to homepage Rob Cassuto                   to essays

Vele moderne en oude bijbelcommentatoren hebben hun commentaren op de Tora geschreven, vaak aan de hand van het hoofdstuk, dat die week in de synagoge wordt gelezen, de 'parasja van de week'; en iedere week worden er weer nieuwe commentaren gepubliceerd.
Bescheiden voeg ik mij - een beetje als goedwillende amateur - in het grote leger van deze commentatoren.
Steeds zal ik daarbij ernaar streven een eigen interpretatie of een persoonlijke noot toe te voegen. Dit alles vormt een goede aanleiding om de bijbel - speciaal dus de Tora - eindelijk eens goed, met respect voor de traditie, maar toch met nieuwe ogen te lezen. Als je wil, doe mee...

parsha of the week : Tradition is to deliver commentaries on the Tora chapter of the week and a host of ancient and modern scholars have done so. I humbly dare to add my own share,. This all to give myself an occasion and create a discipline to regularly close-read the Tora, with respect for tradition as well as with new eyes. If you like join me! The language, alas, is Dutch

 

Rosj Hasjana - Nitsaviem-Wajelech

In parasha Wajelech (hfst 31) staat de voorspelling dat het volk van Israël na de dood van Mosjé achter andere goden zal aanrennen en (NBV):

17 Dan zal ik in toorn tegen hen ontsteken, ik zal hen aan hun lot overlaten en me van hen afkeren. Wanneer ze zo kwetsbaar zijn geworden, zullen ze ten prooi vallen aan allerlei ellende en tegenspoed. Dan zullen ze zeggen: “Deze ellende overkomt ons zeker doordat onze goden ons verlaten hebben.” 18 Nee, ik ben het die zich van hen afkeert, omdat ze zoveel kwaad hebben gedaan en zich met andere goden hebben ingelaten.

Deze passage is een omschrijving van het Verborgen Aangezicht van God. Een hardvochtige en rechtlijnige passage
Steeds worstel ik met enerzijds de constatering dat zovelen van het volk van Israël, zovelen van de volkeren van deze wereld, zovelen zoveel ellende onder ons brengen. Ook ik als iemand die meestal langs de zijlijn staat heb mijn aandeeltje.
Anderzijds zijn er ook zoveel hoopvolle tekenen, zoveel goede initiatieven, zoveel ontluiking van goede intenties en goede daden.
De in Deuteronomium in zo grote getale uitgestorte voorzeggingen van rampen en vervloekingen ze lijken altijd wel te eniger tijd ergens ter wereld werkelijkheid te worden.
Ook in het laatste lied van Mosjé staat vol van de woede van de Eeuwige die op zijn ongehoorzame kinderen ontbrandt en met een literair welhaast wellustige pen (voorloper van Dante’s beeldende taferelen) worden voor de zoveelste keer allerlei bloedige scene’s geschilderd.
Steeds pepert de oude leider, die weldra het stokje moet overgeven, het zijn volk van Israël en ons in, hoe ongehoorzaam en verderfelijk wij zullen zijn.
Ja, nou weten we het wel, ben ik geneigd uit te roepen.

Daarom lijkt het alsof de zon even een straal van haar licht laat schijnen in een duister bewolkte hemel als we lezen in hfst 30 de regels over de Grote Terugkeer (Tesjoewa) (NBV):

1 Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de HEER, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt 2 en samen met uw kinderen naar de HEER, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, 3 dan zal de HEER, uw God, in uw lot een keer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen.

De uitleggers hebben verschillende verklaringen voor deze passage. Maar hij ademt wel de nabijheid van een Messiaanse tijd.De grote ommekeer is dat niet wat we in ons hart steeds wensen: dat een grote ommekeer in ons eigen leven zal plaatsvinden en iedere dag doen we onze geringe pogingen om dat naderbij te brengen. Laten we de kijker eens richten op het persoonlijk niveau van ons dagelijks leven.
De tijd tussen Rosh Hasjana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om Tesjoewa, een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen.

Een van de grote thema’s is vergeving. We vragen aan onze familieleden, vrienden, collega’s en misschien wel vijanden vergeving om wat we hun hebben aangedaan. En we smeken vergeving af aan de Altijdzijnde. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen naar aanleiding van wat ons door die anderen is aangedaan. Feitelijk is dit – het vergeven door mij aan anderen – toch ook een vorm van navolging van de Eeuwige (imitatio Dei). Mozes Cordovero heeft dit uitgewerkt in zijn ‘Palmboom van Devora’, waarin hij oproept tot een uiterste vergevingsgezindheid als navolging van de vergevingsgezindheid zoals die beschreven is als attribuut van de Eeuwige in Exodus 34:6,7, regels die wij deze dagen meerdere keren zingen.

Wat ons is aangedaan door anderen:
Dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen en collega’s.
”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door.
Een half leven lang kan je met wrok blijven rondlopen. Of de behandeling of daad aan jou gedaan inderdaad onterecht was of een projectie van jou naar aanleiding van eerdere misstanden, heel vaak komen door onze wrok, kwaadheid of door ons lijden terecht in een slachtofferpositie.
De pijn die eronder ligt schrikt ons af. Die zee van pijn, daar willen we niet aan.
Toch is dat nodig.
De fasering is: je losmaken van je wrok of lijden of boosheid, er op een afstand van gaan staan, dan schouwen in jezelf en de pijn aangaan. Want dan is er ruimte geschapen voor de volgende stap: voor vergeving van de ander. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen.
Die ander hoeft het niet eens te weten, dat je hebt vergeven. Vergeven doe je voor jezelf in de eerste plaats en de anderen in je omgeving zullen er volop van mee profiteren, als jij je hebt ontdaan van een zware last. Je wordt een lichter mens en onbespreekbare zaken worden wellicht bespreekbaar.
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen om in jezelf te duiken en te kijken welke stukken van wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid er in jou schuilen, die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.

Tesjoewa is het thema van deze week waarin Rosj Hasjana valt en de Jamiem Noraiem beginnen.
Rosj Hasjana is de eerste dag, de dag waarop de Akedat Jitschak - de binding van Isaäk op het altaar - wordt gelezen.
Het verhaal begint met het strikte oordeel aan Avraham om zijn zoon te offeren. De maan is een smalle sikkel, Rosj Chodesj. Alles staat in het teken van de sefira Gewoera, gestrengheid, oordeel. Maar als Jitschak op het hout ligt, gebiedt de engel Avraham te stoppen. Het offer van zijn zoon hoeft niet. De maan gaat wassen. De sefira van Chesed – barmhartigheid, liefde, vergevingsgezindheid – krijgt de overhand.
Rob C.

Lesjana tova tikatvoe


Ki tavo

De parasha Ki Tavo beslaat Dewariem 26 – 29 :9.
De zesde alija (stuk dat de voor Toralezing opgeroepene leest) is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagoges is het gebruik dat degene die deze alija heeft bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als ware om “de goden niet te verzoeken”.
Want in dit stuk komt de lange reeks vervloekingen voor, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam ‘Tochacha' gekregen, berisping. Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere reeks staat al in Wajikra, in de parasha Bechoekotai.

Maar deze Tochacha in Dewariem is uitgebreider; ze zijn geteld al die vervloekingen, 98 zijn het er; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote vindingrijkheid en dramatische begaafdheid bij elkaar gezet en met een fantasierijke welhaast aan perversie grenzende beeldrijkdom geformuleerd, beschreven met een barokke literair begaafde pen. Lees de beschrijving van de ouders die in de belegerde stad het vlees van hun kind eten en de moeder, die de nageboorte in het geheim opeet. De bedoeling was waarschijnlijk om de toehoorders in die ongeduldige massa en de latere lezers van het moreel immer belaagde volk te imponeren, af te schrikken en te brengen tot navolging van de voor hun bestwil uitgevaardigde geboden.

Hoe vergeefs is deze afschrikking geweest.
In de formulering van vele van de vloeken ligt al welhaast de profetie van hun verwerkelijking besloten. Lees de indrukwekkende beschrijving van het volk Israël dat onder alle volkeren verspreid zal worden en geen verademing zal krijgen, dag en nacht door angst bevangen, omdat het leven niet zeker is. Ze zijn allemaal uitgekomen. Gruwel je eerst van de beelden, even later besef je dat ze allemaal gerealiseerd zijn geweest (en eigenlijk nog steeds worden gerealiseerd op vele plekken van deze wereld).
Er is wel gezegd, dat die eerste Tochacha in Wajikra betrekking had op de eerste verwoesting van de tempel en de ballingschap die daarop volgde. Deze reeksvervloekingen besluit met de voorzegging dat De Eeuwige zich weer het verbond zal herinneren en na 70 jaar kwam er inderdaad een einde aan de ballingschap. De tweede Tochacha zou dan slaan op de tweede verwoesting van de tempel en de daarop volgende diaspora. De reeks vervloekingen eindigt niet met troostvolle woorden en een happy end. Er is geen suggestie van tijdschema, waarna alles weer goed komt.

