen
in je omgeving zullen er volop van mee profiteren, als jij je
hebt ontdaan van een zware last. Je wordt een lichter mens en
onbespreekbare zaken worden wellicht bespreekbaar.
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen om
in jezelf te duiken en te kijken welke stukken van wrok, slachtofferschap,
onverzoenlijkheid er in jou schuilen, die vernieuwing en verlichting
van geest en ziel tegenhouden.
Tesjoewa
is het thema van deze week waarin Rosj Hasjana valt en de Jamiem
Noraiem beginnen.
Rosj Hasjana is de eerste dag, de dag waarop de Akedat Jitschak
- de binding van Isaäk op het altaar - wordt gelezen.
Het verhaal begint met het strikte oordeel aan Avraham om zijn
zoon te offeren. De maan is een smalle sikkel, Rosj Chodesj. Alles
staat in het teken van de sefira Gewoera, gestrengheid, oordeel.
Maar als Jitschak op het hout ligt, gebiedt de engel Avraham te
stoppen. Het offer van zijn zoon hoeft niet. De maan gaat wassen.
De sefira van Chesed – barmhartigheid, liefde, vergevingsgezindheid
– krijgt de overhand.
Rob C.
Lesjana
tova tikatvoe
Ki tavo
De
parasha Ki Tavo beslaat Dewariem 26 – 29 :9.
De zesde alija (stuk dat de voor Toralezing opgeroepene leest)
is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagoges is
het gebruik dat degene die deze alija heeft bij de oproep niet
met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen,
als ware om “de goden niet te verzoeken”.
Want in dit stuk komt de lange reeks vervloekingen voor, die over
Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de
Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam
‘Tochacha' gekregen, berisping. Het is eigenlijk de tweede Tochacha,
een eerdere reeks staat al in Wajikra, in de parasha Bechoekotai.
Maar deze Tochacha in Dewariem is uitgebreider; ze zijn geteld
al die vervloekingen, 98 zijn het er; lees ze eens rustig door.
Ze zijn met grote vindingrijkheid en dramatische begaafdheid bij
elkaar gezet en met een fantasierijke welhaast aan perversie grenzende
beeldrijkdom geformuleerd, beschreven met een barokke literair
begaafde pen. Lees de beschrijving van de ouders die in de belegerde
stad het vlees van hun kind eten en de moeder, die de nageboorte
in het geheim opeet. De bedoeling was waarschijnlijk om de toehoorders
in die ongeduldige massa en de latere lezers van het moreel immer
belaagde volk te imponeren, af te schrikken en te brengen tot
navolging van de voor hun bestwil uitgevaardigde geboden.
Hoe vergeefs is deze afschrikking geweest.
In de formulering van vele van de vloeken ligt al welhaast de
profetie van hun verwerkelijking besloten. Lees de indrukwekkende
beschrijving van het volk Israël dat onder alle volkeren
verspreid zal worden en geen verademing zal krijgen, dag en nacht
door angst bevangen, omdat het leven niet zeker is. Ze zijn allemaal
uitgekomen. Gruwel je eerst van de beelden, even later besef je
dat ze allemaal gerealiseerd zijn geweest (en eigenlijk nog steeds
worden gerealiseerd op vele plekken van deze wereld).
Er is wel gezegd, dat die eerste Tochacha in Wajikra betrekking
had op de eerste verwoesting van de tempel en de ballingschap
die daarop volgde. Deze reeksvervloekingen besluit met de voorzegging
dat De Eeuwige zich weer het verbond zal herinneren en na 70 jaar
kwam er inderdaad een einde aan de ballingschap. De tweede Tochacha
zou dan slaan op de tweede verwoesting van de tempel en de daarop
volgende diaspora. De reeks vervloekingen eindigt niet met troostvolle
woorden en een happy end. Er is geen suggestie van tijdschema,
waarna alles weer goed komt.
Rav Soloveitchik wijst erop in navolging van Maimonides, dat alleen
teshoewa (ommekeer uit afdwalingen) tot verlossing uit de benarde
omstandigheden kan leiden. Dat deze algehele teshoewa ooit zal
plaatsvinden wordt voorzegd in de volgende parasha Nietsawiem
(Dewariem 30: 1-10)
Natuurlijk rijst ook naar aanleiding van deze Tochacha en de bewoordingen
waarin al deze vloeken zijn vervat de vraag: bewerkt De Eeuwige
dit nu allemaal, nu eens als een milde vader die het goede kind
zegent en dan – in de reeks vloeken – weer als de boze vader,
die zijn slechte zonen met afschuwelijke straffen kastijdt?
De tijd om alle filosofische en theologische artikelen en boeken
van velerlei gezindten over deze vraag naar Gods werkzaamheid
ontbreekt mij en ik veroorloof mij spontaan – met in mijn achterhoofd
het bescheiden bezinksel van de paar door mij gelezen regels hierover
- het volgende te zeggen.
In moderne religieuze en geestesstromingen is het beeld van de
gepersonifieerde God al lang verlaten. Het beeld van een belonende
en straffende God is als het ware gedeconstrueerd. Dit is nog
de nasleep van de ‘God is dood' geschriften van de zeventiger
jaren.
Wat God wél is is onvatbaar – misschien wel op metafysisch
niveau raakbaar - , maar één ding is duidelijk:
als hij werkzaam is, is hij dat dóór de mens heen.
De mens is het instrument, waardoorheen de Goddelijke werkzaamheid
gestalte wil krijgen en dan moeten we er meteen aan toevoegen:
de mens in relatie en in het bijzonder de mens samen met zijn
medemensen in gemeenschap. God kan zich openbaren als het diep
geweten verlangen om naar het goede voor zich, de naaste en de
gemeenschap te streven. Wat is het goede? Hierover gaat de Tora
.
Als wij trachten de grondwaarden uit de vele regels en voorschriften
en uit de overvloed aan epoch-gedateerde details te destilleren
dan gaat het over zorg en liefde voor de naaste, het delen van
voedsel en goed, wederzijdse hulp, niet achter afgoden (in de
ruimste zin) aanrennen, rechtvaardigheid naar de naaste en in
de gemeenschap, trouw en eerlijkheid, compassie met en goede daden
voor de minder bedeelden en behoeftigen, zorg voor de natuur en
de leefomgeving, e..d.
Het wonderlijke van de Tora is dat dit in deze vorm – zo lang
geleden al – zo totaal en samenhangend aan Israël is geopenbaard.
Het is eigenlijk een groot recept om als volk in welvaart, overvloed,
blijdschap samen te zijn en te werken met een helder besef van
de plaats in de kosmos en een gevoel van grote dank voor het leven.
Zo gezien is het niet God die buiten de mens om beloont en straft,
maar de mens zelf: hij heeft het aan zichzelf te wijten of te
danken. We kunnen dan een poging wagen de Tochacha te parafraseren
in een modernere logica: een samenleving, waarin het recht wordt
verlaten, waarin oneerlijkheid, leugen, corruptie, onbetrouwbaarheid,
bandeloosheid, disrespect, liefdeloosheid de overhand krijgt is
gedoemd af te glijden naar anarchie, armoede, geweld, in laatste
instantie (burger)oorlog of die samenleving wordt de prooi van
vergelijkbare of ergere verschrikkingen. De voorbeelden in onze
wereld passeren dagelijks de revue van de media of (hopelijk niet)
onze eigen ervaring.
Deze waarheid kreeg Israël al in het begin van haar verbondsbestaan
met de Eeuwige voorgeschoteld, onder andere in de specifieke vorm
van de Tochacha.
In die vorm valt op, dat de toegesprokene het individu is, jij.
Maar een jij binnen de volksgemeenschap. Dat wil zeggen dat ieder
zijn verantwoordelijk heeft gesteld gekregen om zijn bijdrage
te hebben aan het wel en wee van zijn samenleving.
Maar daarmee ook meedeelt in dat wel en wee. In die zin gaat het
reilen en zeilen van de samenleving boven hem uit. Wij zijn afhankelijk
van elkaars goede wil die bijdrage te leven en te leveren. Die
ene rechtvaardige in een gemeenschap waar de waarden van rechtvaardigheid
en compassie door een kritische massa van kwaadwillenden wordt
genegeerd zal worden meegesleept in het afgeroepen onheil ondanks
zijn rechtvaardigheid. Immers het verval en de ellende in de samenleving
treft veelal de gemeenschap met man en muis. Dit maakt de verantwoordelijkheid
van het individu om naar zijn beste kwaliteiten aan de gemeenschap
bij te dragen juist extra groot. De rechtvaardige tilt zijn gemeenschap
op, maar de verkeerd gerichten halen de gemeenschap naar beneden
en kunnen hem in een neerwaartse spiraal brengen. En omgekeerd.
Blijft nog de grote vraag rond de Shoa: als het geen straf van
God is, hebben de Joden dan dit aan zichzelf te danken?
Nee. Hier is iets anders aan de hand. Onze geneigdheid dit in
verklaringen te willen vatten moeten we laten rusten.
Een gepast zwijgen is hier op zijn plaats.
Alleen dit: de Shoah is een gebeuren geweest in Europa, temidden
van andere volken. Ook voor die volken gelden de universele basiswaarden,
die de Tora doordesemen. Een groot deel van die volkeren hebben
zelfs als Christenen de tien woorden (geboden) expliciet omarmd
en de leer van liefde en compassie van de Jood Jezus. Waarom zou
het principe van de Tochacha - dat bij veronachtzaming, ontkenning
van basiswaarden, zoals ze hierboven zijn aangeduid, bij verval
van maatschappelijke ordening, rampen en ellende het gevolg is
- niet gelden?
Wat ik hiermee wil zeggen is dat het gebeuren van de Shoah niet
een gebeuren is dat geïsoleerd als een lot van alleen het
Joodse volk moet worden gezien.
De schuld ligt niet bij de Joden, ze zijn niet schuldig ondanks
enkele extreme rabbijnse opvattingen die anders preken. Verder
laat ik de ontelbare grote vragen hieromtrent open.
RobC
29 sept.
Ki
tetsé
Dit
hoofdstuk, Dewariem/Deuteronomium 21:10 tot 26, is één
van die parasjot, die bij mij als kind van de moderniteit een
mengsel oproepen van weerstand en verwondering. Verwondering over
de verlichte passages. De loonarbeider die zijn loon dezelfde
dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste
voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in
een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen.
Weerstand
tegen de bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel,
de positie van de vrouwen. Afkeer van de wrede, disproportionele
sancties.
Natuurlijk,
het zijn maatregelen van voor die tijd ongekend progressieve strekking
om de anarchistische massa bedding te geven en om de relaties
te ordenen.
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen drieduizend jaar
geleden geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande
inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar
toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij
van zoveel eeuwen her.
Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid
en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft iedere generatie:
wat moeten we er in Gods naam toch mee? Hoe begrijpen wij het
intrinsieke eeuwige moment van de inspiratie, waarmee ook aan
ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij
het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie
van het menselijk psychisme van het moment ervan af schudden.
Ik wil dit eens proberen rond één van de meest confronterende
bepalingen, die in Dewariem 25: 11-12. Die luidt:
11. Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van
hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij
zijn schaamdelen, 12 . dan moet haar hand worden afgehakt; toon
geen medelijden.
Zo
op het eerste gezicht wil je dit niet eens gelezen hebben. Een
vechtpartij, waarbij de vrouw opkomt voor haar man en, misschien
in een emotie van verontwaardiging of wanhoop de vijand van haar
echtgenoot bij zijn geslacht grijpt. Dat moet ze bekopen met de
afhakking van de delinquente hand. We kunnen dit rustig terzijde
schuiven en dat doet Rasji dan ook voor het deel van de sanctie
in zoverre, dat hij – ondanks dat er staat ‘geen medelijden te
tonen' – de afhakking verstaat als een financiële sanctie,
een boete.
Maar
laten we eens dieper kijken en proberen te begrijpen, waarom deze
bepaling is geschreven, vanuit een verstaan van hoe in de Tora
aangekeken wordt tegen seksualiteit in het algemeen en de schaamdelen
van man en vrouw in het bijzonder.
Voorlopig
wil ik dat doen vanuit een min of meer cultureel-antropologisch
perspectief, gebruikmakend van de verhandeling hierover in het
boek “Eros and the Jews” van David Biale.
Het valt dan op dat de Tora seksualiteit (een begrip dat pas in
de 19 e eeuw C.E. ingang heeft gevonden)- op te vatten als bron
van menselijke actie en begeerte, als erotiek - amper kent.
Daarentegen
valt het accent zwaar op de procreatie en het weten omtrent de
voortbrenging van nageslacht. Het begint al in het begin, in Bereshiet:
De Eeuwige schept de mens naar zijn beeld en in het volgende vers
al luidt het: weest vruchtbaar, vermeerdert je.
Een enigszins erotische bijbetekenis zou men kunnen zien in het
lovende vers dat Adam toezingt aan zijn pasgeschapen vrouw in
Bereshiet 2: 23. Veelzeggend is de mededeling daarop, dat zij
naakt (‘aroemiem') waren, maar zich niet voor elkaar schaamden.
Maar
die onschuld omtrent de naaktheid zal niet blijven. In het daaropvolgend
gebeuren geschiedt er iets ingrijpends: door het eten van de boom
van kennis van goed en kwaad worden man en vrouw zich bewust van
de naaktheid, die zij vervolgens bedekken. Kennelijk heeft goed
en kwaad te maken met bewustheid van naaktheid.
Zonder nu uitgebreid in te gaan op alle aspecten van bewustheid
van goed en kwaad waag ik te poneren, dat het mede gaat om het
weten omtrent de voortbrenging, anders gezegd, dat zij ontdekten “waar de kinderen vandaan kwamen” en dat hun naaktheid prominent
toonde, welke delen van hun lichaam betrokken waren bij die voortbrenging.
Hun naaktheid was niet langer meer een esthetisch of sensueel
gegeven, maar beladen met diep ingrijpende consequenties, met
de immense mogelijkheid, maar ook verantwoording nieuw leven te
kunnen scheppen.
Het roept bij mij het vermoeden op, dat in deze oerscene misschien
wel een herinnering van de mensheid resoneert; ooit zal in de
oertijd een groepje mensen tot de verbijsterende ontdekking zijn
gekomen dat hun geslachtsdaad kinderen tot gevolg had (tot voor
heel kort wisten de bewoners van de Trobriand eilanden bij Nieuw
Guinea dit nog niet). Ook ieder kind maakt deze oerscene een keertje
op microniveau door.
Het
is niet zomaar een weten, dat Adam en Eva overkomt, het is een
heilig weten, een diep lotsbepalend inzicht, dat in het proces
van de schepping besloten liggend eens moest opduiken. In Bereshiet
3: 22 staat een monoloog van De Eeuwige:
“Zie, de mens is geworden tot één van Ons doordat
hij weet van goed en kwaad”.
Ook in dit opzicht is de mens naar Gods beeld geschapen.Tegelijk
betekent deze heilige wetenschap dat man en vrouw het paradijs
van de onschuld zullen moeten verlaten.
Dit weten omtrent procreatie en vruchtbaarheid is bij vrijwel
alle volken een intens onderwerp geworden van taboe, rituelen,
religieuze ceremonies, magische handelingen en overtuigingen.
Het kenmerkende van de voorschriften van de Tora – in die zin
is het een verlicht document – is dat alle vormen van ritualisering,
van pogingen om seksualiteit, erotiek, vruchtbaarheid te trekken
in de sfeer van godsdienstige praktijken en religieuze verering
strikt worden verboden; in zekere zin zou je kunnen zeggen dat
seksualiteit en erotiek worden ‘geseculariseerd'. Een van de redenen
waarom vermenging met de religieuze praktijken van de volken van
Kenaän zo wordt verketterd.
De
erotiek met al zijn sensualiteit en verleiding tot ritualisering
wordt in de niet-religieuze wereld getrokken, maar niet de procreatieve
daad zelf; die wordt het onderwerp van vele voorschriften (en
ook verhalen, te beginnen met Sara's onvruchtbaarheid)
Zoals gezegd heeft hiermee te maken de primordiale schaamte omtrent
de naaktheid, die Adam en Eva al hebben ervaren. We vinden hem
ook terug in de scène van de dronken Noach, die brutaal
in zijn naaktheid wordt gezien door zijn zoon Cham. Die naaktheid
is natuurlijk schaamtevol, omdat Cham zicht had op het geslacht
van zijn vader, waaruit hij zich voortgekomen wist.
De
schaamte moet berusten op de diepe en heilige verwondering omtrent
de procreatieve macht van de seksuele organen, die zich uitstrekt
tot hun vloeibare afscheidingen, die van de man, zijn zaad, en
die van de vrouw, de menstruele afscheiding. Vandaar, dat die
organen en hun vloeistoffen omgeven zijn geraakt met een reeks
van taboeïserende voorschriften, die tot taak hebben hun
scheppende kracht zuiver te houden en te respecteren. Tegelijk
wordt daarmee de procreatie, de voortbrenging van nageslacht gagarandeerd.