Rav Soloveitchik wijst erop in navolging van Maimonides, dat alleen teshoewa (ommekeer uit afdwalingen) tot verlossing uit de benarde omstandigheden kan leiden. Dat deze algehele teshoewa ooit zal plaatsvinden wordt voorzegd in de volgende parasha Nietsawiem (Dewariem 30: 1-10)

Natuurlijk rijst ook naar aanleiding van deze Tochacha en de bewoordingen waarin al deze vloeken zijn vervat de vraag: bewerkt De Eeuwige dit nu allemaal, nu eens als een milde vader die het goede kind zegent en dan – in de reeks vloeken – weer als de boze vader, die zijn slechte zonen met afschuwelijke straffen kastijdt?
De tijd om alle filosofische en theologische artikelen en boeken van velerlei gezindten over deze vraag naar Gods werkzaamheid ontbreekt mij en ik veroorloof mij spontaan – met in mijn achterhoofd het bescheiden bezinksel van de paar door mij gelezen regels hierover - het volgende te zeggen.

In moderne religieuze en geestesstromingen is het beeld van de gepersonifieerde God al lang verlaten. Het beeld van een belonende en straffende God is als het ware gedeconstrueerd. Dit is nog de nasleep van de ‘God is dood' geschriften van de zeventiger jaren.
Wat God wél is is onvatbaar – misschien wel op metafysisch niveau raakbaar - , maar één ding is duidelijk: als hij werkzaam is, is hij dat dóór de mens heen.
De mens is het instrument, waardoorheen de Goddelijke werkzaamheid gestalte wil krijgen en dan moeten we er meteen aan toevoegen: de mens in relatie en in het bijzonder de mens samen met zijn medemensen in gemeenschap. God kan zich openbaren als het diep geweten verlangen om naar het goede voor zich, de naaste en de gemeenschap te streven. Wat is het goede? Hierover gaat de Tora .
Als wij trachten de grondwaarden uit de vele regels en voorschriften en uit de overvloed aan epoch-gedateerde details te destilleren dan gaat het over zorg en liefde voor de naaste, het delen van voedsel en goed, wederzijdse hulp, niet achter afgoden (in de ruimste zin) aanrennen, rechtvaardigheid naar de naaste en in de gemeenschap, trouw en eerlijkheid, compassie met en goede daden voor de minder bedeelden en behoeftigen, zorg voor de natuur en de leefomgeving, e..d.

Het wonderlijke van de Tora is dat dit in deze vorm – zo lang geleden al – zo totaal en samenhangend aan Israël is geopenbaard. Het is eigenlijk een groot recept om als volk in welvaart, overvloed, blijdschap samen te zijn en te werken met een helder besef van de plaats in de kosmos en een gevoel van grote dank voor het leven.

Zo gezien is het niet God die buiten de mens om beloont en straft, maar de mens zelf: hij heeft het aan zichzelf te wijten of te danken. We kunnen dan een poging wagen de Tochacha te parafraseren in een modernere logica: een samenleving, waarin het recht wordt verlaten, waarin oneerlijkheid, leugen, corruptie, onbetrouwbaarheid, bandeloosheid, disrespect, liefdeloosheid de overhand krijgt is gedoemd af te glijden naar anarchie, armoede, geweld, in laatste instantie (burger)oorlog of die samenleving wordt de prooi van vergelijkbare of ergere verschrikkingen. De voorbeelden in onze wereld passeren dagelijks de revue van de media of (hopelijk niet) onze eigen ervaring.
Deze waarheid kreeg Israël al in het begin van haar verbondsbestaan met de Eeuwige voorgeschoteld, onder andere in de specifieke vorm van de Tochacha.
In die vorm valt op, dat de toegesprokene het individu is, jij. Maar een jij binnen de volksgemeenschap. Dat wil zeggen dat ieder zijn verantwoordelijk heeft gesteld gekregen om zijn bijdrage te hebben aan het wel en wee van zijn samenleving.
Maar daarmee ook meedeelt in dat wel en wee. In die zin gaat het reilen en zeilen van de samenleving boven hem uit. Wij zijn afhankelijk van elkaars goede wil die bijdrage te leven en te leveren. Die ene rechtvaardige in een gemeenschap waar de waarden van rechtvaardigheid en compassie door een kritische massa van kwaadwillenden wordt genegeerd zal worden meegesleept in het afgeroepen onheil ondanks zijn rechtvaardigheid. Immers het verval en de ellende in de samenleving treft veelal de gemeenschap met man en muis. Dit maakt de verantwoordelijkheid van het individu om naar zijn beste kwaliteiten aan de gemeenschap bij te dragen juist extra groot. De rechtvaardige tilt zijn gemeenschap op, maar de verkeerd gerichten halen de gemeenschap naar beneden en kunnen hem in een neerwaartse spiraal brengen. En omgekeerd.

Blijft nog de grote vraag rond de Shoa: als het geen straf van God is, hebben de Joden dan dit aan zichzelf te danken?
Nee. Hier is iets anders aan de hand. Onze geneigdheid dit in verklaringen te willen vatten moeten we laten rusten.
Een gepast zwijgen is hier op zijn plaats.
Alleen dit: de Shoah is een gebeuren geweest in Europa, temidden van andere volken. Ook voor die volken gelden de universele basiswaarden, die de Tora doordesemen. Een groot deel van die volkeren hebben zelfs als Christenen de tien woorden (geboden) expliciet omarmd en de leer van liefde en compassie van de Jood Jezus. Waarom zou het principe van de Tochacha - dat bij veronachtzaming, ontkenning van basiswaarden, zoals ze hierboven zijn aangeduid, bij verval van maatschappelijke ordening, rampen en ellende het gevolg is - niet gelden?
Wat ik hiermee wil zeggen is dat het gebeuren van de Shoah niet een gebeuren is dat geïsoleerd als een lot van alleen het Joodse volk moet worden gezien.
De schuld ligt niet bij de Joden, ze zijn niet schuldig ondanks enkele extreme rabbijnse opvattingen die anders preken. Verder laat ik de ontelbare grote vragen hieromtrent open.

RobC 29 sept.

Ki tetsé

Dit hoofdstuk, Dewariem/Deuteronomium 21:10 tot 26, is één van die parasjot, die bij mij als kind van de moderniteit een mengsel oproepen van weerstand en verwondering. Verwondering over de verlichte passages. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen.

Weerstand tegen de bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. Afkeer van de wrede, disproportionele sancties.

Natuurlijk, het zijn maatregelen van voor die tijd ongekend progressieve strekking om de anarchistische massa bedding te geven en om de relaties te ordenen.
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen drieduizend jaar geleden geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her.
Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft iedere generatie: wat moeten we er in Gods naam toch mee? Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van de inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het moment ervan af schudden.

Ik wil dit eens proberen rond één van de meest confronterende bepalingen, die in Dewariem 25: 11-12. Die luidt:

11. Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, 12 . dan moet haar hand worden afgehakt; toon geen medelijden.

Zo op het eerste gezicht wil je dit niet eens gelezen hebben. Een vechtpartij, waarbij de vrouw opkomt voor haar man en, misschien in een emotie van verontwaardiging of wanhoop de vijand van haar echtgenoot bij zijn geslacht grijpt. Dat moet ze bekopen met de afhakking van de delinquente hand. We kunnen dit rustig terzijde schuiven en dat doet Rasji dan ook voor het deel van de sanctie in zoverre, dat hij – ondanks dat er staat ‘geen medelijden te tonen' – de afhakking verstaat als een financiële sanctie, een boete.

Maar laten we eens dieper kijken en proberen te begrijpen, waarom deze bepaling is geschreven, vanuit een verstaan van hoe in de Tora aangekeken wordt tegen seksualiteit in het algemeen en de schaamdelen van man en vrouw in het bijzonder.

Voorlopig wil ik dat doen vanuit een min of meer cultureel-antropologisch perspectief, gebruikmakend van de verhandeling hierover in het boek “Eros and the Jews” van David Biale.
Het valt dan op dat de Tora seksualiteit (een begrip dat pas in de 19 e eeuw C.E. ingang heeft gevonden)- op te vatten als bron van menselijke actie en begeerte, als erotiek - amper kent.

Daarentegen valt het accent zwaar op de procreatie en het weten omtrent de voortbrenging van nageslacht. Het begint al in het begin, in Bereshiet: De Eeuwige schept de mens naar zijn beeld en in het volgende vers al luidt het: weest vruchtbaar, vermeerdert je.
Een enigszins erotische bijbetekenis zou men kunnen zien in het lovende vers dat Adam toezingt aan zijn pasgeschapen vrouw in Bereshiet 2: 23. Veelzeggend is de mededeling daarop, dat zij naakt (‘aroemiem') waren, maar zich niet voor elkaar schaamden.

Maar die onschuld omtrent de naaktheid zal niet blijven. In het daaropvolgend gebeuren geschiedt er iets ingrijpends: door het eten van de boom van kennis van goed en kwaad worden man en vrouw zich bewust van de naaktheid, die zij vervolgens bedekken. Kennelijk heeft goed en kwaad te maken met bewustheid van naaktheid.
Zonder nu uitgebreid in te gaan op alle aspecten van bewustheid van goed en kwaad waag ik te poneren, dat het mede gaat om het weten omtrent de voortbrenging, anders gezegd, dat zij ontdekten “waar de kinderen vandaan kwamen” en dat hun naaktheid prominent toonde, welke delen van hun lichaam betrokken waren bij die voortbrenging.
Hun naaktheid was niet langer meer een esthetisch of sensueel gegeven, maar beladen met diep ingrijpende consequenties, met de immense mogelijkheid, maar ook verantwoording nieuw leven te kunnen scheppen.
Het roept bij mij het vermoeden op, dat in deze oerscene misschien wel een herinnering van de mensheid resoneert; ooit zal in de oertijd een groepje mensen tot de verbijsterende ontdekking zijn gekomen dat hun geslachtsdaad kinderen tot gevolg had (tot voor heel kort wisten de bewoners van de Trobriand eilanden bij Nieuw Guinea dit nog niet). Ook ieder kind maakt deze oerscene een keertje op microniveau door.

Het is niet zomaar een weten, dat Adam en Eva overkomt, het is een heilig weten, een diep lotsbepalend inzicht, dat in het proces van de schepping besloten liggend eens moest opduiken. In Bereshiet 3: 22 staat een monoloog van De Eeuwige:
“Zie, de mens is geworden tot één van Ons doordat hij weet van goed en kwaad”.
Ook in dit opzicht is de mens naar Gods beeld geschapen.Tegelijk betekent deze heilige wetenschap dat man en vrouw het paradijs van de onschuld zullen moeten verlaten.
Dit weten omtrent procreatie en vruchtbaarheid is bij vrijwel alle volken een intens onderwerp geworden van taboe, rituelen, religieuze ceremonies, magische handelingen en overtuigingen.
Het kenmerkende van de voorschriften van de Tora – in die zin is het een verlicht document – is dat alle vormen van ritualisering, van pogingen om seksualiteit, erotiek, vruchtbaarheid te trekken in de sfeer van godsdienstige praktijken en religieuze verering strikt worden verboden; in zekere zin zou je kunnen zeggen dat seksualiteit en erotiek worden ‘geseculariseerd'. Een van de redenen waarom vermenging met de religieuze praktijken van de volken van Kenaän zo wordt verketterd.

De erotiek met al zijn sensualiteit en verleiding tot ritualisering wordt in de niet-religieuze wereld getrokken, maar niet de procreatieve daad zelf; die wordt het onderwerp van vele voorschriften (en ook verhalen, te beginnen met Sara's onvruchtbaarheid)
Zoals gezegd heeft hiermee te maken de primordiale schaamte omtrent de naaktheid, die Adam en Eva al hebben ervaren. We vinden hem ook terug in de scène van de dronken Noach, die brutaal in zijn naaktheid wordt gezien door zijn zoon Cham. Die naaktheid is natuurlijk schaamtevol, omdat Cham zicht had op het geslacht van zijn vader, waaruit hij zich voortgekomen wist.

De schaamte moet berusten op de diepe en heilige verwondering omtrent de procreatieve macht van de seksuele organen, die zich uitstrekt tot hun vloeibare afscheidingen, die van de man, zijn zaad, en die van de vrouw, de menstruele afscheiding. Vandaar, dat die organen en hun vloeistoffen omgeven zijn geraakt met een reeks van taboeïserende voorschriften, die tot taak hebben hun scheppende kracht zuiver te houden en te respecteren. Tegelijk wordt daarmee de procreatie, de voortbrenging van nageslacht gagarandeerd.
Alles wat afwijkt van de gerichte aanwending van die scheppende eros tot procreatie van legitiem nageslacht, zoals masturbatie, homoseksualiteit, incest e.d. staat gelijk aan belediging van de oerfunctie van de seksuele organen en is in laatste instantie in die zienswijze op te vatten als het in gevaar brengen van de overlevingskracht van het volk. Een overtuiging die nog steeds doorklinkt in b.v. de opvattingen in vele vormen van orthodox jodendom, de islam en de katholieke kerk. Dat de sancties in de Tora niet mis te verstaan zijn wijst op de intense irrationele fundering van deze overtuigingen.

Nu wordt wel duidelijk waarom de bepaling omtrent de vrouw, die het geslacht van de vijand van haar man aanraakt, er staat. Het gaat niet om zomaar een brutaliteit, een schandalige daad.
De daad van de vrouw - gezien tegen deze achtergrond - raakt de betrokken man in zijn elementaire waardigheid als voortbrenger van nageslacht, of sterker nog waarschijnlijk, ontneemt hem zijn kracht en vruchtbaarheid; of zijn mannelijke macht wordt op zijn minst onzuiver gemaakt en aangetast.

Deze en dergelijke bepalingen, die omhuld zijn met de striktheid van het taboe, zijn uiteindelijk ontsproten aan het heilig ontzag voor het raadsel van de voortbrenging. Het raadsel dat gedeeltelijk geweten is geworden, maar voor een ander deel gehuld blijft in het mysterie, het mysterie dat het Scheppend principe gekozen heeft voor procreatie, voortzetting van het leven, op de manier, waarop het gebeurt: door geboorte en dood, met daartussen in de vereniging van een man en een vrouw in de lustvolle geslachtsdaad. Dit heilig ontzag vertaalt zich op het niveau van de beleving onder meer in: de schaamte.

Nu heeft de wetenschap veel van het proces van procreatie onthuld; het hoe – en binnen dit hoe het waarom – is en wordt steeds preciezer beschreven. Veel volksgeloof omtrent over de condities van vruchtbaarheid, die deels aan de taboesfeer zijn ontsproten zijn of kunnen worden afgeschaft. De wrede en soms kapitale sancties die de Tora geeft hebben geen plaats meer. Maar aan het fundamentele raadsel van de voortbrenging doen ook de moderne wetenschappelijke inzichten en verlichte ideeën naar mijn idee niks af. Voor de schaamte rond de naaktheid is nog alle reden.

Natuurlijk heeft de schaamte in de loop der eeuwen zijn rigide vormen gekregen, is geïnstitutionaliseerd tot een rigide bastion, in Nederland bijvoorbeeld in een kleinburgerlijk calvimisme of katholieke preutsheid. Ook het Jodendom heeft daaraan deelgehad.
In de zestiger jaren is dat bastion door mijn generatie behoorlijk gesloopt, tot op zekere hoogte een verfrissende reactie. Ook ik heb daar in volle overtuiging aan meegedaan (al was ik niet eens zo succesvol in de uitvoering van het programma van de bandeloosheid).
De schaamte is in de zeventiger jaren verder helemaal overboord gezet.

Nu moet ik constateren, dat onze maatschappij daarin veel te ver is doorgeschoten. Het ouderwetse woord bandeloosheid – dat als je het hoort het moderne hoofd grinnikend doet afwenden – dekt toch wel heel goed de lading, als je het woord ontleedt: zonder banden, zonder binding.
De schaamte is lastig, als je het hebt moet de therapeut het maar helpen afslijpen. De schaamte is versleten, verouderd, overbodig. Overal schreeuwt de naaktheid je toe. De naaktheid is een consumptieartikel geworden. Reclame in de media, series op de buis hebben de naaktheid tot middel gemaakt. Het meest grof is de ongevraagde porno, waarmee je af en toe wordt geconfronteerd, met name op de buis. De naaktheid (en met name dus de schaamdelen, die daarin impliciet verwezen of expliciet geprononceerd worden) is schaamteloos geworden. Dit is slecht, bijna in de zin van het Tora-woord voor slecht: rasha.

Het is tijd om de schaamte weer in te voeren.
Niet door terug te gaan naar de bekrompen wereld van de kleinburgerlijke preutsheid van vroeger, naar de kwezels die met hel en verdoemenis zwaaien.
Niet terug naar vroeger, maar naar een herbezinning op en omarming van de authentieke schaamte, die een menselijke behoefte is, die nu verdrongen en met de voeten getreden wordt.

NB: Ik las laatst tot mijn verrassing een column van Arnon Grunberg, die op geestige wijze hier ook voor pleitte.