Alles wat afwijkt van de gerichte aanwending van die scheppende
eros tot procreatie van legitiem nageslacht, zoals masturbatie,
homoseksualiteit, incest e.d. staat gelijk aan belediging van
de oerfunctie van de seksuele organen en is in laatste instantie
in die zienswijze op te vatten als het in gevaar brengen van de
overlevingskracht van het volk. Een overtuiging die nog steeds
doorklinkt in b.v. de opvattingen in vele vormen van orthodox
jodendom, de islam en de katholieke kerk. Dat de sancties in de
Tora niet mis te verstaan zijn wijst op de intense irrationele
fundering van deze overtuigingen.
Nu wordt wel duidelijk waarom de bepaling omtrent de vrouw, die
het geslacht van de vijand van haar man aanraakt, er staat. Het
gaat niet om zomaar een brutaliteit, een schandalige daad.
De daad van de vrouw - gezien tegen deze achtergrond - raakt de
betrokken man in zijn elementaire waardigheid als voortbrenger
van nageslacht, of sterker nog waarschijnlijk, ontneemt hem zijn
kracht en vruchtbaarheid; of zijn mannelijke macht wordt op zijn
minst onzuiver gemaakt en aangetast.
Deze en dergelijke bepalingen, die omhuld zijn met de striktheid
van het taboe, zijn uiteindelijk ontsproten aan het heilig ontzag
voor het raadsel van de voortbrenging. Het raadsel dat gedeeltelijk
geweten is geworden, maar voor een ander deel gehuld blijft in
het mysterie, het mysterie dat het Scheppend principe gekozen
heeft voor procreatie, voortzetting van het leven, op de manier,
waarop het gebeurt: door geboorte en dood, met daartussen in de
vereniging van een man en een vrouw in de lustvolle geslachtsdaad.
Dit heilig ontzag vertaalt zich op het niveau van de beleving
onder meer in: de schaamte.
Nu
heeft de wetenschap veel van het proces van procreatie onthuld;
het hoe – en binnen dit hoe het waarom – is en wordt steeds preciezer
beschreven. Veel volksgeloof omtrent over de condities van vruchtbaarheid,
die deels aan de taboesfeer zijn ontsproten zijn of kunnen worden
afgeschaft. De wrede en soms kapitale sancties die de Tora geeft
hebben geen plaats meer. Maar aan het fundamentele raadsel van
de voortbrenging doen ook de moderne wetenschappelijke inzichten
en verlichte ideeën naar mijn idee niks af. Voor de schaamte
rond de naaktheid is nog alle reden.
Natuurlijk heeft de schaamte in de loop der eeuwen zijn rigide
vormen gekregen, is geïnstitutionaliseerd tot een rigide
bastion, in Nederland bijvoorbeeld in een kleinburgerlijk calvimisme
of katholieke preutsheid. Ook het Jodendom heeft daaraan deelgehad.
In de zestiger jaren is dat bastion door mijn generatie behoorlijk
gesloopt, tot op zekere hoogte een verfrissende reactie. Ook ik
heb daar in volle overtuiging aan meegedaan (al was ik niet eens
zo succesvol in de uitvoering van het programma van de bandeloosheid).
De schaamte is in de zeventiger jaren verder helemaal overboord
gezet.
Nu moet ik constateren, dat onze maatschappij daarin veel te ver
is doorgeschoten. Het ouderwetse woord bandeloosheid – dat als
je het hoort het moderne hoofd grinnikend doet afwenden – dekt
toch wel heel goed de lading, als je het woord ontleedt: zonder
banden, zonder binding.
De schaamte is lastig, als je het hebt moet de therapeut het maar
helpen afslijpen. De schaamte is versleten, verouderd, overbodig.
Overal schreeuwt de naaktheid je toe. De naaktheid is een consumptieartikel
geworden. Reclame in de media, series op de buis hebben de naaktheid
tot middel gemaakt. Het meest grof is de ongevraagde porno, waarmee
je af en toe wordt geconfronteerd, met name op de buis. De naaktheid
(en met name dus de schaamdelen, die daarin impliciet verwezen
of expliciet geprononceerd worden) is schaamteloos geworden. Dit
is slecht, bijna in de zin van het Tora-woord voor slecht: rasha.
Het
is tijd om de schaamte weer in te voeren.
Niet door terug te gaan naar de bekrompen wereld van de kleinburgerlijke
preutsheid van vroeger, naar de kwezels die met hel en verdoemenis
zwaaien.
Niet terug naar vroeger, maar naar een herbezinning op en omarming
van de authentieke schaamte, die een menselijke behoefte is, die
nu verdrongen en met de voeten getreden wordt.
NB:
Ik las laatst tot mijn verrassing een column van Arnon Grunberg,
die op geestige wijze hier ook voor pleitte.
RC
18 sept. '05
Shoftiem
In deze parasha
worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de
maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van
Israël.
Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak,
bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen.
Heftig veroordeeld worden dwaalwegen: wichelarij, waarzeggerij,
tovenarij. Wie kan je wel vertrouwen? Een profeet. Wie is een
profeet: hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt.
Er staan regels van oorlogvoering, een combinatie van mildheid
(op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met
vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse
hardheid: de wrede sancties, waar wij officieel niet meer achter
staan (al komen ze nog iedere dag voor).
De parasha start met voorschriften rond recht en rechtvaardigheid,
Dewariem 18-20:
Rechtvaardigheid is de hoeksteen van alle verdere regelingen van
de samenleving.
Stel rechters aan die rechtspreken volgens miesjpat-tsedek. Buig
het recht niet om, wees niet partijdig, laat je niet omkopen.
In ons solide Nederland lijkt het zo goed voor elkaar, maar zie
eens de terechte verontrusting en verontwaardiging als het vermoeden
is gewekt dat het Openbaar Ministerie bewijs niet volledig zou
hebben verstrekt aan de rechters, met name aanwijzingen op grond
van DNA sporen, in de zaak van de Schiedammer parkmoord.
De maatschappij staat of valt met een stabiel rechtssysteem en
een integere rechtspraak; niet voor niets luidt Dewariem 20: rechtvaardigheid,
rechtvaardigheid moet je nastreven, opdat je zal leven en het
land zal bezitten.
We gaan dieper in op deze uitspraak .
Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, tsedek,
tsedek tirdof.
Waarom staat er tweemaal tsedek?
De Dasberg vertaling luidt: 'Alleen maar rechtvaardigheid moet
je nastreven.' Dit doet de herhaling geen recht en is ook niet
helemaal juist, lijkt mij.
Rasji beschouwt deze zin als geschreven voor de procesvoerders
en leest erin: zoek het best denkbare college op, het beste 'beit
din'.
Op zich spreekt dat wel aan: voor jouw zaak wil je de beste advocaten
en de beste rechters, voor jouw operatie het beste ziekenhuis.
Maar met alle respect voor de heldere en nuchtere Middeleeuwse
meester: er zit in dit tsedek tsedek tirdof toch méér.
Dit citaat,
uit de Talmoed, Sanhedrin 32b vond ik en werpt een origineel licht:
(vertaald uit het engels)
”Er is geleerd: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zal je
nastreven.
De eerste rechtvaardigheid duidt op een beslissing gebaseerd op
het strikte recht.
De tweede rechtvaardigheid duidt op een compromis. Hoe dat zo?
Als twee boten elkaar op de rivier tegenkomen en ze allebei tegelijk
willen passeren zullen allebei zinken.
Als er een ruimte maakt voor de ander kunnen ze beiden verder.
Evenzo als twee kamelen elkaar ontmoeten bij het beklimmen van
de helling naar Beth Horon.
Als ze beiden tegelijk willen klimmen, zullen ze vallen. Maar
als de een na de ander klimt, kunnen ze beiden veilig naar boven.
Hoe moet dat dan? Als de één is beladen en de ander
onbeladen, moet de laatste de een voor laten gaan. Als de één
dichter bij huis is dan de ander, moet de eerste de laatste voor
laten gaan. Als ze allebei even ver van huis zijn, maak dan een
compromis, waarbij degene die voorgaat de ander compenseert.”
Wat deze passage
onder meer goed illustreert is dat rechtvaardigheid een essentiële
waarde is, die zijn oorsprong vindt in de menselijke ontmoeting.
Rechtvaardigheid ontstaat in relatie en maakt haar ook mogelijk.
De kapiteins op de twee boten en de twee kamelendrijvers kunnen
of alleen vóór zich zelf gaan of oog hebben voor
elkaars belang. Ze moeten elkaar letterlijk in de ogen hebben
gezien en hebben gesproken en misschien hebben ze een gebaar gemaakt,
signalen gewisself; ze hebben iets afgesproken.
Allang geleden is ons samenleven geformaliseerd in een sociaal
contract en een rechtssysteem, maar daar houdt het natuurlijk
niet op; ook daarbuiten ons is ons samenleven doortokken van de
opdracht rechtvaardigheid na te streven.
Zonder rechtvaardigheid
kan het samenleven met elkaar niet bestaan, veilig zijn en niet
tot bloei komen. Rechtvaardigheid heft ons op uit het geweld,
de anarchie, de willekeur, de chaos, in zekere zin de hel zou
je kunnen zeggen.
Misschien kunnen we meegaan met Levinas en ik waag mijn poging
tot begrip van deze moeilijke maar essentiële en intense
Joodse filosoof onder deze woorden te vatten:
Rechtvaardigheid gaat vooraf aan alle filosofie en wetenschap;
het is niet het product van rationeel overleg of de conclusie
van een gedegen sociale analyse. Het gaat daar aan vooraf. Als
ik afzie van mijn vruchteloze pogingen de wereld en de ander te
domineren, te manipuleren en te controleren dan komt de rechtvaardigheid
mij tegemoet uit het gelaat van mijn naaste als een onontkoombaar
appel, zeg maar een gebod.
Daar - op dat tussenmenselijke veld - begint het uiteindelijk
allemaal.
Zoiets bespeur
ik ook in de woorden Tsedek, Tsedek, die herhaling maakt deze
uitspraak ook tot een dringend appel, zo moeten we het denk ik
ook opvatten. Streef rechtvaardigheid na bóven alles. Als
een van de weinige geboden vermeldt de uitspraak in Dewariem meteen
een positieve consequentie, zeg maar voor het moment even: een
beloning: zodat je zal leven en het land zal bezitten.
Als we het appel van de rechtvaardigheid niet horen, zal het uiteindelijk
uitlopen op ontworteling, vervreemding, ontheemding, geweld, oorlog.
En dat misschien van het meest innerlijke, persoonlijke niveau
tot het maatschappelijke, zelfs internationale en mondiale niveau.
Het geldt voor onze relaties, onze familie, voor Nederland, voor
Israël, voor de wereld.
Ik kwam dit
vers van Jesaja (32, 17-18) tegen, dat een gelijke strekking heeft
alleen met een meer profetische, zeg maar utopische aankleding:
“Het gevolg
van rechtvaardigheid zal vrede zijn en de uitwerking van rechtvaardigheid
zal rust zijn en vrede voor altijd. En mijn volk zal wonen in
oorden van vrede en in veilige woningen en op onbekommerde rustplaatsen.”
Moge dat zo zijn en worden
Rob Cassuto
8 Augustus '05
re'é op Youtube en hieronder op schrift
Re'e (helaas tussen beeld en geluid door opnametechnische onvolmaaktheid kleine afstand)
In deze parsje
houdt de Mosjé het vergaderde volk de keuze voor:
Enerzijds de zegen, als het volk de geboden volgt en met name
geen afgoden dient. Dan volgen in dit hoofdstuk vele voorschriften,
die de afgodendienst betreffen en de sancties daarop, maar ook
de kasjroetvoorschriften worden weer genoemd, evenals de regels
omtrent het sjmita-jaar en ook de drie perlgrimsfeesten passeren
de revue en nog vele andere voorschriften, in deze en de andere
parashot.
Anderzijds is er de vloek als het volk afdwaalt van de geboden.
Uitgebreid zijn de meest wrede schilderingen – van ziekten,
onderdrukking, marteling, natuurrampen, verbanning - te lezen
in de parasja Ki Tavo.
De zegen wordt gelijkgesteld met leven en de vloek met dood (Deut.
30:19).
Om mijn commentaar vorm te geven over deze passages moet ik met
mijzelf – en jullie als je wil – een aantal denkstappen
ondernemen.
Stap een gaat
over hoe de schepper in woorden te benaderen, in woorden die mij
voor even kunnen helpen. Want woorden schieten per definitie te
kort. De Schepper is de grootst (on)denkbare dimensie die het
geschapene heeft opgeroepen en omvattend en scheppend doordraagt
in een proces van welks doel wij geen notie hebben. Zodra een
nanoseconde de Schepper dit dragen niet doet is er geen geschapene.
In deze hoedanigheid is de schepper voor ons mensen het volstrekt
andere, hij is transcendent. Een persoonlijk voornaamwoord (hij,
zij, het) doet al af aan zijn onmetelijke en onpersoonlijke oneindigheid.
Hij is voor ons onzichtbaar achter de gemanifesteerde wereld verborgen.
Wij mensen
vragen echter een “gezicht”, we zoeken een doorgang
naar de transcendentie en roepen de vorm te hulp. We zoeken het
gezicht van de Schepper.
We trachten aan het transcendente te raken en ons voorrecht als
mensen is dat we dat af en toe kunnen. Omdat de Schepper in het
proces van scheppen is verwikkeld en betrokken (zich erin ‘geïnvesteerd” heeft) zijn er tekenen van zijn doorstraling te vinden.
Wij mensen zijn zo geschapen dat die tekenen kunnen ontwaren.
We kunnen in de schepping die kant zien die schepper naar ons
toegewend heeft, zijn “ gezicht”, dat echter alleen
gelezen kan worden – uiteraard – met menselijke middelen.
Dit gezicht is voor het Joodse volk een Joods gezicht.
Aan andere volken en andere groepen heeft hij een ander gezicht
getoond, dat andere trekken vertoonde. Ook hier zijn goede en
wijze zaken uit voortgevloeid evenals duistere.
Maar zoals alle gezichten toch gezichten zijn, omdat ze de constituerende
kenmerken vertonen, die tot gezicht maken, kunnen we misschien
nu en in de toekomst steeds meer het universele in die gezichten
zien.
Als mensen trachten wij het gezicht van de Schepper te lezen met
menselijke middelen, dat kan uiteraard niet anders.
Dit lezen heeft vele vormen en één van die vormen
is het luisteren naar de openbarende stem die daalt in het innerlijk.
Een ander middel is het geschonken zicht op wat achter de dingen
schuilt. Omdat het lezen gebeurt met de beperkte en eindige middelen
(het oor en het oog in de meest uitgebreide ook metaforische zin)
is de perceptie van de Schepper en Zijn wil per definitie onvolmaakt.
Vele grillige vervormingen doen zich voor, beïnvloed door
de beperkingen van ons bevattingsvermogen, de materialiteit van
ons waarnemingsvermogen, de gelocaliseerdheid op plaats en in
cultuur en tijd, de begeerten van het ego , de psychologische
geschiedenis in groep en gezin en vele andere factoren.
Wel lijkt er een soort evolutie ingebouwd in de schepselen inzake
de gradatie van helderheid van die perceptie.
Met name vijfendertighonderd,
drieduizend jaar geleden werden trekken van de Schepper helderder
gezien door Joden, te beginnen met Abraham. Gezien werd dat er één scheppend principe is en dat die Schepper één
is en niet gelocaliseerd kan worden in stoffelijke objecten(afgoden,
magie); daarnaast werd verstaan, dat met de Schepper intrinsiek
verbonden is een opgave om met elkaar om te gaan op een zorgvolle,
rechtvaardige en liefdevolle manier en niet vanuit louter egoïstische
of instinctieve impulsen. De kern werd vastgelegd in de meerduidige
tekens van het woord, in taal en idioom van die tijd.
Deze wonderbaarlijke
en revolutionaire onthullingen werden begrepen in de specifiek
Joodse vormen en ingebed in de cultuur van die tijd, waarvan de
typische taal, de vele rituele voorschriften (b.v. de dierenoffers),
de sociaal-culturelevoorschriften (b.v. rond man-vrouw verhoudingen)
getuigen. De essentie staat majestueus overeind in
de Tien Uitspraken en vele andere uitspraken (b.v, in Leviticus
19), die de historische en sociaalculturele context hebben ontstegen;
het is de grote gift van het Jodendom aan de mensheid, doorklinkend
in het beste deel van het Christendom en in de Universele Verklaring
van de Rechten van de Mens.