RC 18 sept. '05

Shoftiem

In deze parasha worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël.
Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak, bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen.
Heftig veroordeeld worden dwaalwegen: wichelarij, waarzeggerij, tovenarij. Wie kan je wel vertrouwen? Een profeet. Wie is een profeet: hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt.
Er staan regels van oorlogvoering, een combinatie van mildheid (op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse hardheid: de wrede sancties, waar wij officieel niet meer achter staan (al komen ze nog iedere dag voor).

De parasha start met voorschriften rond recht en rechtvaardigheid, Dewariem 18-20:
Rechtvaardigheid is de hoeksteen van alle verdere regelingen van de samenleving.
Stel rechters aan die rechtspreken volgens miesjpat-tsedek. Buig het recht niet om, wees niet partijdig, laat je niet omkopen.
In ons solide Nederland lijkt het zo goed voor elkaar, maar zie eens de terechte verontrusting en verontwaardiging als het vermoeden is gewekt dat het Openbaar Ministerie bewijs niet volledig zou hebben verstrekt aan de rechters, met name aanwijzingen op grond van DNA sporen, in de zaak van de Schiedammer parkmoord.
De maatschappij staat of valt met een stabiel rechtssysteem en een integere rechtspraak; niet voor niets luidt Dewariem 20: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, opdat je zal leven en het land zal bezitten.

We gaan dieper in op deze uitspraak .
Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, tsedek, tsedek tirdof.
Waarom staat er tweemaal tsedek?
De Dasberg vertaling luidt: 'Alleen maar rechtvaardigheid moet je nastreven.' Dit doet de herhaling geen recht en is ook niet helemaal juist, lijkt mij.
Rasji beschouwt deze zin als geschreven voor de procesvoerders en leest erin: zoek het best denkbare college op, het beste 'beit din'.
Op zich spreekt dat wel aan: voor jouw zaak wil je de beste advocaten en de beste rechters, voor jouw operatie het beste ziekenhuis.
Maar met alle respect voor de heldere en nuchtere Middeleeuwse meester: er zit in dit tsedek tsedek tirdof toch méér.

Dit citaat, uit de Talmoed, Sanhedrin 32b vond ik en werpt een origineel licht:
(vertaald uit het engels)
Er is geleerd: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zal je nastreven.
De eerste rechtvaardigheid duidt op een beslissing gebaseerd op het strikte recht.
De tweede rechtvaardigheid duidt op een compromis. Hoe dat zo?
Als twee boten elkaar op de rivier tegenkomen en ze allebei tegelijk willen passeren zullen allebei zinken.
Als er een ruimte maakt voor de ander kunnen ze beiden verder.
Evenzo als twee kamelen elkaar ontmoeten bij het beklimmen van de helling naar Beth Horon.
Als ze beiden tegelijk willen klimmen, zullen ze vallen. Maar als de een na de ander klimt, kunnen ze beiden veilig naar boven. Hoe moet dat dan? Als de één is beladen en de ander onbeladen, moet de laatste de een voor laten gaan. Als de één dichter bij huis is dan de ander, moet de eerste de laatste voor laten gaan. Als ze allebei even ver van huis zijn, maak dan een compromis, waarbij degene die voorgaat de ander compenseert.”

Wat deze passage onder meer goed illustreert is dat rechtvaardigheid een essentiële waarde is, die zijn oorsprong vindt in de menselijke ontmoeting. Rechtvaardigheid ontstaat in relatie en maakt haar ook mogelijk.
De kapiteins op de twee boten en de twee kamelendrijvers kunnen of alleen vóór zich zelf gaan of oog hebben voor elkaars belang. Ze moeten elkaar letterlijk in de ogen hebben gezien en hebben gesproken en misschien hebben ze een gebaar gemaakt, signalen gewisself; ze hebben iets afgesproken.
Allang geleden is ons samenleven geformaliseerd in een sociaal contract en een rechtssysteem, maar daar houdt het natuurlijk niet op; ook daarbuiten ons is ons samenleven doortokken van de opdracht rechtvaardigheid na te streven.

Zonder rechtvaardigheid kan het samenleven met elkaar niet bestaan, veilig zijn en niet tot bloei komen. Rechtvaardigheid heft ons op uit het geweld, de anarchie, de willekeur, de chaos, in zekere zin de hel zou je kunnen zeggen.
Misschien kunnen we meegaan met Levinas en ik waag mijn poging tot begrip van deze moeilijke maar essentiële en intense Joodse filosoof onder deze woorden te vatten:
Rechtvaardigheid gaat vooraf aan alle filosofie en wetenschap; het is niet het product van rationeel overleg of de conclusie van een gedegen sociale analyse. Het gaat daar aan vooraf. Als ik afzie van mijn vruchteloze pogingen de wereld en de ander te domineren, te manipuleren en te controleren dan komt de rechtvaardigheid mij tegemoet uit het gelaat van mijn naaste als een onontkoombaar appel, zeg maar een gebod.
Daar - op dat tussenmenselijke veld - begint het uiteindelijk allemaal.

Zoiets bespeur ik ook in de woorden Tsedek, Tsedek, die herhaling maakt deze uitspraak ook tot een dringend appel, zo moeten we het denk ik ook opvatten. Streef rechtvaardigheid na bóven alles. Als een van de weinige geboden vermeldt de uitspraak in Dewariem meteen een positieve consequentie, zeg maar voor het moment even: een beloning: zodat je zal leven en het land zal bezitten.
Als we het appel van de rechtvaardigheid niet horen, zal het uiteindelijk uitlopen op ontworteling, vervreemding, ontheemding, geweld, oorlog. En dat misschien van het meest innerlijke, persoonlijke niveau tot het maatschappelijke, zelfs internationale en mondiale niveau. Het geldt voor onze relaties, onze familie, voor Nederland, voor Israël, voor de wereld.

Ik kwam dit vers van Jesaja (32, 17-18) tegen, dat een gelijke strekking heeft alleen met een meer profetische, zeg maar utopische aankleding:

Het gevolg van rechtvaardigheid zal vrede zijn en de uitwerking van rechtvaardigheid zal rust zijn en vrede voor altijd. En mijn volk zal wonen in oorden van vrede en in veilige woningen en op onbekommerde rustplaatsen.

Moge dat zo zijn en worden

Rob Cassuto 8 Augustus '05

re'é

In deze parsje houdt de Mosjé het vergaderde volk de keuze voor:
Enerzijds de zegen, als het volk de geboden volgt en met name geen afgoden dient. Dan volgen in dit hoofdstuk vele voorschriften, die de afgodendienst betreffen en de sancties daarop, maar ook de kasjroetvoorschriften worden weer genoemd, evenals de regels omtrent het sjmita-jaar en ook de drie perlgrimsfeesten passeren de revue en nog vele andere voorschriften, in deze en de andere parashot.
Anderzijds is er de vloek als het volk afdwaalt van de geboden. Uitgebreid zijn de meest wrede schilderingen – van ziekten, onderdrukking, marteling, natuurrampen, verbanning - te lezen in de parasja Ki Tavo.
De zegen wordt gelijkgesteld met leven en de vloek met dood (Deut. 30:19).
Om mijn commentaar vorm te geven over deze passages moet ik met mijzelf – en jullie als je wil – een aantal denkstappen ondernemen.

Stap een gaat over hoe de schepper in woorden te benaderen, in woorden die mij voor even kunnen helpen. Want woorden schieten per definitie te kort. De Schepper is de grootst (on)denkbare dimensie die het geschapene heeft opgeroepen en omvattend en scheppend doordraagt in een proces van welks doel wij geen notie hebben. Zodra een nanoseconde de Schepper dit dragen niet doet is er geen geschapene. In deze hoedanigheid is de schepper voor ons mensen het volstrekt andere, hij is transcendent. Een persoonlijk voornaamwoord (hij, zij, het) doet al af aan zijn onmetelijke en onpersoonlijke oneindigheid. Hij is voor ons onzichtbaar achter de gemanifesteerde wereld verborgen.

Wij mensen vragen echter een “gezicht”, we zoeken een doorgang naar de transcendentie en roepen de vorm te hulp. We zoeken het gezicht van de Schepper.
We trachten aan het transcendente te raken en ons voorrecht als mensen is dat we dat af en toe kunnen. Omdat de Schepper in het proces van scheppen is verwikkeld en betrokken (zich erin ‘geïnvesteerd” heeft) zijn er tekenen van zijn doorstraling te vinden.

Wij mensen zijn zo geschapen dat die tekenen kunnen ontwaren. We kunnen in de schepping die kant zien die schepper naar ons toegewend heeft, zijn “ gezicht”, dat echter alleen gelezen kan worden – uiteraard – met menselijke middelen.
Dit gezicht is voor het Joodse volk een Joods gezicht.
Aan andere volken en andere groepen heeft hij een ander gezicht getoond, dat andere trekken vertoonde. Ook hier zijn goede en wijze zaken uit voortgevloeid evenals duistere.
Maar zoals alle gezichten toch gezichten zijn, omdat ze de constituerende kenmerken vertonen, die tot gezicht maken, kunnen we misschien nu en in de toekomst steeds meer het universele in die gezichten zien.