Het is die
essentie van zorg, rechtvaardigheid en liefdevolheid voor de medemensen,
die, als hij in de samenleving regel is en geen uitzondering,
welzijn en voorspoed garandeert; als dit geen regel is dan is
de kiem gelegd voor anarchie, geweld, vernietiging en oorlog.
Dat is denk ik de essentie van de keuze die in deze parasja wordt
voorgelegd. De rampen brengt de Eeuwige niet eigenhandig over
de mensen, daar zorgen ze zelf voor.
De geschiedenis van het Joodse volk laat een dramatische worsteling
zien met de grote inzichten die het ten deel is gevallen en de
keuze die hen steeds wordt voorgehouden.
Maar geldt de grote keuze in zijn kernachtige inhoud niet voor
alle mensen, Joden of niet-Joden? Israël is in die zin een
paradigma voor de mensheid als geheel.
De specifieke vormen van de voorschriften, wier precieze nakoming
ook in vorm en detail wordt gevorderd, zijn alleen van belang
als ze de realisatie van de essentiele inhoud dienen; iedere generatie
heeft het recht die sociaal-culturele vormen en versieringen te
toetsen, te waarderen en eventueel te veranderen of weg te laten.
Traditie en geaccepteerd leiderschap zijn daarbij onmisbaar.
De panische angst om de vorm-details precies op te vatten en uit
te voeren kan het zicht op de essentie verduisteren en de rampzalige
verdeeldheid onder mensen, die het heil zoeken, alleen maar bevorderen.
Rob C. aug. 2006 Ekev (Dewariem | Deuteronomium 7:12 – 11:26 )
herverteld
In deze parasha hervertelt Mosjé een aantal van de wonderlijke
gebeurtenissen uit de omzwervingen in de Sinaj om het volk ontzag
en gehoorzaamheid in te prenten. Hij brengt het manna in herinnering.
Zelfs zegt de oude leider: veertig jaar lang raakten jullie kleren
niet versleten en zwollen jullie voeten niet op (Deut. 8:4).
Waarover de beroemde middeleeuwse commentator Rasji met een verrassende
poëzie zegt:
´de wolken van Goddelijke glorie wreven het roet van hun
goed en streken ze als gestreken klederen; en tegelijk dat hun
kinderen groeiden, groeiden hun kleren met hen mee, zoals de bedekking
van de slak (zijn huis) met hem meegroeit´ (in de Eng. vertaling
op www.tachash.org).
In geuren en kleuren beschrijft Mosjé het wonderbaarlijke
gebeuren op de Sinaj; de eerste twee tafelen, de afval bij het
gouden kalf, de door Mosjé bewerkte vergiffenis door de
Eeuwige.
historiciteit
Even een paar woorden over de historiciteit van het hele gebeuren,
de uittocht uit Egypte, de wondere wetgeving op de berg, de latere
veertigjarige omzwerving. Velen - onlangs op TV nog schrijver
Leon de Winter – refereren eraan, dat archeologisch praktisch
geen bewijs bestaat van al deze dingen en dat het verblijf in
Egypte en uittocht en omzwerving zeer waarschijnlijk nooit hebben
plaatsgevonden. Is dat een argument om de Tora terzijde kunnen
te schuiven?
De Tora kunnen we benaderen op verschillend niveau. Als geschiedschrift,
historisch verslag. Of als letterlijke Goddelijke openbaring.
Of als een zeer bijzonder fenomeen dat zich aan categorisering
onttrekt.
Het is een neerslag van zeer bijzondere gebeurtenissen en wonderlijke
openbaringen die in de mist van de tijden hebben plaatsgevonden
en die in eeuwen zijn samengeboetseerd tot wat het nu is. Martin
Buber zegt in deze trant in zijn boek over Mosjé,
dat de het bijbelverhaal
is op te vatten als een soort sage, niet echter als een verheerlijking
achteraf maar als de neerslag van een organische herinnering.
Belangrijk is om in te zien, dat de kern van de sage wordt gevormd
door het enthousiasme van een overweldigende aan het volk overkomen
gebeurtenis en dit enthousiasme, dat aanleiding gaf tor de herinneringen
die de sage vormden, is wel degelijk een deel van de geschiedenis:
de ervaring van gebeurtenissen als wonder is geschiedenis in het
groot en vanuit geschiedenis te begrijpen en in historische samenhang
in te passen. Zo zijn de gebeurtenissen rond de Sinai niet de
historisering van de mythe maar veelmeer een mythisering van de
historie.
brokstukken
Na die eerste zondeval van het gouden kalf gaat Mosjé weer
de berg op, op 18 Tammoez, rekent Rasji uit. Veertig dagen van
smeekbeden volgen. Dan 29 Av krijgt Mosjé de opdracht twee
nieuwe stenen tafelen uit te hakken en weer veertig dagen volgen
op de berg en op 10 Tisjri volgt de algehele vergiffenis van zonde
van het volk, mede waarom dan op die datum Jom Kipoer valt.
De meeste betreffende passages, met name die in Dewariem, vermelden
De Eeuwige als de beschrijver van de tafelen. Maar in Sjemot 34:28
staat: hij, d.w.z. Mosjé schreef. Als we het dan over historiciteit
hebben, dan lijkt dat het waarschijnlijkste: een geïnspireerde
profeet met een geleide hand.
De tweede editie van de tafelen wordt gelegd in de ark van Mosjé;
de definitieve ark zal – als we de gegevens logisch bij
elkaar voegen – later worden vervaardigd door Betsalel.
Wat gebeurde er met de brokken van de stukgegooide tafelen?
Volgens de midrasj (verhalen en uitleggingen rond de Tora) werden
die ook bewaard.
Ze zouden, toen de defintieve ark klaar was, in die eerste ark
van Mosjé worden bewaard. Maar volgens anderen werden ze
samen met de hele tafelen in de ark van de tabernakel gelegd en
de ark van Mosjé werd buiten gebruik gesteld.
volmaaktheid
Misschien mogen we zeggen in termen van de sage: De Eeuwige schreef
de eerste versie van de twee stenen tafelen. Deze versie was te
hoog, te hemels voor de mensen. Nog lager in de stof moesten de
voorschriften dalen om begrepen en uitgevoerd te worden. Verloren
is de eerste volmaakte versie. De volmaaktheid moest gebroken
worden om in deze wereld te kunnen bestaan. Mosjé beitelde
de tweede versie uit zijn goddelijk geïnspireerde herinnering
op de stenen tafels. Daarmee konden de mensen vooruit.
En het was nog moeilijk genoeg.
” Straks brengt de HEER, uw God, u naar een goed land, een
land van beken, bronnen en waterstromen, die ontspringen in de
valleien en op de bergen, een land van tarwe en gerst, van wijnstokken,
vijgenbomen en granaatappelbomen, een land van olijven en honing,
een land waar u niet slechts schamel brood zult eten, maar waar
het u aan niets zal ontbreken, een land waar u ijzer vindt in
het gesteente en waar u koper delft uit de bergen. Wanneer u daar
in overvloed leeft, dank de HEER, uw God, dan voor het goede land
dat hij u gegeven heeft.”
zegt Dewariem 8: 7—11. Maar dit zo wonderlijk goede, vruchtbare
en rijke land zou nog een gebied vol voetangels en valkuilen blijken.
De
gebroken tafelen De gebroken tafelen werden ook in de ark meegevoerd.
Voorzover ze symbool waren van alles dat stuk was,
van alles dat was verloren,
waren ze de wet van de gebroken dingen,
van het blad in een storm van de steel gescheurd,
een wang ooit aangeraakt in liefde
voor wiens naam nu is vergeten.
Hoe moeten ze op weg hebben gerammeld en gekletterd,
al werden ze nog zo omzichtig door de woestijn gevoerd,
hoe moeten ze hebben gerammeld tot de stukken
in stukken braken, tot de randen zacht weren
en verkruimelden, stof zich verzamelde op de bodem van de ark,
schimmen van oude letters, oude wetten. Voorzover
een gebroken wet nog wordt herinnerd
werden deze wetten gehoorzaamd. En voorzover herinnering
het patroon van gebroken dingen bewaart
werden deze stukjes steen bewaard
door vele reizen en dagen van verwoesting heen
tot zelfs, zeggen ze, in het beloofde land
(gedicht
van Rodger Kamenetz, schrijver van o.a. The Jew in the
Lotus)
wa’etchanan*
het
boek Dewariem
Wa-etchanan is de tweede parasha van het boek Dewariem, het vijfde
boek van de Tora.
Qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften
uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische,
een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk
het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden
vergaderd.
Een
aantal hoofdbestanddelen kunnen worden onderscheiden:
+ Mozes recapituleert de laatste twee jaar van de omzwervingen,
m.n. de oorlogen tegen Sichon en Og, Dewariem 1 – 4
+ de eigenlijke wetgeving, die begint met intensieve vermaningen
tegen afgodendienst. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn
( 4 – 1 ,4 – 44, 5 – 1 ), wellicht terug te
brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen
telkens wat is uitgebreid. Vele herinneringen aan de verlossing
uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen
af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie
van enkele nieuwe. Dit gaat door tot 27.
+ capita selecta, waaronder de zegen en de vloek bij opvolging
resp. verwaarlozing van de voorschriften, en het wijzen op de
keuze die het volk steeds heeft. Dit besluit de toespraak van
Mozes.
+ afsluiting met het afscheid van Mozes dat in verschillende toonaarden
wordt beschreven, waaronder het ‘lied van Mozes', zijn zegenen
van de stammen en zijn uiteindelijk dood op de berg Newo.
Een
heel geloofwaardige hypothese stelt dat het boek Dewariem in zijn
huidige vorm stamt uit de tijd van koning Josia. In Koningen 2:
22 wordt verhaald van het hervinden van een wetboek tijdens de
restauratie van de tempel. De koning was geschokt toen hij het
boek deed voorlezen en merkte hoe het volk van de voorschriften
was afgedwaald. Maar misschien was hij eerst geschokt, heeft het
vinden van de boek geënsceneerd en het is niet uitgesloten
dat de koning eigenlijk het boek heeft doen samenstellen uit oudere
overgeleverde fragmenten.
De maatregelen die Josia nam tegen de afgodendienst, de zuivering
van de eredienst en de centralisatie van die dienst in Jeruzalem
komen sterk overeen met de voorschriften daarover in Dewariem.
Rav
lach – genoeg voor jou
Ook de parasha Wa-etchanan balt met dramatische woorden samen
een aantal essenties van Israëls opdracht, zoals Mosjé die met nadruk en bij herhaling aan het volk voorhoudt. Centraal
staat daarbij de steeds ingewreven waarschuwing tegen afgodendienst.
Maar
de parasha begint met een heel menselijk gebeuren: Mosjé wil zo graag de Jordaan oversteken en het beloofde land betreden.
Hij smeekt de Eeuwige. Maar hij mag niet. Aan zijn gebed wordt
geen gehoor gegeven.
Zelfs de gebeden van een bijna volmaakt en heilig man als Moshé met zoveel ontelbare verdiensten worden niet verhoord. Hoe kan
dat. Het heeft de Oude Wijzen veel hoofdbrekens gekost om verklaringen
te vinden. ”Rav lach – Genoeg voor jou - , spreek mij er
niet meer over” was het antwoord aan Moshé.
In
de Talmoed in het tractaat Berachot wordt er wel op gewezen, dat
Moshé weliswaar geen toestemming krijgt de Jordaan over
te steken, maar hem wordt wel geopperd de berg Pisgah te betreden,
zodat hij het land kan zíen. Zonder de smeekbeden had hij
dat waarschijnlijk niet gedaan.
Maar
toch. Waarom geen complete verhoring van de smeekbeden., waarvan
er volgens de Midrasj wel 515 waren.
Volgens een plaats in de Talmoed (Rosh Hashana) is er een moment
dat het oordeel over iemand onherroepelijk wordt. Berouw is dan
niet meer effectief zeggen de Wijzen..
Tenminste voegt een ander commentaar toe: in déze wereld.
Maar in de komende wereld kan het wel helpen, dat gebed en het
berouw, om je toestand te verbeteren en te helen.
Dit bedoelt ook het commentaar van Rasji, als hij zegt over dat “Rav lach – Genoeg voor jou”, het betekent misschien
ook: “Genoeg is er voor jou in de komende wereld, een heleboel
goeds wacht daar voor jou”.
Volgens
het commentaar van R. Ari Kahn is de functie van het gebed niet
de Eeuwige ‘om te praten’ zodat hij zijn raadslagen
verandert. Want God is onveranderlijk, Hij is altijd dezelfde.
Het gebed wil de verloren verbondenheid met de Eeuwige herstellen,
zodat de toestand van verwijderdheid, die onderwerp van het gebed
is, b.v. ziekte, kan veranderen, c.q. herstellen.
In het geval van Mosjé was er geen sprake van een of andere
gebrek of verkeerdheid.
Daarom ziet hij in het “Rav lach” de betekenis: laat
de Shechina, de presentie van de Eeuwige, genoeg voor je zijn.
In
de Zohar (in de versie op Kabbalah.com) staat bij deze passage: ’”En de Eeuwige zei mij, laat het voor jou genoeg
zijn”(Dew. 3:26).
Rabbi Chiya zei, De Heilige, gezegend zij Hij, sprak tot Moshé,
“Laat het voor jou voldoende zijn” d.w.z. je verenigd
te hebben met de Shechina. Van nu af aan: “spreek niet meer”.
Rabbi Yitschak zei, “laat het voor jou voldoende zijn”,
d.w.z. het licht van de zon; de maan kan niet schijnen totdat
de zon is ingezameld. “Maar geef Josjoea orders, bemoedig
hem en sterk hem” (Dew. 3:28). Jij die de zon bent zou de
maan moeten verlichten. Zo leerden wij.’
Dat
is een mooi beeld: de zon gaat onder, zijn tijd is gekomen, maar
als de zon onder is, wil hij via de maan nog licht geven. Na zijn
dood wil Mosjé, dat zijn licht temidden van het volk blijft
schijnen.
Dringend is die zorg, want heen en weer geslingerd lijkt zijn
gemoed. Hij is er niet zeker van dat het goed blijft gaan zonder
zijn leiding. Het kan alleen als het volk zich steeds zijn wonderbaarlijke
redding uit Egypte blijft herinneren en de openbaring van de Eeuwige
bij de Sinaj en al de voorschriften en geboden die vanaf toen
zijn gegegeven.
Het brengt de oude leider ertoe nog eens het indrukwekkend gebeuren
bij de Chorew in herinnering te brengen, de berg met het laaiend
vuur, duisternis, nevel en de stem zonder gestalte.
Hij herhaalt de tien uitspraken woordelijk. Luister goed, Israël,
zegt hij steeds maar en in Dewarim 6: 10 begint de zesde alija
met wat later de kern van het hoofdgebed ‘Sjema Jisraël’
- Hoor Israël - zal worden: de erkenning dat er maar één
God is.
In
de verzen 4:6-7 lijkt even een rijk toekomstperspectief geschilderd
te zijn: wijs en verstandig zal het volk beschouwd worden in het
oog van andere volken.
In 4:27-28 wordt een somberder perspectief geschetst: de verstrooiing
wordt in één donkere pennestreek geschilderd. Alleen
voor de weinige overgeblevenen worden redding en terugkeer voorzegd.
Mosjé kent zijn volk. “Want ik ken jullie weerspannigheid”,
zegt hij zelf in Dew. 31:27 – “en hardnekkigheid;
als jullie, toen ik dagelijks temidden van jullie leefde, al weerspannig
waren tegen de Eeuwige, hoeveel te meer dan na mijn dood.”
Twee
keer lijkt het er sterk op dat Mosjé zijn onmogelijkheid
om het land te betreden wijt aan het weerspannige volk: “Om
jullie (lema’anchem) bleef de Eeuwige boos op mij”
(3.26)
En: “De Eeuwige werd door jullie daden (al-diwréchem)
boos op mij” (4:21)
De vraag is: is hier sprake van verwijt (o zo menselijk begrijpelijk,
maar minder heilig niveau) of van edelmoedig verantwoordelijkheid
op zich nemen van het geheel (hoog niveau van heiligheid)
Ik
moet zeggen dat Dewariem niet mijn meest geliefde boek is; er
staan mij wel erg veel passages in waarin de liefde gepaard gaat
met moeten, geboden, dreigingen, straffen, vervloekingen en donkere
voorspellingen. Als Mosjé zegt: “Besef dan goed dat
zoals een man zijn zoon tuchtigt zo tuchtigt de de Eeuwige, jullie
G- d, jullie, vraag ik mij af op wie dat slaat:
Is dat eigenlijk niet Mosjé zelf , die zielsveel van zijn
volk heeft gehouden maar heeft gemerkt, hoe hardleers en weerspannig
de mens is? Is hí’j niet de strenge vader? Als instrument
en tolk van de Schepper is hij tenslotte ook een mens.