Als mensen trachten wij het gezicht van de Schepper te lezen met menselijke middelen, dat kan uiteraard niet anders.
Dit lezen heeft vele vormen en één van die vormen is het luisteren naar de openbarende stem die daalt in het innerlijk. Een ander middel is het geschonken zicht op wat achter de dingen schuilt. Omdat het lezen gebeurt met de beperkte en eindige middelen (het oor en het oog in de meest uitgebreide ook metaforische zin) is de perceptie van de Schepper en Zijn wil per definitie onvolmaakt. Vele grillige vervormingen doen zich voor, beïnvloed door de beperkingen van ons bevattingsvermogen, de materialiteit van ons waarnemingsvermogen, de gelocaliseerdheid op plaats en in cultuur en tijd, de begeerten van het ego , de psychologische geschiedenis in groep en gezin en vele andere factoren.
Wel lijkt er een soort evolutie ingebouwd in de schepselen inzake de gradatie van helderheid van die perceptie.

Met name vijfendertighonderd, drieduizend jaar geleden werden trekken van de Schepper helderder gezien door Joden, te beginnen met Abraham. Gezien werd dat er één scheppend principe is en dat die Schepper één is en niet gelocaliseerd kan worden in stoffelijke objecten(afgoden, magie); daarnaast werd verstaan, dat met de Schepper intrinsiek verbonden is een opgave om met elkaar om te gaan op een zorgvolle, rechtvaardige en liefdevolle manier en niet vanuit louter egoïstische of instinctieve impulsen. De kern werd vastgelegd in de meerduidige tekens van het woord, in taal en idioom van die tijd.

Deze wonderbaarlijke en revolutionaire onthullingen werden begrepen in de specifiek Joodse vormen en ingebed in de cultuur van die tijd, waarvan de typische taal, de vele rituele voorschriften (b.v. de dierenoffers), de sociaal-culturelevoorschriften (b.v. rond man-vrouw verhoudingen) getuigen. De essentie staat majestueus overeind in
de Tien Uitspraken en vele andere uitspraken (b.v, in Leviticus 19), die de historische en sociaalculturele context hebben ontstegen; het is de grote gift van het Jodendom aan de mensheid, doorklinkend in het beste deel van het Christendom en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Het is die essentie van zorg, rechtvaardigheid en liefdevolheid voor de medemensen, die, als hij in de samenleving regel is en geen uitzondering, welzijn en voorspoed garandeert; als dit geen regel is dan is de kiem gelegd voor anarchie, geweld, vernietiging en oorlog. Dat is denk ik de essentie van de keuze die in deze parasja wordt voorgelegd. De rampen brengt de Eeuwige niet eigenhandig over de mensen, daar zorgen ze zelf voor.
De geschiedenis van het Joodse volk laat een dramatische worsteling zien met de grote inzichten die het ten deel is gevallen en de keuze die hen steeds wordt voorgehouden.
Maar geldt de grote keuze in zijn kernachtige inhoud niet voor alle mensen, Joden of niet-Joden? Israël is in die zin een paradigma voor de mensheid als geheel.

De specifieke vormen van de voorschriften, wier precieze nakoming ook in vorm en detail wordt gevorderd, zijn alleen van belang als ze de realisatie van de essentiele inhoud dienen; iedere generatie heeft het recht die sociaal-culturele vormen en versieringen te toetsen, te waarderen en eventueel te veranderen of weg te laten. Traditie en geaccepteerd leiderschap zijn daarbij onmisbaar.
De panische angst om de vorm-details precies op te vatten en uit te voeren kan het zicht op de essentie verduisteren en de rampzalige verdeeldheid onder mensen, die het heil zoeken, alleen maar bevorderen.

Rob C. aug. 2006

Ekev
(Dewariem | Deuteronomium 7:12 – 11:26 )

herverteld
In deze parasha hervertelt Mosjé een aantal van de wonderlijke gebeurtenissen uit de omzwervingen in de Sinaj om het volk ontzag en gehoorzaamheid in te prenten. Hij brengt het manna in herinnering.
Zelfs zegt de oude leider: veertig jaar lang raakten jullie kleren niet versleten en zwollen jullie voeten niet op (Deut. 8:4).
Waarover de beroemde middeleeuwse commentator Rasji met een verrassende poëzie zegt:
´de wolken van Goddelijke glorie wreven het roet van hun goed en streken ze als gestreken klederen; en tegelijk dat hun kinderen groeiden, groeiden hun kleren met hen mee, zoals de bedekking van de slak (zijn huis) met hem meegroeit´ (in de Eng. vertaling op www.tachash.org).
In geuren en kleuren beschrijft Mosjé het wonderbaarlijke gebeuren op de Sinaj; de eerste twee tafelen, de afval bij het gouden kalf, de door Mosjé bewerkte vergiffenis door de Eeuwige.

historiciteit
Even een paar woorden over de historiciteit van het hele gebeuren, de uittocht uit Egypte, de wondere wetgeving op de berg, de latere veertigjarige omzwerving. Velen - onlangs op TV nog schrijver Leon de Winter – refereren eraan, dat archeologisch praktisch geen bewijs bestaat van al deze dingen en dat het verblijf in Egypte en uittocht en omzwerving zeer waarschijnlijk nooit hebben plaatsgevonden. Is dat een argument om de Tora terzijde kunnen te schuiven?
De Tora kunnen we benaderen op verschillend niveau. Als geschiedschrift, historisch verslag. Of als letterlijke Goddelijke openbaring.
Of als een zeer bijzonder fenomeen dat zich aan categorisering onttrekt.
Het is een neerslag van zeer bijzondere gebeurtenissen en wonderlijke openbaringen die in de mist van de tijden hebben plaatsgevonden en die in eeuwen zijn samengeboetseerd tot wat het nu is. Martin Buber zegt in deze trant in zijn boek over Mosjé, dat de het bijbelverhaal
is op te vatten als een soort sage, niet echter als een verheerlijking achteraf maar als de neerslag van een organische herinnering. Belangrijk is om in te zien, dat de kern van de sage wordt gevormd door het enthousiasme van een overweldigende aan het volk overkomen gebeurtenis en dit enthousiasme, dat aanleiding gaf tor de herinneringen die de sage vormden, is wel degelijk een deel van de geschiedenis: de ervaring van gebeurtenissen als wonder is geschiedenis in het groot en vanuit geschiedenis te begrijpen en in historische samenhang in te passen. Zo zijn de gebeurtenissen rond de Sinai niet de historisering van de mythe maar veelmeer een mythisering van de historie.

brokstukken
Na die eerste zondeval van het gouden kalf gaat Mosjé weer de berg op, op 18 Tammoez, rekent Rasji uit. Veertig dagen van smeekbeden volgen. Dan 29 Av krijgt Mosjé de opdracht twee nieuwe stenen tafelen uit te hakken en weer veertig dagen volgen op de berg en op 10 Tisjri volgt de algehele vergiffenis van zonde van het volk, mede waarom dan op die datum Jom Kipoer valt.
De meeste betreffende passages, met name die in Dewariem, vermelden De Eeuwige als de beschrijver van de tafelen. Maar in Sjemot 34:28 staat: hij, d.w.z. Mosjé schreef. Als we het dan over historiciteit hebben, dan lijkt dat het waarschijnlijkste: een geïnspireerde profeet met een geleide hand.
De tweede editie van de tafelen wordt gelegd in de ark van Mosjé; de definitieve ark zal – als we de gegevens logisch bij elkaar voegen – later worden vervaardigd door Betsalel.
Wat gebeurde er met de brokken van de stukgegooide tafelen?
Volgens de midrasj (verhalen en uitleggingen rond de Tora) werden die ook bewaard.
Ze zouden, toen de defintieve ark klaar was, in die eerste ark van Mosjé worden bewaard. Maar volgens anderen werden ze samen met de hele tafelen in de ark van de tabernakel gelegd en de ark van Mosjé werd buiten gebruik gesteld.

volmaaktheid
Misschien mogen we zeggen in termen van de sage: De Eeuwige schreef de eerste versie van de twee stenen tafelen. Deze versie was te hoog, te hemels voor de mensen. Nog lager in de stof moesten de voorschriften dalen om begrepen en uitgevoerd te worden. Verloren is de eerste volmaakte versie. De volmaaktheid moest gebroken worden om in deze wereld te kunnen bestaan. Mosjé beitelde de tweede versie uit zijn goddelijk geïnspireerde herinnering op de stenen tafels. Daarmee konden de mensen vooruit.
En het was nog moeilijk genoeg.
” Straks brengt de HEER, uw God, u naar een goed land, een land van beken, bronnen en waterstromen, die ontspringen in de valleien en op de bergen, een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappelbomen, een land van olijven en honing, een land waar u niet slechts schamel brood zult eten, maar waar het u aan niets zal ontbreken, een land waar u ijzer vindt in het gesteente en waar u koper delft uit de bergen. Wanneer u daar in overvloed leeft, dank de HEER, uw God, dan voor het goede land dat hij u gegeven heeft.”
zegt Dewariem 8: 7—11. Maar dit zo wonderlijk goede, vruchtbare en rijke land zou nog een gebied vol voetangels en valkuilen blijken.

De gebroken tafelen
De gebroken tafelen werden ook in de ark meegevoerd.
Voorzover ze symbool waren van alles dat stuk was,
van alles dat was verloren,
waren ze de wet van de gebroken dingen,
van het blad in een storm van de steel gescheurd,
een wang ooit aangeraakt in liefde
voor wiens naam nu is vergeten.
Hoe moeten ze op weg hebben gerammeld en gekletterd,
al werden ze nog zo omzichtig door de woestijn gevoerd,
hoe moeten ze hebben gerammeld tot de stukken
in stukken braken, tot de randen zacht weren
en verkruimelden, stof zich verzamelde op de bodem van de ark,
schimmen van oude letters, oude wetten. Voorzover
een gebroken wet nog wordt herinnerd
werden deze wetten gehoorzaamd. En voorzover herinnering
het patroon van gebroken dingen bewaart
werden deze stukjes steen bewaard
door vele reizen en dagen van verwoesting heen
tot zelfs, zeggen ze, in het beloofde land

(gedicht van Rodger Kamenetz, schrijver van o.a. The Jew in the Lotus)

wa’etchanan*

het boek Dewariem

Wa-etchanan is de tweede parasha van het boek Dewariem, het vijfde boek van de Tora.
Qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd.

Een aantal hoofdbestanddelen kunnen worden onderscheiden:
+ Mozes recapituleert de laatste twee jaar van de omzwervingen, m.n. de oorlogen tegen Sichon en Og, Dewariem 1 – 4
+ de eigenlijke wetgeving, die begint met intensieve vermaningen tegen afgodendienst. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4 – 1 ,4 – 44, 5 – 1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid. Vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Dit gaat door tot 27.
+ capita selecta, waaronder de zegen en de vloek bij opvolging resp. verwaarlozing van de voorschriften, en het wijzen op de keuze die het volk steeds heeft. Dit besluit de toespraak van Mozes.
+ afsluiting met het afscheid van Mozes dat in verschillende toonaarden wordt beschreven, waaronder het ‘lied van Mozes', zijn zegenen van de stammen en zijn uiteindelijk dood op de berg Newo.

Een heel geloofwaardige hypothese stelt dat het boek Dewariem in zijn huidige vorm stamt uit de tijd van koning Josia. In Koningen 2: 22 wordt verhaald van het hervinden van een wetboek tijdens de restauratie van de tempel. De koning was geschokt toen hij het boek deed voorlezen en merkte hoe het volk van de voorschriften was afgedwaald. Maar misschien was hij eerst geschokt, heeft het vinden van de boek geënsceneerd en het is niet uitgesloten dat de koning eigenlijk het boek heeft doen samenstellen uit oudere overgeleverde fragmenten.
De maatregelen die Josia nam tegen de afgodendienst, de zuivering van de eredienst en de centralisatie van die dienst in Jeruzalem komen sterk overeen met de voorschriften daarover in Dewariem.

Rav lach – genoeg voor jou

Ook de parasha Wa-etchanan balt met dramatische woorden samen een aantal essenties van Israëls opdracht, zoals Mosjé die met nadruk en bij herhaling aan het volk voorhoudt. Centraal staat daarbij de steeds ingewreven waarschuwing tegen afgodendienst.

Maar de parasha begint met een heel menselijk gebeuren: Mosjé wil zo graag de Jordaan oversteken en het beloofde land betreden. Hij smeekt de Eeuwige. Maar hij mag niet. Aan zijn gebed wordt geen gehoor gegeven.
Zelfs de gebeden van een bijna volmaakt en heilig man als Moshé met zoveel ontelbare verdiensten worden niet verhoord. Hoe kan dat. Het heeft de Oude Wijzen veel hoofdbrekens gekost om verklaringen te vinden.
”Rav lach – Genoeg voor jou - , spreek mij er niet meer over” was het antwoord aan Moshé.

In de Talmoed in het tractaat Berachot wordt er wel op gewezen, dat Moshé weliswaar geen toestemming krijgt de Jordaan over te steken, maar hem wordt wel geopperd de berg Pisgah te betreden, zodat hij het land kan zíen. Zonder de smeekbeden had hij dat waarschijnlijk niet gedaan.

Maar toch. Waarom geen complete verhoring van de smeekbeden., waarvan er volgens de Midrasj wel 515 waren.
Volgens een plaats in de Talmoed (Rosh Hashana) is er een moment dat het oordeel over iemand onherroepelijk wordt. Berouw is dan niet meer effectief zeggen de Wijzen..
Tenminste voegt een ander commentaar toe: in déze wereld. Maar in de komende wereld kan het wel helpen, dat gebed en het berouw, om je toestand te verbeteren en te helen.
Dit bedoelt ook het commentaar van Rasji, als hij zegt over dat “Rav lach – Genoeg voor jou”, het betekent misschien ook: “Genoeg is er voor jou in de komende wereld, een heleboel goeds wacht daar voor jou”.

Volgens het commentaar van R. Ari Kahn is de functie van het gebed niet de Eeuwige ‘om te praten’ zodat hij zijn raadslagen verandert. Want God is onveranderlijk, Hij is altijd dezelfde. Het gebed wil de verloren verbondenheid met de Eeuwige herstellen, zodat de toestand van verwijderdheid, die onderwerp van het gebed is, b.v. ziekte, kan veranderen, c.q. herstellen.
In het geval van Mosjé was er geen sprake van een of andere gebrek of verkeerdheid.
Daarom ziet hij in het “Rav lach” de betekenis: laat de Shechina, de presentie van de Eeuwige, genoeg voor je zijn.

In de Zohar (in de versie op Kabbalah.com) staat bij deze passage:
’”En de Eeuwige zei mij, laat het voor jou genoeg zijn”(Dew. 3:26).
Rabbi Chiya zei, De Heilige, gezegend zij Hij, sprak tot Moshé, “Laat het voor jou voldoende zijn” d.w.z. je verenigd te hebben met de Shechina. Van nu af aan: “spreek niet meer”.
Rabbi Yitschak zei, “laat het voor jou voldoende zijn”, d.w.z. het licht van de zon; de maan kan niet schijnen totdat de zon is ingezameld. “Maar geef Josjoea orders, bemoedig hem en sterk hem” (Dew. 3:28). Jij die de zon bent zou de maan moeten verlichten. Zo leerden wij.’

Dat is een mooi beeld: de zon gaat onder, zijn tijd is gekomen, maar als de zon onder is, wil hij via de maan nog licht geven. Na zijn dood wil Mosjé, dat zijn licht temidden van het volk blijft schijnen.
Dringend is die zorg, want heen en weer geslingerd lijkt zijn gemoed. Hij is er niet zeker van dat het goed blijft gaan zonder zijn leiding. Het kan alleen als het volk zich steeds zijn wonderbaarlijke redding uit Egypte blijft herinneren en de openbaring van de Eeuwige bij de Sinaj en al de voorschriften en geboden die vanaf toen zijn gegegeven.
Het brengt de oude leider ertoe nog eens het indrukwekkend gebeuren bij de Chorew in herinnering te brengen, de berg met het laaiend vuur, duisternis, nevel en de stem zonder gestalte.
Hij herhaalt de tien uitspraken woordelijk. Luister goed, Israël, zegt hij steeds maar en in Dewarim 6: 10 begint de zesde alija met wat later de kern van het hoofdgebed ‘Sjema Jisraël’ - Hoor Israël - zal worden: de erkenning dat er maar één God is.

In de verzen 4:6-7 lijkt even een rijk toekomstperspectief geschilderd te zijn: wijs en verstandig zal het volk beschouwd worden in het oog van andere volken.
In 4:27-28 wordt een somberder perspectief geschetst: de verstrooiing wordt in één donkere pennestreek geschilderd. Alleen voor de weinige overgeblevenen worden redding en terugkeer voorzegd.
Mosjé kent zijn volk. “Want ik ken jullie weerspannigheid”, zegt hij zelf in Dew. 31:27 – “en hardnekkigheid; als jullie, toen ik dagelijks temidden van jullie leefde, al weerspannig waren tegen de Eeuwige, hoeveel te meer dan na mijn dood.”