Is het eigenlijk niet het leven en de wereld die een harde leerschool
biedt. Als Schepper van het universum en creator van de wonderlijke,
liefdevolle en tegelijk wrede wereld is Hij de gelegenheidgever.
We kunnen kiezen voor (het verlangen naar ) het in relatie staan
tot de G-d en
deel hebben aan de eindeloze gelegenheid om te veranderen en te
groeien – en de Tora en zijn uitleggingen geven daar ook
richting aan. De rampen en de ellende komen van zelf wel als wij
en de maatschappij waarin we leven de relatie met G- d steeds
maar afwijzen en alleen voor onze eigen onmiddellijke materiële
bevrediging leven.
Maar
misschien zeg dan in mijn eigen wat modernere woorden hetzelfde.
Alleen zie ik De Eeuwige niet meer als een strenge Vader, die
mooie beloningen van rijkdom en welvaart belooft en straffen van
rampen en kwelling uitdeelt aan de ongehoorzamen. Dat beeld kunnen
wij toch niet meer onderschrijven.
God is de Onmetelijke en Oneindige, ook in de voorraad mogelijkheden
ten goede die ons in genade steeds wordt voorgehouden en waaruit
we kunnen putten als we daar verbinding meemaken.
Ik
besluit met een aardig citaat dat ik virtueel tegen het lijf liep
op de aardige
site http://www.hoor-israel.org/
:
‘Het
vers uit Spreuken 3:34 zegt: „Wie zich tot de spotters voelt
aangetrokken, die zal spotten, maar wie tot de nederigen wordt
aangetrokken, die zal gunst vinden.” Reisj Lakisj legt uit:
wanneer iemand zich wil bevuilen, dan wordt hem daartoe de gelegenheid
gegeven, maar als iemand zich wil reinigen, dan wordt hij geholpen
door de Hemel [d.w.z. als iemand zich aangetrokken voelt om slechte
dingen te doen, dan laat de Hemel hem zijn gang gaan, maar wie
het goede zoekt, zal daarbij gesteund worden door de Hemel (Rasji)].
Wanneer een klant komt voor petroleum, dan mag de winkelier tegen
hem zeggen dat de klant het zelf moet afmeten. [Zo komt de winkelier
niet in contact met de onaangenaam ruikende petroleum.] Maar als
een klant komt voor balsem, dan kan de winkelier zeggen dat hij
het zelf wil afmeten, zodat ook hij lekker zal ruiken.
Zonden verstoppen het hart ‘ (Talmoed Joma 39)
Ook dit citaat is
lezenswaardig en overdenkingswaardig:
Men is verplicht een beracha te zeggen over iets slechts,
net zoals men een beracha zegt voor iets goeds, zoals er geschreven
staat [Deut. 6:5]: „En je zult de Eeuwige je G-d liefhebben
met heel je hart, met heel je ziel en met heel je vermogen. „Met
heel je hart,” [dat wil zeggen] met alle twee je neigingen:
je goede neiging en je slechte neiging; „en met heel je
ziel,” [dat wil zeggen] zelfs al neemt Hij je leven; „en
met heel je vermogen,” [dat wil zeggen] met al je geld,
en een andere verklaring voor „ met heel je vermogen” is: met wat voor maat Hij je ook meet, je moet Hem steeds ten
zeerste bedanken. (Berachot. misjna 5)
*in dit commentaar is dankbaar gebruik gemaakt van het
commentaar op Aish.com van R. Ari Kahn
(Rob Cassuto 16 juli 2006)
Dewariem/Deuteronomium
Dewariem
is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken
over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van
een pentateuch en Dewariem is dan een tweede Tora en dat betekent
de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet en Dewariem
is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht.
En
ook qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften
uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische,
een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk
het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden
vergaderd.
Een aantal hoofdbestanddelen kunnen worden onderscheiden:
+
Mozes recapituleert de laatste twee jaar van de omzwervingen,
m.n. de oorlogen tegen Sichon en Og, Dewariem 1 – 4
+
de eigenlijke wetgeving, die begint met intensieve vermaningen
tegen afgodendienst. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn
( 4 – 1 ,4 – 44, 5 – 1 ), wellicht terug te brengen op het feit
dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is
uitgebreid. Vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen
tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie
van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe.
Dit gaat door tot 27.
+
capita selecta, waaronder de zegen en de vloek bij opvolging resp.
verwaarlozing van de voorschriften, en het wijzen op de keuze
die het volk steeds heeft. Dit besluit de toespraak van Mozes.
+ afsluiting met het afscheid van Mozes dat in verschillende toonaarden
wordt beschreven, waaronder het ‘lied van Mozes', zijn zegenen
van de stammen en zijn uiteindelijk dood op de berg Newo.
Gewezen
is op de vorm van een overeenkomst tussen G-d en het volk (covenant),
dat het boek heeft, een introductie, inhoud en bezegeling met
zegen of vloek.
Vanuit historisch oogpunt is interessant het verslag in 2 Koningen
22 over het hervinden van een wetboek tijdens de restauratie van
de tempel tijdens de regering van de hervormingsgezinde koning
Josia (plm. 700 voor de gebruikelijke jaartelling).
" De hogepriester Chilkia zei tegen hofschrijver Safan: ‘Ik
heb hier in de tempel van de HEER een boekrol gevonden met de
tekst van de wet.' Safan nam het boek in ontvangst en las het.
Daarop ging hij terug naar de koning om verslag uit te brengen.
Hij zei: ‘Uw dienaren hebben het zilver dat in de tempel bewaard
wordt, te voorschijn gehaald en overhandigd aan de bouwmeesters
die belast zijn met de herstelwerkzaamheden aan de tempel van
de HEER .' Vervolgens vertelde hij dat de priester Chilkia hem
een boekrol had gegeven, en hij begon de koning eruit voor te
lezen. Bij het horen van de tekst van het wetboek scheurde de
koning zijn kleren. Hij beval de priester Chilkia, Achikam, de
zoon van Safan, Achbor, de zoon van Micha, de hofschrijver Safan
en zijn persoonlijke dienaar Asaja: ‘Ga ter wille van mij en heel
het volk van Juda de HEER raadplegen over de inhoud van de boekrol
die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de HEER is
in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben
gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat
ons is voorgeschreven.'"
De maatregelen die Josia nam tegen de afgodendienst, de zuivering
van de eredienst en de centralisatie van die dienst in Jeruzalem
komen sterk overeen met de voorschriften daarover in Dewariem.
Het is speculatie, maar ook weer niet uit te sluiten – met beroep
op wat fantasie - , dat het boek de vrucht is van samenspel tussen
Koning Josia en een aantal priesters vanuit een verlangen om de
oude opdracht van Israël en de autonomie van het volk naar
de machtige omliggende rijken nieuw leven in te blazen: Josia
of zijn priesters zouden dan het boek, althans de kern van Dewariem,
hebben samengesteld op basis van oudere teksten (deels uit de
andere boeken); daarbij hebben zij Mosjé als spreker van
de inhoud opgevoerd om het gezag te verlenen. Vervolgens hebben
zij de dramatische ‘vondst' in de tempel geënsceneerd om
zo indruk te maken op het volk en zijn bereidheid te wekken om
de hervormingen te accepteren en een hernieuwd commitment aan
de oude wetten aan te gaan.
Maar misschien heeft de hogepriester CHilkia wel echt oude rollen
ontdekt en heeft dit de stoot geven tot de zuiverende renaissance
van zijn koning.
Het hangt af van de mate van sophistication, die je de koning
en zijn regering wil toedichten of de mate van wonderlijkheid,
die je de realiteit toeschrijft, welke optiek je voorkeur heeft.
Misschien begint het met een wonderlijke realiteit die met sophistication
wordt gehanteerd.
augustus 2005
Parasha
Mas'é
Het
hoofdstuk Mas'é (‘tochten, marsen') is het laatste hoofdstuk
van het boek Bemidbar/Numeri.Het sluit het verhaal van de woestijntocht
en de wetgeving rond het volk van Israël, dat is begonnen
in Sjemot/Exodus en vervolgd in Wajikra/Leviticus, af. Het vierde
boek Dewariem/Deuteronomium is eigenlijk een recapitulatie van
de eerder drie boeken.
Mas'é begint met een uitputtende opsomming van de pleisterplaatsen,
die de kinderen van Jisraël in hun veertig jaren hebben aangedaan.
Op bevel van de Eeuwige – nu het einde van de lange reis is aangebroken
– heeft Mosjé ze nu op een lange lijst genoteerd. Vervolgens
komt de verdeling van het land Kena'an aan de orde, de grenzen
worden globaal aangegeven, een ‘commissie van verdeling van het
erfgoed' wordt aangewezen.
Dan worden bepalingen omtrent de Levieten en hun steden gegeven,
48 krijgen ze er, waarvan 6 steden asielsteden zullen zijn.
Het asiel-aspect geeft aanleiding tot een uitgebreid aantal bepalingen
omtrent moord en doodslag en onder welke condities asiel bestaat
en hoe dit verder in de praktijk uit te voeren. Wat opvalt is
de rücksichtloosheid – in onze moderne ogen – van vele bepalingen.
Tegelijk ontwaren we in deze regels, die in de tijd dat ze werden
geconcipieerd, waarschijnlijk ongekend modern en menselijk waren,
een zorgvuldige hand om een orde van rechtvaardigheid en symmetrie
te waarborgen. Verder lezen we ook de fundamentele regel, dat
men slechts mag terechtstellen op basis van getuigenverklaringen
en dat één verklaring niet voldoende is. Op basis
hiervan hebben de rabbijnen later een nadere bepalingen uitgewerkt,
die terechtstellingen tot een zeer zeldzame gebeurtenis maakten.
Tenslotte krijgt het verhaal van de dochters van Tselofchad (Bemidbar
27) nog een staartje: ze mogen, nu er geen zonen zijn, wel van
hun vader erven, maar het erfgoed moet binnen de stam blijven.
Dus komt nu de nadere bepaling dat deze dochters, en andere dochters
in hun situatie, wél moeten trouwen met mannen binnen de
stam. Merkwaardig dat het grote epos en de imposante wetgeving
besluit met deze casuïstiek.
Nog
wat meer over de passage 33, 1-2, waarbij ik dankbaar gebruik
maak van de overgeleverde uitspraken van de Isbitzer Rebbe, zoals
die zijn neergelegd in het Tora-commentaar
Mei HaShiloach; ik doe niet veel meer dan zijn uitleg in een modern
jasje weergeven.
De Isbitzer leest: “Dit zijn de tochten van de kinderen van
Jisraël …..en Mosjé noteerde de vertrekpunten volgens
De Eeuwige en dit zijn de tochten volgens de vertrekpunten”.
(hij trekt dus het 'volgens De Eeuwige' bij 'vertrekpunten' i.t.t.
de gebruikelijke opvatting het te trekken bij het opschrijven
door Mosjé).
Waarom is deze bewoording rond die vertrekpunten twee keer gezegd,
vraagt hij zich af? Eén keer met de toevoeging ‘volgens
De Eeuwige' en één keer worden die vertrekpunten
nog een keer genoemd zonder die toevoeging.
Het gaat om twee perspectieven.
De hele tocht met al zijn oponthouden, wisselvalligheden en beproevingen
is een tocht waarin de mens getest wordt en de gelegenheid heeft
tot spirituele groei te komen. Deze paradox doet zich dan voor:
Vanuit
het perspectief van de Eeuwige die dit ‘parcours' als het ware
heeft opgezet - ‘al-pi Hashem' - heeft toch in laatste instantie
ieder mens evenveel waarde, heeft niemand enig voordeel boven
de andere, en gaat de ene daad niet boven de andere, “want allen
leven in een bestaan dat voortkomt uit Gods essentie”.
Deze ‘neutraliteit' van God maakt ook, dat, hoewel de Israëlieten
evenals de Egyptenaren zondaren waren, het zuiver mededogen en
genade is, dat Hij Israël verlossing bood. Ook tijdens de
tocht met zijn beproevingen is ieder kind van Israël in vanuit
Goddelijk perspectief goed, ‘OK', ‘good at their roots'.
Maar vanuit het tweede perspectief – ‘lemotsa'ehem' - , het perspectief
van de mens moet die goedheid verworven worden door daden tijdens
al die beproevingen gedurende de reis.
En dan nog deze vraag: waarom besluit de Tora – als je met velen
de traditie volgt om Deuteronomium/Dewarim te beschouwen als een
‘tweede Tora' – met de herneming van het verhaal van de dochters
van Tselofchad, eigenlijk een hele concrete casuïstiek?
Dat is – volgens de Isbitzer rebbe – om aan te tonen dat je de
bepalingen van de Tora, steeds om uitwerking in concrete details
vragen in het licht van de concrete situatie en van het bijzondere
tijdsgewricht.
6
aug. ‘05
Parasha
Matot
In dit hoofdstuk
wordt eerst het onderwerp van de gelofte en de eed behandeld.
Speciale aandacht krijgt na omschrijving van het algemene voorschrift
de gelofte of de eed die dochters en vrouwelijke echtgenoten doen
ter onthouding van iets, waarbij uitgebreid omschreven wordt de
macht van vaders en echtgenoten om op het moment van de gelofte
of eed te berusten of hem teniet te doen.
In de daaropvolgende passages wordt de oorlog tegen Midjan verhaald – inclusief de dood van Bil'am – en vooral in het oog valt de
uitgebreide behandeling van de reiniging van de bij het ombrengen
van zoveel tegenstanders betrokken soldaten door offers en de
gedetailleerde regeling van de verdeling van de buit; de slag
met Midjan moet een historisch beslissende gebeurtenis zijn geweest
die een gedetailleerde kroniek rechtvaardigde.
Tenslotte
wordt veel aandacht gegeven aan het speciale verzoek van de stammen
Reuven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot
stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen; na aanvankelijke
aarzeling stemt Mosjé toe op voorwaarde dat de mannen wél
deelnemen aan de verovering van het oorspronkelijk beloofde land.
Ik ga verder in op die eerste regels (30, 3) van deze parasha:
”Wanneer iemand een gelofte tegenover de Eeuwige doet of een eed
aflegt om zich van iets te onthouden, laat hij zijn woord niet
schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen.”
Een man een man, een woord een woord. Dat vrouwen minder standvastig
beoordeeld worden, min of meer als tegenwoordig in juridisch opzicht
minderjarigen (30, 4 e.v.), en in veel gevallen door hun vader
of man teruggefloten kunnen worden, daarover denken wij vele generaties
later in grote getale anders over.
In het christelijke
tweede testament wordt de eed of de gelofte als een overbodig
of zelfs zondig instituut gezien; de woorden op zich moeten al
bindende kracht moeten hebben en de eed is helemaal niet nodig,
zie Jacobus 5, 12: Maar bovenal, broeders en zusters, zweer
geen enkele eed, niet bij de hemel, niet bij de aarde, nergens
bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u ervoor gestraft
worden.
Los van de zinnigheid van Jacobus' oproep om consequent in woord
en daad te zijn, we bespeuren in zijn woorden geen uitleg waarin
gemotiveerd wordt waarom in sommige gevallen een geformaliseerd
commitment niet op zijn plaats zou kunnen zijn; ritualisering
van je commitment kan u of mij toch bijzondere kracht geven.
Maar misschien klinkt in deze waarschuwing van de apostel Jacobus
al door, dat eden in buien van plotse motivatie en grillig enthousiasme
wel heel vaak lichtvaardig gezworen werden en vervolgens niet
opgevolgd of zelfs weer gemakkelijk vergeten.
Al in Dewariem 23, 23 staat tussen gelijksoortige bepalingen als
hier in Matot 30: ‘Indien je je onthoudt van het doen van geloften
heb je daardoor geen schuld op je geladen.', wat wel een aansporing
lijkt om niet aan de ‘hype' van geloften mee te doen.
De kwestie
van de lichtvaardige geloften krijgt zijn eeuwenlange vervolg
in het gebed Kol Nidré, dat met zijn indrukwekkende en
roerende melodie Jom Kipoer inluidt.
De melodie is onomstreden en heeft het gebed in zijn verschillende
controversiële bewoordingen door de eeuwen heen getild.
De tekst van
het gebed - of wat de juiste tekst zou moeten zijn - heeft aanleiding
tot heftig debat gegeven.
Oorspronkelijk bedoeld om lichtvaardige geloften van het áfgelopen
jaar te annuleren kreeg het van Rashi's schoonzoon, Meïr
ben Samuel, zelfs de formulering, die annulering inhield van de
geloften voor het kómend jaar, met een beroep op het Talmoedtractaat
Nedarim 23b, welke passage zulks met zoveel woorden aanbeveelt.
Deze formulering
heeft eeuwenlang veel discussie gegeven en veel wantrouwen gewekt
bij de niet-Joden over de betrouwbaarheid van Joodse geloften,
ondanks de nadrukkelijke vaststelling van belangrijke rabbijnse
autoriteiten dat het hier ging om annulering van persoonlijke
geloften tussen de belover en God en dat het niet handelde om
tussenpersoonlijke en zakelijke beloften en overeenkomsten. Zie
het interessante overzicht over de geschiedenis van Kol Nidré op de pagina
van de site Jewish Ecyclopedia.
In de 19 e eeuw zijn in de liberaal Joodse kringen andere formuleringen
geïntroduceerd, die meer betrekking hebben op de ommekeer
(teshoeva) en wending naar het goede (zie ook de machzor van de
LJG).
Tot nu valt in mijn verhaal de nadruk op de lichtvaardigheid waarmee
eden en beloften worden gedaan; daarvangetuigt de geschiedenis
rond Kol Nidré . Maar ook de eigen levenservaring, een
blik in de politiek, de kennisneming van plots en scenario's van
roman en drama overladen ons met voorbeelden van de relativiteit,
kortstondigheid en lichtvaardigheid van beloften, toezeggingen,
eden.
Daarom laat ik nu weer even het licht vallen op de woorden: “lo
jacheel dewaro ke-chol hotsé mipaw ja'asé”, laat
hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen
moet hij doen .
Deze zinsnede
verwijst naar de scheppende kracht van exacte woorden. Met woorden
kan je een nieuwe realiteit voor jezelf en anderen creëren,
ze hebben de macht nieuwe gebieden te openen maar ook om grenzen
te in het leven te roepen, bijna even krachtig als de geboden
en richtlijnen van de Tora zelf.
Zoals De Eeuwige met de tien scheppingswoorden van Bereshiet de
schepping heeft geschapen en nog steeds schept, zo zijn wij, jij
en ik, in onze woorden medeschepper van de wereld.
Wanneer je
je dat realiseert ga je anders met de taal om. Als je schrijft,
maar ook als je spreekt. Je woorden worden minder slordig, minder
nonchalant. Je verlangen is je woorden te richten, te focussen,
in overeenstemming te brengen met je intentie medeschepper te
zijn.
Zodat je aandacht geeft aan wat over je lippen komt, ervoor zorgt
dat dat exacte woorden zijn omdat ze ook zo gedaan moeten worden.
De oorsprong van elk conflict tussen mij en mijn medemensen
is dat ik niet zeg wat ik bedoel, en dat ik niet doe wat ik zeg
(Martin Buber).
RobC augustus 2 '05
Parasha
Pinchas
Laatst las
ik in een citaat, hoe de Middelleeuwse bijbelgeleerde en –uitlegger
Nachmanides (de RAMBAN) zich in het begin van zijn Tora-commentaar
verontschuldigt voor zijn kleine wijsheid en beperkte kennis;
hoeveel te meer past het mij niet mijzelf te verootmoedigen voor
de euvele moed iets over de parasjot van de week te berde te brengen.
Dat zij hierbij nog eens duidelijk gezegd: vergeef mij deze stap
om vanuit mijn zeer beperkte kennis en weinige geschooldheid mijn
commentariërende woorden toch aan de openbaarheid prijs te
geven.
Allereerst
moet ik al beginnen met een correctie op een bewering aan het
slot van mijn vorige stukje over de parasjat Balak. Ik schreef
daar:
“Aan het slot
van de parasja lezen we over de ontucht van het volk met de meisjes
van Mo'av. Dat bleek een veel effectievere politiek om het volk
te ondermijnen dan de tussenkomst van de magiër. De sterfte
van 24000 mensen was het gevolg.
In de midrasj zou Bil'am deze ondermijningspolitiek aan Balak
hebben geadviseerd: laat Moabitische meisjes de mannen van Jisraël
verleiden.
In de Tora staat daar niets over.
Ik kies inzake de verdere levensloop van Bil'am voor een open
einde.”
Maar … in
de Tora, Bemidbar 31, 16 staat wel degelijk, dat op advies van
Bil'am het volk van Israël tot ontrouw werd verleid.
Vervolgens kwam ik in het commentaar van Nechama Leibovitz een
uitgebreid citaat uit de Talmoed tegen, waarin in geuren en kleuren
dit advies van Bil'am wordt beschreven: hoe de meisjes in de marktkramen
met een beker wijn in de ene en een afgodsbeeldje in de andere
hand de mannen van Israël moesten verleiden, inclusief de
verlokkende woorden die deze meisjes moesten gebruiken (Sanhedrin
106a).
Moet ik mijn eerdere conclusie t.a.v. Bil'am herzien en tot de
slotsom komen, dat een mens als Bil'am de almacht van G- d eerst
kan ervaren en aan den lijve kan merken hoe door zijn mond een
grotere macht spreekt om dan toch onaangedaan door dit wonder
te volharden in zijn eerdere kwade opzet t.a.v. het volk Israël,
dat hij even tevoren zulk een glorieus lot had voorspeld? In dat
geval moet hij toch eigenlijk niet aan zijn eigen zegenrijke teksten
hebben geloofd.
Ik laat dit verder even voor wat het is.
Het verhaal
van Pinchas begint aan het eind van het hoofdstuk Balak.
De mannen van Israël waren ontucht beginnen te plegen met
Moabitische meisjes, die de Ba'al vereerden met bepaalde seksuele
riten, waaraan de mannen blijkbaar deelnamen, een vorm van tempelprostitutie,
die geheel in strijd was met de scheiding tussen de dienst aan
de Eeuwige en seksualiteit die in de Mozaïsche voorschriften
wordt nagestreefd.
Toen een vooraanstaande man openlijk onder de ogen van Mosjé en temidden van de volksvergadering met zijn Moabitische vrouw
verscheen, tot ontzetting van de aanwezigen, werd dit Pinchas,
de kleinzoon van Aharon, te veel, hij ging het stel achterna tot
in het slaapvertrek en doodde hen door ze met een speer in het
onderlichaam te steken. Kennelijk werd door deze daad van zowel
grote toewijding als heetgebakerd fanatisme een intussen ook opgestoken
en snel om zich heen grijpende epidemie van een ernstige ziekte
gestopt.
Er wordt wel
verondersteld dat er eerst de epidemie was – wellicht de pest
– en dat men de plaag probeerde af te wenden door zijn toevlucht
te zoeken bij de tempelprostitutie met Moabitische vrouwen, waardoor
in feite de besmetting juist werd bevorderd.
Door zijn schokkende daad heeft Pinchas – vanuit een heilige intuïtie
eerder dan door medische kennis - aan dit verderfelijke proces
een halt toegeroepen (vermeld bij W. Gunther Plaut).
Hoe het ook zij, opvallend is, dat de parasja begint met de verheerlijking
van deze daad van eigenrichting door Pinchas. Geen vooroverleg,
laat staan een proces was er aan de hand. Maar door zijn wrekende
actie heeft hij wél de woede van G-d van de kinderen van
Jisraël afgewend. Hem wordt aangeboden “Mijn verbond van
vrede (‘b'riti shalom')” en het priesterschap voor hem en zijn
nakomelingen.
Is dat niet gevaarlijk, dat in de Tora deze overijlde en heetgebakerde
daad van eigenrichting wordt gesanctioneerd en beloond?
Oude wijzen hebben wel aanwijzingen willen zien, dat Mosjé
en de volksvergadering de daad van Pinchas hebben willen afkeuren
en hem hebben willen ‘excommuniceren'. Misschien heeft er inderdaadachteraf
wel een zitting van de volksvergadering onder leiding van Mosjé plaatsgevonden.
De woorden van de Eeuwige in 25, 11-13 kunnen dan gelezen worden
als een interventie tegen deze afkeuringsplannen en een verdediging
van de daad van Pinchas als absoluut ingegeven door integere toewijding
en goddelijke ingeving.
Toch stemt
deze redenering mij niet geruster. Daarvoor is en wordt nog steeds
te vaak een beroep gedaan op goddelijke ingevingen om daden van
destructie, moord en zelfs genocide te rechtvaardigen als daden
om volkeren of zelfs de mensheid te redden of te behoeden voor
ramp en verderf.
In een ander commentaar werden de passages rond de daad van Pinchas
gezien als wijzend op verwerping van pacifisme en als een goedkeuring
van geweld tegen de destructieve krachten van b.v. nazi's en terroristen.
God is saying to Moshe, "Tell Pinchas that his zealousness
is peace."
Naar mijn bescheiden mening zit dat er net naast.
Met deze uitleg kan iedere fanaticus, van de christen fundamentalist
tot de moslim terrorist, zich op deze passage beroepen.
Volgens mij vereist de richtlijn die uit deze passages te halen
is een meer subtiele redenering.
Natuurlijk was in het kamp van de Benee Jisraël sprake van
een crisis situatie. Tegelijk stierven er mensen bij bosjes aan
een vreemde ziekte en er was bij vele mannen de losgelagen situatie
van een volledig loslaten van de voorgeschreven normen en waarden
van de Tora.
Mosjé had al verordonneerd dat alle schuldigen moesten
worden omgebracht.
Maar Pinchas vond dat er in deze acute nood nog sneller moest
worden ingegrepen en handelde als antwoord op de vergaande provocatie
van de openlijke ontuchtpleger onmiddellijk; twee mensen bracht
hij om en wie weet heeft hij in een goddelijke intuïtie zo
een kennelijk transcendente onbalans, een verstoorde orde weer
hersteld, uitgedrukt in de terminologie, dat hij de woede van
G-d van de kinderen van Jisraël heeft afgewend; door twee
mensen te doden heeft hij het voortbestaan van de natie veilig
gesteld en de levens van zijn volksgenoten voor het verdere voortwoekeren
van de epidemie behoed.
Deze anarchistische
en onjuridische daad is daarom echter nog geen daad, die oorlog
en eigenrichting per definitie voortaan fiatteert.
Want de daad moest áchteraf met redenen omkleed aan Mosjé worden uitgelegd als een in dit geval terechte daad die de bezegeling
met goddelijke goedkeuring kon wegdragen.
En dit is volgens mij de implicatie: dat Pinchas deze actie van
hem voor zijn volledige eigen verantwoording nam, dat hij een
eigen afweging heeft gemaakt en zich niet van te voren al gerechtvaardigd
wist. Net zoals alle andere daders na hem hun eigen liquidatie-acties
niet op God of een precedent kunnen afwentelen. Al die acties
zullen a posteriori op hun motivering, integriteit, afwegingen
en effecten beoordeeld moeten worden.
Zeker drie belangrijke criteria die achteraf aangelegd zouden
kunnen worden zijn uit de situatie van Pinchas af te leiden:
Er moet sprake zijn van een acute noodsituatie (in dit geval de
om zich heen grijpende epidemie), een acute maatschappelijke ontwrichting
(de anarchie van normen en waarden)en het criterium van het overweldigende
levensreddende karakter van de daad, i.c. was dat twee slachtoffers
versus de rest van de levens van de volksgenoten.
Denk aan Yigal Amir, Mohammed B., die zich ook op Goddelijke of
Schriftuurlijke rechtvaardigingen zullen hebben beroepen, maar
wier daden niet door die beugel konden.
Is dat niet de diepere betekenis van de uitspraak: “Hiervoor bied
Ik hem Mijn vredesverbond aan.” (25, 12), de betekenis zo ongeveer
van: in dit éne geval krijgt bij uitzondering deze man
Pinchas achteraf de opperste goedkeuring en mag hij zijn gemoed
in vrede bezitten…
Rob C.
230705
Parasja
Balak;een alternatieve visie op Bil'am
In
deze fase van het verhaal van de tocht van de kinderen van Israël
zijn deze aangeland aan de rand van het beloofde land, aan de
overkant van de Jordaan, in het land Mo'av. Na zoveel jaren omzwerving
is het volk gegroeid in zelfvertrouwen en militaire kracht. Het
had net de Emorieten verslagen en de koning van Mo'av zocht, bang
geworden voor de overmacht van het volk dat in zijn gebied was
neergestreken, hulp in de magische sector. Hij ontbood een sjamaan
in het oosten, uit Babylonië, die beroemd was om de kracht
van zijn vervloekingen: Bil'am.
Bil'am
wordt in midrasjiem van de oude wijzen meestal afgeschilderd als
de verpersoonlijking van alle denkbare kwade krachten; hij zou
zelfs zijn zwarte kunsten geleerd hebben van verstoten engelen,
die hij diep in ingewanden van de aarde placht te bezoeken.
Soms wordt hij gezien als ultieme negatieve tegenhanger van Avraham,
Jacob en zelfs Mosjé.
Volgens velen belichaamt hij het prototype van de antisemiet,
een man die leeft van de haat in het algemeen en van de haat tegen
de Joden in het bijzonder (op wie de uitspraak van de Talmoedwijzen
van toepassing is: ‘wie Israel probeert te schaden wordt een “rosj”,
een leider', d.w.z. neem antisemitisme op in je programma, het
is de korste weg naar leiderschap, ontleend
aan R. Berel Wein).
Hoe
zwart Bil'am ook wordt afgeschilderd, ik wil toch ook op een paar
lichtpunten in deze man wijzen. Als in Dewariem wordt gezegd,
dat er nooit in Israël een profeet was als Mosjé,
wijzen de geleerden erop dat er búiten Israël er wél
een was, nl. Bil'am. Ook hij had de macht van het woord. Opvallende
parallel: net als Mosjé discussieerde ook hij voortdurend
met G-d – zij het niet van aangezicht tot aangezicht - ; het halve
hoofdstuk bestaat uit gesprekken van Bil'am met G-d of uit verslag
van Bil'am over deze ontmoetingen aan zijn opdrachtgevers. Uit
al die tegenstrevingen van de tovenaar tegen die stem van G-d
– die soms ook wel wat wispelturig aan doet, soms mag Bil'am wél
gaan, soms niet - , blijkt wél dat hij die stem kan horen.
En als hij hem hoort – en soms moet zijn ezel hem helpen – is
hij die stem wel gehoorzaam en spreekt hij de zegeningen uit die
hem worden ingegeven, wie weet wel met levensgevaar van de kant
van zijn koninklijke opdrachtgever. Integriteit kan hem niet worden
ontzegd.
Hoe destructief de afgodendienaar Bil'am in zijn vervloekingenpraktijk
ook verder moge zijn, in deze parasja is hij bevattelijk voor
het horen van de stem van de Eeuwige. Zelfs ook wordt hij ten
slotte overvallen door helder zicht: twee rondes van rituelen
hebben Bil'am niet tot vervloekingen kunnen brengen, maar slechts
tot zegeningen en in de derde ronde staat er:
‘Bil'am (…) ging niet als de vorige keren op wichelarijen
af maar richtte zijn blik naar de woestijn. Toen Bil'am zijn ogen
opsloeg en Jisraël daar naar zijn stamindeling gelegerd zag,
kwam de geest van G- d over hem.' (Bemidbar 24, 1-2)
Dan volgt wederom een reeks zegeningen en profetische uitspraken.
De krachtige uitstraling van de strijdbare massa's in het geordende
legerkamp maakt kennelijk indruk. Ook zonder tovenarij en zwarte
kunsten, maar juist in een houding van open en helder kijken naar
de realiteit in al zijn gelaagdheid kan een dieper geïnspireerd
schouwen in de nog verborgen mogelijkheden worden gegeven.
Wat
is nu het werkelijke contrast tussen Mosjé en Bil'am?
Misschien
dit: Mosjé belichaamt de gerealiseerde, de met zijn volk
verbondene, die in een staat van verlichting in contact is met
enerzijds de goddelijke dimensie, anderzijds met de wereldse en
menselijke dimensie en de taak heeft deze bij elkaar te brengen.
Bil'am is te lezen als b'li am, zonder volk betekent dat. Hij
is de eenling, de onverbondene, die in het labyrinth van het ego
vatbaar is voor de meest duistere dwaalwegen; maar uit deze parasja
blijkt, dat ook in die donkere situatie een stem naar de waarheid
en een zicht naar het licht kan doorbreken, ondanks het verzet
en door alle tegenstrevingen heen.
En u voelt hem al aankomen: we hebben allemaal ook iets van Bil'am
in ons, die gevangen is tussen de verleidingen van geld, macht,
arrogantie, eigenbelang, kortom ego, en een dieper weten van waarheid
en helder zicht.
De parasja (24,25) zegt simpelweg, dat Bil'am terugkeerde naar
zijn woonplaats.
Was hij nu zelf ook ten goede gekeerd door zijn ervaringen?