Twee keer lijkt het er sterk op dat Mosjé zijn onmogelijkheid om het land te betreden wijt aan het weerspannige volk: “Om jullie (lema’anchem) bleef de Eeuwige boos op mij” (3.26)
En: “De Eeuwige werd door jullie daden (al-diwréchem) boos op mij” (4:21)
De vraag is: is hier sprake van verwijt (o zo menselijk begrijpelijk, maar minder heilig niveau) of van edelmoedig verantwoordelijkheid op zich nemen van het geheel (hoog niveau van heiligheid)

Ik moet zeggen dat Dewariem niet mijn meest geliefde boek is; er staan mij wel erg veel passages in waarin de liefde gepaard gaat met moeten, geboden, dreigingen, straffen, vervloekingen en donkere voorspellingen. Als Mosjé zegt: “Besef dan goed dat zoals een man zijn zoon tuchtigt zo tuchtigt de de Eeuwige, jullie G- d, jullie, vraag ik mij af op wie dat slaat:
Is dat eigenlijk niet Mosjé zelf , die zielsveel van zijn volk heeft gehouden maar heeft gemerkt, hoe hardleers en weerspannig de mens is? Is hí’j niet de strenge vader? Als instrument en tolk van de Schepper is hij tenslotte ook een mens.
Is het eigenlijk niet het leven en de wereld die een harde leerschool biedt. Als Schepper van het universum en creator van de wonderlijke, liefdevolle en tegelijk wrede wereld is Hij de gelegenheidgever. We kunnen kiezen voor (het verlangen naar ) het in relatie staan tot de G-d en
deel hebben aan de eindeloze gelegenheid om te veranderen en te groeien – en de Tora en zijn uitleggingen geven daar ook richting aan. De rampen en de ellende komen van zelf wel als wij en de maatschappij waarin we leven de relatie met G- d steeds maar afwijzen en alleen voor onze eigen onmiddellijke materiële bevrediging leven.

Maar misschien zeg dan in mijn eigen wat modernere woorden hetzelfde. Alleen zie ik De Eeuwige niet meer als een strenge Vader, die mooie beloningen van rijkdom en welvaart belooft en straffen van rampen en kwelling uitdeelt aan de ongehoorzamen. Dat beeld kunnen wij toch niet meer onderschrijven.
God is de Onmetelijke en Oneindige, ook in de voorraad mogelijkheden ten goede die ons in genade steeds wordt voorgehouden en waaruit we kunnen putten als we daar verbinding meemaken.

Ik besluit met een aardig citaat dat ik virtueel tegen het lijf liep op de aardige
site http://www.hoor-israel.org/ :

‘Het vers uit Spreuken 3:34 zegt: „Wie zich tot de spotters voelt aangetrokken, die zal spotten, maar wie tot de nederigen wordt aangetrokken, die zal gunst vinden.” Reisj Lakisj legt uit: wanneer iemand zich wil bevuilen, dan wordt hem daartoe de gelegenheid gegeven, maar als iemand zich wil reinigen, dan wordt hij geholpen door de Hemel [d.w.z. als iemand zich aangetrokken voelt om slechte dingen te doen, dan laat de Hemel hem zijn gang gaan, maar wie het goede zoekt, zal daarbij gesteund worden door de Hemel (Rasji)].
Wanneer een klant komt voor petroleum, dan mag de winkelier tegen hem zeggen dat de klant het zelf moet afmeten. [Zo komt de winkelier niet in contact met de onaangenaam ruikende petroleum.] Maar als een klant komt voor balsem, dan kan de winkelier zeggen dat hij het zelf wil afmeten, zodat ook hij lekker zal ruiken.
Zonden verstoppen het hart ‘
(Talmoed Joma 39)

Ook dit citaat is lezenswaardig en overdenkingswaardig:

Men is verplicht een beracha te zeggen over iets slechts, net zoals men een beracha zegt voor iets goeds, zoals er geschreven staat [Deut. 6:5]: „En je zult de Eeuwige je G-d liefhebben met heel je hart, met heel je ziel en met heel je vermogen. „Met heel je hart,” [dat wil zeggen] met alle twee je neigingen: je goede neiging en je slechte neiging; „en met heel je ziel,” [dat wil zeggen] zelfs al neemt Hij je leven; „en met heel je vermogen,” [dat wil zeggen] met al je geld, en een andere verklaring voor „ met heel je vermogen” is: met wat voor maat Hij je ook meet, je moet Hem steeds ten zeerste bedanken. (Berachot. misjna 5)



*in dit commentaar is dankbaar gebruik gemaakt van het commentaar op Aish.com van R. Ari Kahn

(Rob Cassuto 16 juli 2006)

Dewariem/Deuteronomium

Dewariem is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van een pentateuch en Dewariem is dan een tweede Tora en dat betekent de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet en Dewariem is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht.

En ook qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd.
Een aantal hoofdbestanddelen kunnen worden onderscheiden:

+ Mozes recapituleert de laatste twee jaar van de omzwervingen, m.n. de oorlogen tegen Sichon en Og, Dewariem 1 – 4

+ de eigenlijke wetgeving, die begint met intensieve vermaningen tegen afgodendienst. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4 – 1 ,4 – 44, 5 – 1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid. Vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Dit gaat door tot 27.

+ capita selecta, waaronder de zegen en de vloek bij opvolging resp. verwaarlozing van de voorschriften, en het wijzen op de keuze die het volk steeds heeft. Dit besluit de toespraak van Mozes.

+ afsluiting met het afscheid van Mozes dat in verschillende toonaarden wordt beschreven, waaronder het ‘lied van Mozes', zijn zegenen van de stammen en zijn uiteindelijk dood op de berg Newo.

Gewezen is op de vorm van een overeenkomst tussen G-d en het volk (covenant), dat het boek heeft, een introductie, inhoud en bezegeling met zegen of vloek.

Vanuit historisch oogpunt is interessant het verslag in 2 Koningen 22 over het hervinden van een wetboek tijdens de restauratie van de tempel tijdens de regering van de hervormingsgezinde koning Josia (plm. 700 voor de gebruikelijke jaartelling).

" De hogepriester Chilkia zei tegen hofschrijver Safan: ‘Ik heb hier in de tempel van de HEER een boekrol gevonden met de tekst van de wet.' Safan nam het boek in ontvangst en las het. Daarop ging hij terug naar de koning om verslag uit te brengen. Hij zei: ‘Uw dienaren hebben het zilver dat in de tempel bewaard wordt, te voorschijn gehaald en overhandigd aan de bouwmeesters die belast zijn met de herstelwerkzaamheden aan de tempel van de HEER .' Vervolgens vertelde hij dat de priester Chilkia hem een boekrol had gegeven, en hij begon de koning eruit voor te lezen. Bij het horen van de tekst van het wetboek scheurde de koning zijn kleren. Hij beval de priester Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Micha, de hofschrijver Safan en zijn persoonlijke dienaar Asaja: ‘Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de HEER raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de HEER is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.'"

De maatregelen die Josia nam tegen de afgodendienst, de zuivering van de eredienst en de centralisatie van die dienst in Jeruzalem komen sterk overeen met de voorschriften daarover in Dewariem.

Het is speculatie, maar ook weer niet uit te sluiten – met beroep op wat fantasie - , dat het boek de vrucht is van samenspel tussen Koning Josia en een aantal priesters vanuit een verlangen om de oude opdracht van Israël en de autonomie van het volk naar de machtige omliggende rijken nieuw leven in te blazen: Josia of zijn priesters zouden dan het boek, althans de kern van Dewariem, hebben samengesteld op basis van oudere teksten (deels uit de andere boeken); daarbij hebben zij Mosjé als spreker van de inhoud opgevoerd om het gezag te verlenen. Vervolgens hebben zij de dramatische ‘vondst' in de tempel geënsceneerd om zo indruk te maken op het volk en zijn bereidheid te wekken om de hervormingen te accepteren en een hernieuwd commitment aan de oude wetten aan te gaan.

Maar misschien heeft de hogepriester CHilkia wel echt oude rollen ontdekt en heeft dit de stoot geven tot de zuiverende renaissance van zijn koning.
Het hangt af van de mate van sophistication, die je de koning en zijn regering wil toedichten of de mate van wonderlijkheid, die je de realiteit toeschrijft, welke optiek je voorkeur heeft.
Misschien begint het met een wonderlijke realiteit die met sophistication wordt gehanteerd.

augustus 2005

Parasha Mas'é

Het hoofdstuk Mas'é (‘tochten, marsen') is het laatste hoofdstuk van het boek Bemidbar/Numeri.Het sluit het verhaal van de woestijntocht en de wetgeving rond het volk van Israël, dat is begonnen in Sjemot/Exodus en vervolgd in Wajikra/Leviticus, af. Het vierde boek Dewariem/Deuteronomium is eigenlijk een recapitulatie van de eerder drie boeken.