Aan het slot van de parasja lezen we over de ontucht van het volk
met de meisjes van Mo'av. Dat bleek een veel effectievere politiek
om het volk te ondermijnen dan de tussenkomst van de magiër.
De sterfte van 24000 mensen was het gevolg.
In de midrasj zou Bil'am deze ondermijningspolitiek aan Balak
hebben geadviseerd: laat Moabitische meisjes de mannen van Jisraël
verleiden.
In de Tora staat daar niets over.
Ik kies inzake de verdere levensloop van Bil'am voor een open
einde.
Hoe het ook zij, we hebben aan hem twee onsterfelijke zinnen te
danken:
'Het (Jisraël) is een volk dat afgezonderd woont en zich
niet rekent onder de volkeren'
en: 'Hoe goed zijn uw tenten, Ja'akov, uw woningen, Jisraël!'
P.S. In de krant van vandaag, 14 juli, staat dat Paus Benedictus
XVI vindt dat de toverkunsten van Harry Potter de kinderziel kunnen
bezoedelen. Als kardinaal had hij zulks geschreven aan een Duitse
literatuurcriticus, die eveneens in een boek stelde dat lezing
van de Potterboeken de kinderen kunnen verhinderen een gezond
gevoel voor goed en kwaad te ontwikkelen.
De tere kinderzielen worden de weg opgestuurd worden van kwaadaardige
Bil'ams.
Inderdaad wordt in de Tora bij herhaling zwarte magie, wichelarij,
waarzeggingen etc. uitgebannen ten gunste van een heldere onttoverde
kijk op de werkelijkheid, dat is ook één van de
thema's van parashat Balak.
Maar
het lijkt wel alsof alle serieuze kwesties van goed en kwaad,
van ‘zwarte'en ‘witte' kunst, zoals die ook in deze parasja optreden,
in de moderne tijd en met name in de hogere katholieke kringen
in vervormde, zo niet karikaturale vertekening aan de orde komen.
De ludieke manier, waarop in de Harry Potter-boeken en – films
met magie wordt gespeeld geeft de kinderen juist nuancerings-
en onderscheidingsvermogen. Tovenarij krijgt een plek in het rijk
van de sprookjes.
Rob
C. 140705
Parasja
Choekat (mede gebruik gemaakt van
het commentaar van R.
Ari Kahn)
De
parasja Choekat begint met veel dood.
Het
begint met het ritueel van de Rode Koe – hét voorbeeld
van een ‘chok', een wet waarvan men niet naar de diepere zin (ver)mag
te vragen, maar die eenvoudigweg opgevolgd moet worden - , de
Rode Koe, waarvan de as vermengd met water dient als reiniging
voor wie in aanraking is geweest met een dode.
Dan vermeldt de parasja de dood van Mosjé's zuster Mirjam.
Vervolgens
verhaalt de parasja de gebeurtenissen rond het water van Meriwa;
het morrend en dorstig volk drijft Mosjé en Aharon tot
het uiterste en Mosjé slaat met zijn staf ongeduldig op
de rots, waaruit weliswaar water gaat stromen, maar waarna tevens
Mosjé en Aharon te horen krijgen dat ze het beloofde land
niet zullen intrekken, maar dat hun dagen geteld zijn.
Wat
verderop in de tijd bestijgt Aharon, ontdaan van zijn ambtskleren
de berg Hor om daar te sterven.
Met
de slangenplaag lijkt de reeks tegenslagen, opstanden, sterfgevallen
- begonnen met de verspieders in parasjat Sjelach - te culmineren.
Na de genezing via de koperen slang, omhooggehouden door Mosjé,
lijkt er een keer te komen: de kinderen van Israël verslaan
koning Sichon en zijn Emorieten.
Ik ga verder in op het gebeuren bij Mé Meriwa, het water
van de twist.
De grote vraag rond deze passage is: wat hebben Mosjé en
Aharon verkeerd gedaan, dat zij dit oordeel van De Ene – ‘dat
zij de gemeenschap niet naar het land zouden brengen' - over zich
hebben afgeroepen.
Mogelijkheid één: Mosjé heeft de instructies van De Eeuwige
niet precies gevolgd, want gezegd is dat hij moest spreken tegen
de rots, niet dat hij hem met de staf moest slaan (Rasji). Ontlastende
omstandigheden: punt één is dat de instructies wél
de staf noemen (‘Neem de staf … , 20, 8), zodat verwacht mag worden
hem ook te gebruiken, waarbij – punt twee – er ook nog een precedent
is, waarbij de staf wél zonder consequenties voor een waterwonder
werd gebruikt, Sjemot 17, 2-6.
Mogelijkheid
twee: Mosjé liet zich meeslepen door zijn woede - dit wordt
geconcludeerd met enig recht uit zijn woorden in 20, 10 - , hetgeen
een groot man niet past (Maimonides). Ontlastende omstandigheid:
volgens velen speelt deze scene zich na bijna veertig jaar woestijn
af. Een geheel nieuwe generatie is opgegroeid. Maar nog steeds
gedraagt het volk zich morrend, ongelovig en weerspannig; mag
een leider dan niet eens ongeduldig en boos zijn? Antwoord is,
hoe groter de man, hoe hoger de lat, dus nee. Maar dan nog lijkt
de straf toch excessief.
De
diepere grond van de ontzegging aan Mosjé en zijn broeder
om hun volk het beloofde land in te leiden moet gezocht worden
in de redegeving door de Eeuwige in 20, 12: …omdat jullie ‘mij
niet geheiligd hebben in de ogen van de kinderen van Israël'.
Mosjé en ook Aharon hebben het waterwonder voor zích
gehouden. Ze hebben niet aan het volk duidelijk gemaakt, dat het
wonder van De Ene afkomstig was en zij slechts het instrument
waren. Zo hebben zij de gelegenheid gemist om het volk te onderwijzen
en het godsgeloof te versterken, maar, integendeel, ze hebben
er zodoende eraan bijgedragen – wellicht ongewild - , dat het
volk hén als de wonderdoeners zouden gaan beschouwen, sterker
nog, het volk zou in de verleiding komen de persoon van Mosjé
te gaan vergoddelijken, geheel in strijd met zijn eigen boodschap
en met de hele strekking van de Tora. Daarom is – afgezien van
dat naar menselijke maat Mosjé en zijn broeder op dit moment
al zeer oude mannen zijn - het beter dat zij niet langer het volk
leiden.
Zelfs de grootste profeet Mosjé heeft zijn feilbaarheden.
Hij wilde een heilig man zijn en een heilig volk leiden, maar
ook zijn heiligheid heeft zijn grenzen. Samen met zijn nog lang
niet heilig geworden generatie gaat ook hij – misschien als laatste
– heen, voordat het heilig land wordt binnengetrokken. De kapitein
die met zijn schip ondergaat.
Wat als Mosjé zijn eigen grootheid had getranscendeerd
en zelfs in Meriwa zijn geduld had bewaard en zijn spiritueel
leiderschap had getoond? Had hij dan wel het volk het land binnengeleid?
Had hij dan werkelijke heiligheid bereikt? Had Israël hem
dan gevolgd in zijn voortreffelijk voorbeeld en het land zonder
bloedvergieten gewonnen? Was niet lang daarna het zwaard omgesmeed
tot ploegschaar? Had Mosjé dan het domein van de onsterfelijkheid
betreden?
Juli
8, RobC
parasja
Korach
Mozes versus Korach, de visie van Martin Buber
Het
verhaal van de opstand van Korach blijft tamelijk raadselachtig;
wie komt nu tegen wat in opstand. Het lijkt een opstand van (een
deel van) de levieten om het priesterschap. Buber ziet in zijn
boek over Mozes, wanneer hij de lagen afpelt, als kern van het
verhaal een opstand tegen het gezag van Mozes.
Een opstand tegen het gezag van Mozes, niet als priester, want
hij is geen priester al gaat hij voor in rituele handelingen;
ook niet tegen Mozes als profeet, want daarvoor is hij teveel
ook volksleider. Mozes is niet te vangen als priester-profeet,
hij is buiten categorie; het gaat om zijn "theo-politieke" leiderschap.
Korach en zijn volgelingen verzetten zich tegen het leiderschap
van één man, een leiderschap dat zich uitoefent
in naam van God; ze komen er tegen op dat die ene man dan in Gods
naam beslist wat recht en onrecht is.
Korach lijkt een sterk argument te hebben; het op het eerste gezicht
aansprekende argument van Korach, dat deze aan Mozes zelf ontleent,
is: als het gaat om een Heilige gemeenschap
(eda kadosj , dat volgens Buber een ouder goj kadosj
dekt), dan is niemand daarboven verheven, ook Mozes niet.
Heiligheid,
wat is dat? Korach zegt met een nomadische onafhankelijkheidsdrift,
iedereen is heilig, er is geen autoriteit, want iedereen is het,
niemand kan een ander iets opleggen.
Die redenering gaat op zolang ieder door de ware geest Gods geinspireerd
blijft.
Dat is natuurlijk nooit het geval.
Daarom - aldus Buber - is er een uitverkorene nodig, die het instrument
is om door te geven wat God welgevallig is en wat niet, wat blijvend
recht en wet is. Niet iedereen kan gelijkelijk uitverkorene zijn,
omdat er dan geen sprake kan zijn van recht en wet.
Anders is een continuïteit van de heerschappij van God onmogelijk.
Korach
lijkt een punt te hebben, want recht en wet - in dit geval onthuld
door de bemiddeling van Mozes - zullen op den duur de geinspireerde
geest, waarmee zij ooit gegeven zijn, voor het volk verliezen.
Het is onvermijdelijk proces.
Waar Korach niet aan toekomt is het inzicht, dat wet en recht
steeds "moet onderduiken in het verterende en louterende vuur
van de geest" om zich te vernieuwen.
Korach ervaart alleen de dwang en denkt dat zijn vrijheid en zijn
geest in het gedrang komen. Hij denkt dat een individuele en anarchistische
vrijheid, onder de noemer van heiligheid, daarvoor in de plaats
kan komen.
Buber signaleert een fundamentele tragiek: de twee richtingen
die de mens kan kiezen
vanuit zijn wil om niet onderworpen te zijn aan anderen, maar
onafhankelijk - iets wat met name bij nomaden zo sterk het geval
is.
De keuze is dan: om of zich absolúút over te geven,
niet aan een andere mens, maar aan God, óf de weerspannigheid
daartegen en de overgave van de mens aan zijn eigenzinnigheid
en zijn pogen dit als het religieus juiste of zelfs als het heilige
te voelen.
Deze tragiek moet Mozes diep gevoeld hebben, hij, die weg naar
God bood, de weg naar een heilig volk te zijn, een volk van "priesters
en profeten", een weg zonder dwang, in alle vrijwilligheid te
betreden, ten opzichte van Korach die weg afwees ten gunste van
de dwaalweg van de schijn-heiligheid van het autonome ik. Buber
ziet dat wat Korach wil vereren als de vermomde, zo geliefde en
mystieke Baäl.
En wat moet het bij Mozes diep ingesneden hebben om hen, de volksgenoten
die in hem niet de Godsman meer konden zien en die - uit nijd
of machtshonger of door welk motief ook
bezield - de door hem geziene koers van Israël in levensgevaar
brachten, om die volksgenoten letterlijk te gronde te moeten zien
gaan.
Op het moment van het horen van Korach's opstandige woorden 'viel
hij neer', in een ondeelbaar moment moet hij de rampzalige gevolgen
hebben voorvoeld.
Buber benadert deze geschiedenis sterk vanuit het Mozaisch idealisme.
Wat hij hier niet zo benadrukt is dat ook het volk steeds weer
de stap moest doen om Mozes ook te erkennen, in hem te geloven
als de unieke middelaar van Gods woord; m.a.w. om achter de leider
en de machtsuitoefenaar steeds de uitzonderlijke, geinspireerde
Godsman te zien.
Freud
(in zijn boek over Mozes en het monotheïsme) lanceerde in
zijn psychoanalytisch redeneren de veronderstelling, dat Mozes
zulk een onverbiddellijke autoriteit was en zoveel tegenstand
opriep, dat hij waarschijnlijk wel een keer door het volk, dat
letterlijk en figuurlijk niet meer met hem mee wilde gaan, is
omgebracht; in de loop van de daarop volgende eeuwen zou dit dan
uit een diep schuldgevoel verdrongen zijn geworden en in de overgeleverde
verhalen weggepoetst.
Als we in ons in deze - natuurlijk uiterst speculatieve psychologische
en niet theologische - theorie verplaatsen en erin meeredeneren,
zou de opstand van Korach zo'n gebeurtenis kunnen zijn geweest.
Het was immers een moment van grote crisis. Twee jaar lang was
het volk opgetrokken in de veronderstelling, ja in het heilige
geloof, dat de intocht in het beloofde land nu nabij was.
De inlichtingen over de geduchtheid van de bevolking van dat land,
en het besef dat het volk van Israël moreel bij lange na
niet en militair waarschijnlijk ook voorlopig nog lang niet opgewassen
was tegen de strijd moet een hevige deceptie hebben veroorzaakt
en moeten hebben geschud aan de fundamenten van Mozes' gezag.
Als we nog even een stukje verder met Freuds redeneringen meegaan,
dan zou Korach misschien wel de overwinnaar zijn geweest en het
volk zou zich ondergedompeld hebben in het gangbare semitische
godendom; pas veel later zouden dan de geestelijk veel hoogstaander
Mozaische idealen weer uit het volks-onbewuste omhoog zijn gekomen
en is uiteindelijk toch, veel later dus, een dan glorieuze en
glanzende Mozes de uiteindelijke overwinnaar gebleken. Aldus Freud.
We geven de theorie voor wat hij is.
Wij houden het bij de heilsgeschiedenis zoals hij in de Tora tot
ons is gekomen.
Een samenvatting van de boeken van Freud en Buber over Mozes is
te lezen op de website van Rob Cassuto op de pagina's die beginnen
met http://www.robcassuto.com/Mozes.html
RobC Juni 29
tip van de week voor Talmoed studie: hoe onthaast je en deel je
je tijd het beste in?
Lees wat Rabbi Judith Abrams zegt n.a.v. de passage B. Avodah
Zarah 3b http://www.maqom.com/current.html
parasja
Beha'alotcha: tussen haakjes
gesproken tekst
(correctie: de parasha staat in Numeri/Bemidbar)
BEHA'ALOT'CHA: tussen haakjes voor een andere uitleg klik hier In de parasja Behalot'cha nadert de vorming van de uit Egypte uitgetrokken volksmassa van een jaar geleden de voltooiing tot een goed georganiseerde en geïnspireerde gemeenschap.
De openbaring van de Ene op de Sinai heeft plaatsgevonden, de belangrijkste geboden zijn gegeven, het weerbare manvolk is geteld, het kampement georganiseerd, de marsorde bepaald en last but not least, de Tabernakel is gemaakt en de levietendienst nauw omschreven. De laatste bepalingen omtrent de Levieten staan in deze parasja. Nadat de uittocht voor de eerste keer is herdacht is het volk klaar om verder te trekken.
Bij lezing van een aantal commentaren ontdekte ik dat hier in de Tora een cruciaal wendingspunt is genaderd, Wat is er aan de hand?
Het gaat om de verzen 10, 35 en 36.
vers 35 ”Wanneer de ark op het punt stond op te trekken zei Mosjé: ‘Op, Eeuwige, laat uw vijanden verstrooid worden en die U haten voor U op de vlucht slaan.' (ook gezongen tijdens de Toradienst) vers 36 En als hij op een rustpunt kwam zei hij: ‘Keer terug, Eeuwige, temidden van de tienduizenden van Jisraël. ‘”
In de Tora-rol (de 'seifer Tora'), maar ook in de hebreeuwse boektekst van de Tora (de z.g. Choemasj) staan deze woorden apart gesteld, als het ware omhaakt door de hebreeuwse letters ‘noen' met omgekeerde vlaggetjes. Dat is nooit zomaar. Waarom is dat?
Verklaringen in de Talmoed bereiden ons een verrassing: de twee verzen staan eigenlijk nog niet op de juiste plaats, sterker nog ze vormen samen een apart boek! Goed beschouwd bestaat de Tora dan uit 7 boeken, waarbij Bemidbar gezien kan worden als uitgesplitst in 3 boeken, deel 1, deze verzen en dan wat daat verder nog op volgt als deel 3.
Bekomen van de schok vragen we ons af: een apart boek, goed, dat nemen we maar even aan in het besef dat het niet gaat om een definitieve herindeling, maar om de betekenis die het wil uitdragen, waarom een apart boek?
Rav Yosef Soloveitchik reconstrueerde een verrassende verklaring, waar ik in de weergave van R. Ari Kahn uit put.
Als het volk voor de eerste keer na de Sinai gaat optrekken zegt Mosjé (tegen de zoon van zijn schoonvader): “We staan op het punt te vertrekken naar de plaats waarvan de Ene heeft gezegd: die wil Ik jullie geven…” (10, 29). Mosjé verkeert in de veronderstelling dat de kinderen van Jisraël op het punt staan het beloofde land binnen te trekken en in bezit te nemen.
Maar dat zal niet gebeuren.
Eigenlijk is het eerste vers, (10, 35), de oproep die Mosjé zou hebben uitgesproken bij het voorgenomen binnentrekken van het land en het tweede vers, (10, 36), de oproep aan het slot van de vreedzame inbezitneming, die daarop zou zijn gevolgd.
Maar deze zegevierende opmars, die op het punt stond te gebeuren gaat niet door.
Want wat gebeurt er niet lang na het moment van dit vers? De geschiedenis met de verspieders (verhaald in de volgende parasja Sjelach). Vele jaren van omzwervingen en afdwalingen volgen.
Als merkteken van deze noodlottige wending heeft de goddelijke inspiratie de schrijver deze verzen binnen de haken doen plaatsen, als reminder voor wat had kúnnen gebeuren.
Maar waarom dit dan een apart boek genoemd? De Talmoed zegt: Dit stuk plaatste G-d tussen symbolen boven en beneden ... want het telt als een belangrijk boek op zichzelf (Talmud, Shabbat 115b). Het is een onvoltooid boek. Het Boek van de Bestemming van het Joodse Volk. Het boek dat nog steeds wacht om tussen begin- en eindzin geschreven en voltooid te worden. De omgekeerde noens herinneren er ons aan dat temidden van verwarrende omzwervingen en ondanks alle afdwalingen die bestemming nog op vervulling wacht.
Ik voeg er nog dit aan toe: voor mij wekt deze passage met zijn uitleg een groot besef van de complexiteit van het historisch proces, waarin ik zo vaak, ieder zo vaak, wij als volk Israëls al zo lang en soms schijnbaar hopeloos in verwikkeld zijn, maar toch: een proces waarin we steeds de oren willen spitsen om iets op te vangen van de grote ademtocht van een bestemming en een opdracht.
Een Messiaanse roep, waarzonder we toch eigenlijk niet willen en kunnen.
Rob Cassuto juni 16 2005
Beha'alot'cha, een andere uitleg
De haken van de omgekeerde noens hebben ook nog aanleiding gegeven tot een diepzinnige andere uitleg, die ik aantrof bij R. Simon Jacobson en die ik voorzover mogelijk kort zal proberen weer te geven. In feite is die uitleg een verdere verdieping van het voorgaande.
Een fascinerende verklaring gaf de Rebbe Rashab ongeveer honderd jaar geleden.
De twee haken vormen wanneer men ze samenvoegt het beeld van een vierkant. Dat vierkant symboliseert het 'vierkante kleed' van het mysterie van het bestaan.
In de woorden van het kabbalistische werk 'Emek Hamelech' :
'Dit kleed bergt het geheim van het vierkant en de sluit-mem [ ], omdat het kleed vierkant is en zich dan deelt in twee en twee noens wordt, en dit zijn de twee noens, die geschreven zijn in het stuk ”Wanneer de ark op het punt stond op te trekken", welke noens gevormd zijn als een open omgekeerde noen ... Dit betekent een groot geheim: ieder die dit stuk dagelijks met de gepaste kavana leest, zal niet gekwetst worden, zelfs als hij een reis onderneemt naar een plaats van dieven, op zee reist of naar een andere gevaarlijke plaats gaat. Zolang hij de twee bovenvermelde noens, die verwijzen naar de twee helften van het kleed, voor ogen houdt. Dat is het geheim van Mosjé's gebed ‘Op, Eeuwige, laat uw vijanden verstrooid worden en die U haten voor U op de vlucht slaan.' en ook de Rashbi zei dat "het uitnemen van de Sefer Tora in het openbaar de poorten van de compassie opent, reden waarom we deze bede uitspreken als de Heilige Arke wordt geopend."'
Het bedoelde kleed kan je je voorstellen als een prachtig tapijt, dat zowel verbergt als onthult. Een kleed dat iets zeer diepgaands en intiems zowel verbergt als openbaart. Dit kleed is gemaakt van twee helften, de ene helft heel doorschijnend, de andere ondoorzichtig. De kabbalisten gebruiken dit beeld om de overgang begrijpelijk te maken tussen onze dagelijkse realiteit en de diepere of hogere realiteit die achter het kleed of gordijn of sluier ligt.
Het kleed beschermt ons als het ware. Zouden we aan de stralende licht en de onbegrensde energie worden blootgesteld van deze hogere werkelijkheid dan zouden we niet kunnen bestaan, zouden we weggevaagd worden. In feite is ons bewustzijn een staat van verberging. Ons besef van 'ik ben' is alleen mogelijk dank zij de verhulling van energie. De paradox is dat werkelijke gewaarheid niet betrekking heeft op datgene is wat we kunnen vatten, maar op
datgene wat we niet kunnen vatten; wakker zijn betekent beseffen dat we in slaap zijn. Werkelijk gewaar zijn is dat we gewaar zijn van iets voorbij aan onze gewaarheid!
Het kleed sluit ons niet in een gevangenis. Als je goed kijkt zie je delicate patronen en subtiele figuren in het kleed. Die doen ons iets vermoeden van de ontzagwekkende processen achter dat schitterende doek. Het lokt ons om steeds naderbij te komen en het houdt ons ook op een afstand. Het werk van ons leven is om als het ware het licht van achter dat reuzegordijn in ons leven te krijgen, om de twee kanten met elkaar in verbinding te brengen.
In termen van dat levenslange proces rond het kleed, dat openbaart en verbergt, is de ruimte tussen de twee omgekeerde noens, zoals de Talmoed oppert, op te vatten als een apart boek, in deze uitleg het boek waarin het verhaal van ons eigen leven bezig is zich te schrijven.
Ook de Tora kan opgevat worden als een kleed, dat zowel een uiterlijke, geopenbaarde, exoterische dimensie heeft met zijn do's en don'ts, als ook een innerlijke verborgen dimensie, het licht. Het onmetelijke divine licht kan neerdalen omdat het zich hult, zich verpakt zou je bijna zeggen, in een kleed, de uiterlijke Tora en ruimer gezegd, de materiele schepping. Zoals de midrasj zegt, de Eeuwige hulde zich in een witte talliet, en men verwijst dan naar psalm 4 vers 2, in een mantel van licht bent U gehuld
De exoterische kant is de manifeste wereld met al zijn valkuilen, ontberingen, verleidingen, lusten en lasten. Die wereld is eindig. De buitenkant van de Tora voorziet ons van richtlijnen en mitswot om de woestijn door te trekken. De esoterische dimensie, de binnenkant reflecteert het oneindige licht, dat zonder omvatting van een kleed ons zou verpletteren. De witte talliet schijnt in zijn witheid stralend op en vertaalt als het ware voor beperkte schepselen die wij mensen zijn iets van het oneindige licht door. De uitdaging is niet te vluchten uit de manifeste wereld en zijn moeilijkheden van alledag, maar de woestijn binnen te gaan, te temmen en vruchtbaar te maken, contact zoekend en houdend met de bron van licht.
De twee omgekeerde noens vertellen eigenlijk dit verhaal: de reis van het licht naar en door onze wereld en de oproep om die wereld aan te gaan met een gezonde slagvaardigheid in de overtuiging dan gedragen te worden door een kracht die groter is dan en voorbij aan de eigen vermogens. De ene noen representeert de kant van het oneindige licht, de andere kant representeert deze manifeste materiele wereld. Samen omsluiten zij het boek van onze eigen reis waarin wij aan alle kanten geinvolveerd zijn in die manifeste wereld, maar niet in de macht zijn van die wereld
noot RC
Deze uitleg van Simon Jacobson doet denken aan de begrippen van Emmanuel Levinas: interioriteit (dat is dan juist de buitenkant van Tora en schepping) en exterioriteit (dat is dan juist de binnenkant van Tora en schepping, het aspect van de Oneindigheid).
Welhaast onvermijdelijk doemt ook de beroemde allegorie van Plato op van de mens, die in de grot alleen de silhouetten ziet van de divine ideaalvormen.
RC 13 juni 2009
parasja
Naso : de priesterzegen
gesproken tekst
Als
jongetje van zo'n jaar of twaalf ging ik naar de kerk, de protestante
kerk waarbij mijn vader zich had aangesloten. Ik herinner mij
van die diensten vooral hoe lang ze duurden.
Het eerste dat ik deed bij binnenkomst van de hoge bakstenen ruimte
was kijken naar het psalmen- en gezangenbord, hoeveel stond erop,
hoeveel lange verzen moesten wij doorwerken. Vervolgens schaamde
ik mij altijd een beetje over mijn vader, over hoe hard hij meezong
met het traag zich voortslepend gezang van de gemeente. En dan
de langdurige preek van de dominee; naarmate hij vorderde met
zijn preek probeerde ik verlangend aan de intonatie van zijn zinnen
af te leiden of hij aan het eind van zijn betoog was gekomen.
De dominee zond zijn kudde tenslotte naar huis met een zegenspreuk
die hij met geheven handen uitsprak. Die maakte toen op een of
andere manier enige indruk, ik was toch gevoelig voor de schoonheid
en verhevenheid van die woorden.
Het was de priesterzegen uit de parasja Naso, die ook in de protestante
kerk door de voorgangers wordt gebruikt.
Hij staat daar wat plotseling tussen alle ingewikkelde voorschriften
over de al dan niet overspelige vrouw (de z.g. Sota) – middeleeuws
aandoende bepalingen, waar wel mystieke uitleggingen voor zijn
gegeven – , het nazireeërschap – een soort monnikengelofte
die ook wel associaties oproepen met een kuur voor alcoholverslaving
- , en die lange opsomming van de gebrachte inwijdingsoffers voor
de tabernakel.
Opeens
staan daar die schone woorden, die al duizenden jaren worden uitgesproken
en vast wel nog duizenden jaren zullen meegaan:
'Zo moeten jullie (Aharon en zijn zonen) de kinderen van Israël
zegen door te zeggen:
“De
Eeuwige zal u zegenen en behoeden. De Eeuwige moge Zijn gelaat
over doen lichten en u Zijn gunst verlenen. De Eeuwige moge Zijn
gelaat naar u opgeheven houden en u vrede geven”. Zij zullen Mijn
naam op de kinderen van Israël leggen en Ik zal hen zegenen.'
(Bemidbar 6, 23-27).
Oude wijzen vroegen zich wie er nu zegent: zijn het de priesters
of is het de Eeuwige zelf?
De meeste commentatoren komen tot de logisch aandoende conclusie,
dat het de Eeuwige is die zegent maar Hij gebruikt de priesters
als medium. De gemeente roept de zegen van de Eeuwige af door
middel van het vocale instrument van de priesters (zo ongeveer
Hirsch, geciteerd bij Nechama
Leibowitz).
Zoals in het algemeen de Eeuwige de samenwerking met de mens nodig
heeft.
De commentatoren geven ook betekenis aan de volgorde van de respectievelijke ‘zegenzinnen'. Nechama Leibowitz noemt er een paar (heel kort
samengevat):
De Eeuwige zal u zegenen: slaat op (materieel) succes
en u behoeden: om gespaard te blijven voor rovers, diefstal e.d.
en niet af te dwalen van het juiste pad b.v. in zaken en Tora-studie.
gunst geven: meer in spiritueel opzicht.
Zijn gelaat naar u opgeheven houden en u vrede geven: dit is de
climax, vrede is een preconditie voor alles.
Nechama Leibowitz signaleert een opklimmende orde en toenemende
stuwing in de reeks zegeningen: materieel, dan spiritueel en de
combinatie van deze twee elementen in de vrede. Dat komt tot uiting
in taal en ritme. De eerste zin (in het Hebreeuws) bestaat uit
drie woorden, de tweede uit vijf en de derde uit zeven.
Voor mij hebben alle drie zinnen zowel een individuele als gemeenschapskant
en zowel een materiele ‘buitenkant' als een spirituele ‘binnenkant'.
Ze hebben een onvergelijkelijke en onvergankelijke poëzie
en kracht.
Het is in mijn beleving het hoogtepunt van de dienst, als ze worden
ze uitgesproken.
”Ja-eer Adonaj panav eleicha”, korter en intenser kan het niet.
Je kan het eigenlijk niet goed vertalen. De dominee zei altijd,
conform de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap van
1951: “De HERE doe zijn aangezicht over u lichten”. In de recente
nieuwe bijbelvertaling staat: “moge de HEER het licht van zijn
gelaat over u doen schijnen”. Dat vind ik toch minder. “De Eeuwige
zal u Zijn stralend gelaat toewenden” uit de in liberaaljoodse
kring gebruikte vertaling van Jitschak Dasberg haalt het ook niet
echt.
Laat de echte dichter-vertaler nog opstaan.
Rob Cassuto juni 10 '05
parasja
Bemidbar
Het bijbelboek Bemidbar – ‘in de woestijn' - , in de latijnse
benaming Numeri, begint met het gelijknamige hoofdstuk, parasja,
Bemidbar. De latijnse benaming Numeri wordt meteen duidelijk,
het begint met het gebod aan Mosjé voor een volkstelling.
Die wordt uitgebreid beschreven. Ieder stamhoofd of vorst, bij
name genoemd, moet de leden van zijn stam tellen, hij geeft dan
door aan Mosjé, hoeveel mannen van boven de twintig er
in zijn stam zijn. In totaal zijn er meer dan zeshonderdduizend
volwassen mannen.
Vervolgens worden de legergroepen bestaande uit verschillende
stammen behandeld en hoe zij om de tent der samenkomsten zullen
zijn gelegerd. Voor het eerst wordt de stam van Levi genoemd als
uitgezonderd van legerdienst: de Levieten zijn voortaan belast
met onderhoud en vervoer van de tabernakel en de eredienst. Uitvoerig
worden de taken van de verschillende levietengroepen beschreven.
In de volgende parasja, Naso, gaat dat door.
Het is nog relatief in het begin van de grote woestijntocht, de
tweede maand Iyar van het tweede jaar na de uittocht uit Egypte.
Totaal zijn er dan 603550 mannen. Veel later, jaren later, wordt
in het Bemidbar nog een keer een volkstelling vermeld, in de parasja
Pinchas, dan zijn het er 601730. De beschreven ontberingen hebben
blijkbaar hun tol geëist.
Het is duidelijk dat er sprake is van een grote logistieke operatie.
Er is nog geen veertigjarige opschorting van de intocht in het
beloofde land aan de orde en er is de militaire noodzaak de beschikbare
soldaten te inventariseren en het legerkamp te organiseren voor
de aanstaande eerste veroveringen.
Waarom
is deze volkstelling zo uitgebreid beschreven en opgenomen in
het verhaal van de Tora?
Met een beetje voorstellingsvermogen kom je al snel tot een historisch-psychologische
reden: de telling moet een ingrijpende gebeurtenis zijn geweest,
die een onuitwisbare indruk moet hebben gemaakt. Het moet een
onvergetelijk ritueel zijn geweest, dat een mijlpaal markeerde
in het proces van volkwording, in het door Mosje bekwaam gestuurde
proces van vorming van een semi-anarchistische volkszwerm tot
een georganiseerde en gestructureerde gemeenschap. Stel je voor:
die enorme massa mensen stamsgewijs opgesteld in een indrukwekkende
slagorde en de vorsten die bezig waren met het tellingsritueel,
misschien door middel van inzameling van fiches of munten of gebruikmakend
van al bestaande lijsten, de vorsten die dan daarna centraal bijeenkwamen
rond Mosjé en Aharon. Misschien werden de namen, of in
ieder geval het resultaten van de telling plechtig genoteerd op
papyrusrollen of kleitabletten en werden die dan door de Levieten
bewaard en meegevoerd en doorgegeven van generatie op generatie
als kostbare getuigenissen.
Maar in de Tora is een historische en psychologische reden nooit
voldoende verklaring.
De telling en het uitgebreide verslag ervan heeft een diepere
bedoeling.
Bijna
alle commentatoren zoeken die vooral in de nadruk, die het verslag
van de telling wil vestigen op het wonder van het bestaan van
Israël, gegroeid van ooit 70 immigranten in Egypte tot dit
omvangrijke volk.
Tegelijk wordt niet voorbijgegaan aan de individualiteit van ieder
en ieders unieke en onmisbare bijdrage; dit ligt besloten in de
formulering “naar het aantal ingeschreven namen, alle mannen,
hoofd voor hoofd” (Bemidbar 1, 2).
Dit wordt nog verder uitgewerkt – je kan zelfs zeggen: opgeheven
– door de Isbitzer Rebbe in zijn Tora commentaar ‘Living waters'
(Mei ha-sjiloach) dat ik af en toe ter hand waag te nemen: deze
neemt de vertaling “se'oe et rosj kol edat benee Jisraël”
(meestal vertaald in de trant van “verricht een telling onder
het volk Israël') letterlijk als: “richt óp het hoofd
van de gemeenschap van de kinderen Israëls” en hij zegt dan:
“Dit is de betekenis van “het aantal van de kinderen Israëls”:
dat ieder absoluut nodig is.
De grootheid van de Ene, gezegend zij Hij, wordt gezien in de
hele gemeenschap van Israël en als er ook maar één
lid van die gemeenschap mist dan mankeert er iets aan de samengesteldheid.
Het is alsof het beeld van de koning is samengesteld uit een mozaiek
van vele deeltjes en als er ook maar één deeltje
zou ontbreken, dan klopt het beeld van de koning niet. Op het
moment dat elk lid van Israël wordt geteld, dan is de Ene
in al zijn grootheid in hem, want iedere persoon van Israël
is een deel van de Ene, Hij zij gezegend. Dit is zoals geschreven
staat “want het deel van de Ene is zijn volk” (Dewariem 32, 9).
Ieder individu bezit een van de attributen van de Ene, gezegend
zij Hij, en op het moment dat hij wordt geteld is de Ene, Hij
zij gezegend, zelf aanwezig in dat attribuut dat hij bezit en
duidelijk is wat dan wordt geteld in de allerhoogste staat. Op
deze wijze heeft ieder lid van Israël een bijzondere staat
van verheven zijn” .
Zo wordt het tellen tot een totale erkenning van ieder mens en
van zijn onmisbaarheid, en tot een opwekking om naar zijn beste
mogelijkheden bij te dragen aan het geheel. Ieder telt mee.
Even terug naar de geschiedenis: de telling staat ook voor organisatie.
De bende wordt een gemeenschap. Je buigen voor de grotere organisatie,
die zich om je heen sluit. Voor de semi-anarchistische woestijn
nomaden zal dat niet zo gemakkelijk zijn geweest. Misschien zijn
tijdens die Mozaïsche telling ook al tegenkrachten gewekt,
die tot uiting kwamen in de latere opstand van Korach en de zijnen
tegen de autoriteit van Mosjé en zijn verordeningen.
Kent u ook iets van die rebelse kant: geteld worden is ook zichtbaar
zijn, je privacy bloot geven, de druk van autoriteit voelen. Als
achter die autoriteit niet een hoger geïnspireerd gezag en
een ethische gronding herkenbaar is kan geteld worden ook betekenen:
gemanipuleerd worden, overheerst worden, uitgebuit worden.
We kunnen niet zonder geteld te zijn door de Schepper, gezien
te zijn door het oog van de medemens die naar Zijn beeld is geschapen.
Maar we willen niet geteld zijn door de onderdrukker of de beul.
Aan
het eind van Leviticus oftewel in het hebreeuws Wajikra, staan
evenals aan het eind van Deuteronomium (Dewariem) een reeks zegeningen – ‘als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften
en ze houden en ze doen' – en daarna een reeks rampen, die zich
zullen voordoen, ‘als jullie niet naar mij luisteren en jullie
al deze voorschriften niet doen'.
Er
wordt wel gezegd dat deze passages slaan op de periode dat Israël
op het punt stond het beloofde land binnen te trekken en nog niet
het veertigjarig uitstel over zichzelf had afgeroepen. Opnieuw
worden dan na veertig jaar in Deuteronomium de zegeningen en rampspoedige
voorspellingen hernomen.
Eerst kort een paar Rabbijnse vragen.
Waarom zo kort over de zegeningen en zo lang en gedetailleerd
over de rampen?
Dat lijkt maar zo: de zegeningen worden meteen en in zijn geheel
genoten en de rampen worden geleidelijk gedoseerd en dus ook beschreven,
naarmate het volk koppig blijft in zijn weerspannigheid, ongehoorzaamheid
en afkeer.
Ook wordt gewezen op verschil in formulering van de precondities
voor zegen en ramp:
Voor zegen is het rechtstreeks en eenvoudig: ‘als jullie (Israël)
wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen'.
De precondities voor de rampen worden steeds in alle toonaarden
herhaald en gaan verder dan allen het niet houden van de voorschriften: ‘als jullie mijn wetten versmaden en van mijn voorschriften een
afkeer hebben etc.'
Aldus zeggen de oude wijzen: goed beschouwd weegt de maat van
goedheid van de Ene op tegen de maat van Zijn vergelding.
Een ander punt dat de oude commentatoren opviel was dat bij de
zegeningen het alleen gaat om materiële zegeningen als regen
op tijd, goede oogst etc. en niet om de beloning van spiritueel
geluk of zelfs een ‘aandeel in de komende wereld'.
Nachmanides zegt ongeveer: het voortleven van de ziel en zijn
vereniging met De Ene is de natuurlijke gang van zaken en behoeft
geen aparte vermelding, de in het vooruitzicht gestelde materiele
voorspoed en de voorspelde rampen zijn de eigenlijke wonderen
van Gods ingrijpen. Geen slecht idee: om de voorspoed waarin je
nu leeft te ervaren als een wonder.
Maimonides
stelt, dat het houden van de Tora en zijn voorschriften voorspoed
bewerkstelligt, maar dit is niet de eigenlijke beloning: de voorspoed,
materieel, qua gezondheid, stelt de mens in staat in actie en
Tora-studie kennis en wijsheid te verzamelen en deze wijsheid
garandeert hem een aandeel in de komende wereld, omgekeerd zijn
de rampen geen uiteindelijke straf, maar het afsnijden van het
voortleven van de ziel, omdat deze niet voldoende kennis en wijsheid
in zich heeft kunnen verkrijgen. Dit lijkt een beetje elitair:
wie geld, goed en gezondheid heeft heeft meteen een extra voordeel:
hij is in de gelegenheid – zij het met veel reflectie en studie
- zijn ziel het eeuwige leven te bezorgen.
Wat vinden wij nu van dit straf- en beloningsysteem, eventueel
dus in de verfijnde versie van Maimonides.
Punt een is, dat er een zekere logica in zit. Maar vooral op volksniveau,
op het niveau van een maatschappij of volksgemeenschap in zijn
geheel. Als het volk – het merendeel, Joden of niet-joden – goed
zorgt voor het land, de ouders en de ouderen, de weduwen en de
wezen, voor de dagloners (arbeiders), de vreemdelingen, rechtvaardigheid
betracht tegenover armen, overtreders, de medemens fatsoenlijk
behandelt en zelfs van hem houdt, en zich niet overgeeft aan allerlei
tovenarij, bijgeloof, en verzoening zoekt bij overtreding et cetera,
zal er een maatschappij zich vormen waarin vrede en voorspoed
zich kan nestelen, waar welvaart kan groeien. Het geldt niet voor
ieders individueel lot, het gaat om een overall tendens (de Tora
richt zich meestal tot het geheel, niet tot de enkeling).
Omgekeerd
zal een verwaarlozing en uitbuiting van land en medemens, onfatsoen,
uitspattingen, et cetera twist, op den duur opstand, op langere
duur oorlog en rampen uitlokken.
Het
verband is misschien niet zo lineair als de passages van deze
parasja suggereren, maar de trend is duidelijk. De geschiedenis
laat niet na de bewijzen te leveren, echt niet alleen voor het
Joodse volk, voor alle volken die door de geschiedenis heen hebben
bestaan en nog bestaan.
Al die gruwelen die in deze parasja met een bijna wellustige poëzie
worden beschreven hebben plaatsgevonden en vinden op sommige plekken
op deze wereld nog steeds plaats.
Het Joodse volk, het Am Jisraël, vormt echter wel het paradigma
van deze geschiedkundige wetmatigheid, die voor alle maatschappijen
geldt: onrechtvaardigheid, wreedheid, haat voor de naaste of de
vreemdeling, uitbuiting van medemens en natuur en herhaalde waarschuwingen
niet benutten voor ommekeer, veroorzaken op de lange duur twist,
oorlog en rampen, ook op ecologisch niveau.
Gaat
het dan om die mitswot, die 613 stuks met al hun rituele kanten,
als je die maar perfect houdt? De essentiële boodschappen
die uit de oude geschriften opklinkt – neem alleen al de tien
uitspraken en de voorschriften in Leviticus 19 – gaan over vrede,
compassie en rechtvaardigheid en de mogelijkheid van ommekeer
(tesjoewa).
In de Talmoed wordt gevraagd: waarom werd de Tweede Tempel verwoest,
waar toch Tora werd geleerd, mitzwot werden gedaan en goede daden?
Omdat er binnen redeloze haat (‘sinat chinam') was (Yoma
9B).
(In een recent artikel in de Jerusalem Post verzucht een schrijver: “ Stel dat het orthodoxe Jodendom zou doen wat het vroeger zelden
gedaan heeft en in een revolutionaire ommekeer de morele voorschriften
even hoog zou schatten als de rituele voorschriften.”)
Is de Eeuwige nu de Persoonlijke uitdeler van ramp en voorspoed?
Nee natuurlijk, Hij schept, werkt en vernietigt in en door de
mens, zijn duurzame regels kunnen niet zonder uitvoering door
de mens in wier geest en hart ze doorwerken of juist niet doordringen,
zelfs afkeer wekken. De mens roept zijn eigen voorspoed en zijn
eigen rampen over zich af. Een soort Joodse expressie van de wet
van karma.
Dat
laat onverlet, dat er een groot gebied van mysterie overblijft
en een sfeer van oncontroleerbaar noodlot onze geest blijft bezighouden.
Zoveel rampen aan Joodse gemeenschappen door andere groepen toegebracht
lijken zo door en door ‘onverdiend' in een theorie van beloning
en straf, zelfs wanneer men die opvat in de wat ruimere en minder
'schuldbeladen' idee van karma, het schijnbaar complexe weefwerk
van oorzaak en gevolg.
Zo letterlijk en lineair kan het allemaal niet bedoeld zijn.
Hebben de Israëlieten die rampen over zich zelf afgeroepen?
Of zijn zij op zijn minst ook de speelbal, of meer nog het mikpunt,
geweest van de goddeloosheid - letterlijk van God-losheid - van
de grotere gemeenschap waarin zij een plek meenden te hebben gevonden?
RC
290505
Parasja
Behar, het Joweel-jaar :
In
het Bijbelse boek "Leviticus" ofwel “Wajikra”, in het
hoofdstuk (parasja) dat wordt genoemd ‘Behar', wordt voorgeschreven,
dat na zes jaar bebouwing de akkers een jaar braak moeten liggen.
Dezelfde rust wordt voorgeschreven voor de wijngaard. Ook zal
men wat er opkomt niet inzamelen. Rijk en arm, mens en dier hebben
gelijkelijk toegang tot wat er te velde staat. Het moet een sabbatsjaar
zijn met volledige werkonthouding.
Na
49 jaren is het vijftigste jaar een jubeljaar; dat gaat nog verder,
ook land, dat de afgelopen 49 jaar is verkocht komt dan weer terug
bij de oorspronkelijke eigenaar en in de verkoopprijs wordt rekening
gehouden met de afstand in tijd tot het komende jubeljaar.
"Laat
dan in de zevende maand op de tiende van de maand bazuingeschal
weerklinken; op de Dag van de verzoening moet je de bazuin doen
schallen in heel jullie land. Geef het vijftigste jaar een bijzondere
wijding door in het land vrijheid af te kondigen voor al zijn
bewoners, een door de bazuin ingeluid jaar, een Joweel-jaar is
het en moet het voor jullie zijn; ieder moet dan terugkeren naar
zijn eigen grondbezit en ieder moet weer in zijn eigen familie
terugkomen"(Lev. 25, 9-10) en:
"want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners
zijn jullie bij Mij" ( Lev. 25,23)
Twee fundamentele boodschappen klinken voor mij in deze passages
door.
De eerste is: niets is permanent, zeker bezit niet.
We hebben ons bezit, onze eigendommen, wellicht ook ons lichaam
te leen, in beheer; onder deze passages bespeur ik een ondertoon
in de zin van: bezit of eigendom is een noodzakelijke illusie,
een onvermijdelijk maar noodzakelijk ‘onrecht' , dat wel eens
in de zoveel tijd doorgeprikt moet worden, weer moet worden rechtgezet.
Want het is alles “van Mij, want vreemdelingen en bijwoners zijn
jullie bij Mij".
In het rabbijnse Jodendom is de regeling allengs aangepast en
gemitigeerd.
Tegenwoordig hebben wij in onze wereld van kapitalisme en materialisme
bepalingen als deze ‘uitwendige' Joweel-regeling allang niet meer.
Maar in momenten van psychologische, filosofische of religieuze
bezinning kunnen we er niet onderuit: in existentiële zin
moeten we uiteindelijk alles weer teruggeven. Niet alleen de akker
na verloop van jaren tot het Joweel-jaar, maar na de ons toegemeten
tijd ook al ons bezit, ons lichaam, ons leven. Het zal geen toeval
zijn dat de “Joweel-tijd” 50 jaar is: als ik een akker koop in
mijn jeugd, kan ik er een leven lang op zaaien en van oogsten,
dan moet ik hem doen terugkeren naar zijn oorsprong.
De
tweede boodschap put uit deze oude bepalingen een utopisch moment:
Stel je voor, overal in het land klinkt het machtige geluid van
bazuinen, overweldigend kopergeschal, overal in stad en land te
horen; signaal van een fundamentele bevrijding, een jaar lang,
waarin knellende banden geslaakt worden, waar in een diep vertrouwen
de gangbare gedreven arbeid wordt gestaakt en men zich overgeeft
aan de gang der natuur. Wat er te velde staat is voor iedereen.
Weg schuttingen, heiningen. Allerlei in bijna een halve eeuw ontstane
complicaties worden weer ontrafeld. Het roept allerlei eschatologische
beelden op van een wereld van diepgaande vrede, verzoening en
viering. Imagine...
En stel, dat je het Joweel-jaar weer zou invoeren, b.v. alleen
voor de landbouw, het zou wellicht een ecologische zegen zijn
voor de geëxploiteerde grond. Of nog verder doorgevoerd,
alle schulden kwijtgescholden, ook aan de derde wereld.
Stel, dat je dat jubeljaar helemaal zou doorvoeren, alle omheiningen
van prive-bezitjes, ondernemingen weg; stel, dat er een grote
en edele geest over de planeet zou waaien: deze aarde is van allen; "want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners
zijn jullie bij Mij".
Stel je voor, - ondenkbaar, maar met utopische fantasie voorstelbaar
- hoe zou dat zijn; het lijkt wel totaal onhaalbaar, maar stel
je voor… Imagine
En
stel, dat je ook weer zeven maal zeven maal zeven jaar - 343 -
voorbij laat gaan en dan een soort ultiem jubeljaar instelt, dat
nog verder gaat. Hoe? fantaseer.
Dit
eschatologische beeld vind je terug in de Joodse mystiek in de
idee, dat na zes milennia een sabbath-milennium aanbreekt: de
messiaanse tijd. (zie b.v. iemand als R.
Avraham Sutton)
Maar even een stapje terug: Heilsverwachtingen, bewustzijn van
Nieuwe Tijden of Eindtijd, verwachting van Messiaskomsten of Christuswederkomsten
zijn, als ik het zo mag zeggen, van alle tijden. New Age fenomenen
alom. Enige alertheid is op zijn plaats.
Wat werkelijk nieuw is in dit tijdsgewricht, met welke specifieke
bewegingen zich mensheid en wereld nu wendt naar een werkelijke
Nieuwe Tijd, laten we dat niet te snel invullen en vastleggen;
laten we de diagnose van Nieuwe Tijdsfenomenen steeds open houden:
zoals we de bijbelse akker braak laten liggen, laat ons hart -
met de stevige grond van een geschiedenis en een traditie - open
blijven staan voor wat wérkelijk als nieuw, als helend,
als richtingwijzend onthuld wordt.
En hoe en waar en wanneer die Nieuwe of Messiaanse Tijd aanbreekt,
laten we dat niet te snel bepalen, zeker niet voor anderen. Laat
staan dat we handelen uit heilige overtuigingen dat die Messiaanse
Tijd de herbouw van de tempel in Jeruzalem zou moeten inhouden.
Als we ons kunnen onthouden van ideologisering en dogmatisering,
kunnen we ook de zuiverheid en afgestemdheid hebben om te weten
wat werkelijk de tekenen des tijds zijn.
En om te weten hoe wij misschien voor een schijnbaar nietig stukje
zelf een 'teken des tijds' kunnen zijn ....