Mas'é begint met een uitputtende opsomming van de pleisterplaatsen, die de kinderen van Jisraël in hun veertig jaren hebben aangedaan. Op bevel van de Eeuwige – nu het einde van de lange reis is aangebroken – heeft Mosjé ze nu op een lange lijst genoteerd. Vervolgens komt de verdeling van het land Kena'an aan de orde, de grenzen worden globaal aangegeven, een ‘commissie van verdeling van het erfgoed' wordt aangewezen.
Dan worden bepalingen omtrent de Levieten en hun steden gegeven, 48 krijgen ze er, waarvan 6 steden asielsteden zullen zijn.
Het asiel-aspect geeft aanleiding tot een uitgebreid aantal bepalingen omtrent moord en doodslag en onder welke condities asiel bestaat en hoe dit verder in de praktijk uit te voeren. Wat opvalt is de rücksichtloosheid – in onze moderne ogen – van vele bepalingen. Tegelijk ontwaren we in deze regels, die in de tijd dat ze werden geconcipieerd, waarschijnlijk ongekend modern en menselijk waren, een zorgvuldige hand om een orde van rechtvaardigheid en symmetrie te waarborgen. Verder lezen we ook de fundamentele regel, dat men slechts mag terechtstellen op basis van getuigenverklaringen en dat één verklaring niet voldoende is. Op basis hiervan hebben de rabbijnen later een nadere bepalingen uitgewerkt, die terechtstellingen tot een zeer zeldzame gebeurtenis maakten.
Tenslotte krijgt het verhaal van de dochters van Tselofchad (Bemidbar 27) nog een staartje: ze mogen, nu er geen zonen zijn, wel van hun vader erven, maar het erfgoed moet binnen de stam blijven. Dus komt nu de nadere bepaling dat deze dochters, en andere dochters in hun situatie, wél moeten trouwen met mannen binnen de stam. Merkwaardig dat het grote epos en de imposante wetgeving besluit met deze casuïstiek.

Nog wat meer over de passage 33, 1-2, waarbij ik dankbaar gebruik maak van de overgeleverde uitspraken van de Isbitzer Rebbe, zoals die zijn neergelegd in het Tora-commentaar
Mei HaShiloach; ik doe niet veel meer dan zijn uitleg in een modern jasje weergeven.

De Isbitzer leest: “Dit zijn de tochten van de kinderen van Jisraël …..en Mosjé noteerde de vertrekpunten volgens
De Eeuwige en dit zijn de tochten volgens de vertrekpunten
”. (hij trekt dus het 'volgens De Eeuwige' bij 'vertrekpunten' i.t.t. de gebruikelijke opvatting het te trekken bij het opschrijven door Mosjé).
Waarom is deze bewoording rond die vertrekpunten twee keer gezegd, vraagt hij zich af? Eén keer met de toevoeging ‘volgens De Eeuwige' en één keer worden die vertrekpunten nog een keer genoemd zonder die toevoeging.

Het gaat om twee perspectieven.
De hele tocht met al zijn oponthouden, wisselvalligheden en beproevingen is een tocht waarin de mens getest wordt en de gelegenheid heeft tot spirituele groei te komen. Deze paradox doet zich dan voor:

Vanuit het perspectief van de Eeuwige die dit ‘parcours' als het ware heeft opgezet - ‘al-pi Hashem' - heeft toch in laatste instantie ieder mens evenveel waarde, heeft niemand enig voordeel boven de andere, en gaat de ene daad niet boven de andere, “want allen leven in een bestaan dat voortkomt uit Gods essentie”.
Deze ‘neutraliteit' van God maakt ook, dat, hoewel de Israëlieten evenals de Egyptenaren zondaren waren, het zuiver mededogen en genade is, dat Hij Israël verlossing bood. Ook tijdens de tocht met zijn beproevingen is ieder kind van Israël in vanuit Goddelijk perspectief goed, ‘OK', ‘good at their roots'.

Maar vanuit het tweede perspectief – ‘lemotsa'ehem' - , het perspectief van de mens moet die goedheid verworven worden door daden tijdens al die beproevingen gedurende de reis.

En dan nog deze vraag: waarom besluit de Tora – als je met velen de traditie volgt om Deuteronomium/Dewarim te beschouwen als een ‘tweede Tora' – met de herneming van het verhaal van de dochters van Tselofchad, eigenlijk een hele concrete casuïstiek?
Dat is – volgens de Isbitzer rebbe – om aan te tonen dat je de bepalingen van de Tora, steeds om uitwerking in concrete details vragen in het licht van de concrete situatie en van het bijzondere tijdsgewricht.

6 aug. ‘05

pijltje

Parasha Matot

In dit hoofdstuk wordt eerst het onderwerp van de gelofte en de eed behandeld. Speciale aandacht krijgt na omschrijving van het algemene voorschrift de gelofte of de eed die dochters en vrouwelijke echtgenoten doen ter onthouding van iets, waarbij uitgebreid omschreven wordt de macht van vaders en echtgenoten om op het moment van de gelofte of eed te berusten of hem teniet te doen.
In de daaropvolgende passages wordt de oorlog tegen Midjan verhaald – inclusief de dood van Bil'am – en vooral in het oog valt de uitgebreide behandeling van de reiniging van de bij het ombrengen van zoveel tegenstanders betrokken soldaten door offers en de gedetailleerde regeling van de verdeling van de buit; de slag met Midjan moet een historisch beslissende gebeurtenis zijn geweest die een gedetailleerde kroniek rechtvaardigde.

Tenslotte wordt veel aandacht gegeven aan het speciale verzoek van de stammen Reuven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen; na aanvankelijke aarzeling stemt Mosjé toe op voorwaarde dat de mannen wél deelnemen aan de verovering van het oorspronkelijk beloofde land.

Ik ga verder in op die eerste regels (30, 3) van deze parasha:
”Wanneer iemand een gelofte tegenover de Eeuwige doet of een eed aflegt om zich van iets te onthouden, laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen.”
Een man een man, een woord een woord. Dat vrouwen minder standvastig beoordeeld worden, min of meer als tegenwoordig in juridisch opzicht minderjarigen (30, 4 e.v.), en in veel gevallen door hun vader of man teruggefloten kunnen worden, daarover denken wij vele generaties later in grote getale anders over.

In het christelijke tweede testament wordt de eed of de gelofte als een overbodig of zelfs zondig instituut gezien; de woorden op zich moeten al bindende kracht moeten hebben en de eed is helemaal niet nodig, zie Jacobus 5, 12: Maar bovenal, broeders en zusters, zweer geen enkele eed, niet bij de hemel, niet bij de aarde, nergens bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u ervoor gestraft worden.

Los van de zinnigheid van Jacobus' oproep om consequent in woord en daad te zijn, we bespeuren in zijn woorden geen uitleg waarin gemotiveerd wordt waarom in sommige gevallen een geformaliseerd commitment niet op zijn plaats zou kunnen zijn; ritualisering van je commitment kan u of mij toch bijzondere kracht geven.

Maar misschien klinkt in deze waarschuwing van de apostel Jacobus al door, dat eden in buien van plotse motivatie en grillig enthousiasme wel heel vaak lichtvaardig gezworen werden en vervolgens niet opgevolgd of zelfs weer gemakkelijk vergeten.
Al in Dewariem 23, 23 staat tussen gelijksoortige bepalingen als hier in Matot 30: ‘Indien je je onthoudt van het doen van geloften heb je daardoor geen schuld op je geladen.', wat wel een aansporing lijkt om niet aan de ‘hype' van geloften mee te doen.

De kwestie van de lichtvaardige geloften krijgt zijn eeuwenlange vervolg in het gebed Kol Nidré, dat met zijn indrukwekkende en roerende melodie Jom Kipoer inluidt.
De melodie is onomstreden en heeft het gebed in zijn verschillende controversiële bewoordingen door de eeuwen heen getild.

De tekst van het gebed - of wat de juiste tekst zou moeten zijn - heeft aanleiding tot heftig debat gegeven.
Oorspronkelijk bedoeld om lichtvaardige geloften van het áfgelopen jaar te annuleren kreeg het van Rashi's schoonzoon, Meïr ben Samuel, zelfs de formulering, die annulering inhield van de geloften voor het kómend jaar, met een beroep op het Talmoedtractaat Nedarim 23b, welke passage zulks met zoveel woorden aanbeveelt.

Deze formulering heeft eeuwenlang veel discussie gegeven en veel wantrouwen gewekt bij de niet-Joden over de betrouwbaarheid van Joodse geloften, ondanks de nadrukkelijke vaststelling van belangrijke rabbijnse autoriteiten dat het hier ging om annulering van persoonlijke geloften tussen de belover en God en dat het niet handelde om tussenpersoonlijke en zakelijke beloften en overeenkomsten. Zie het interessante overzicht over de geschiedenis van Kol Nidré op de
pagina van de site Jewish Ecyclopedia.
In de 19 e eeuw zijn in de liberaal Joodse kringen andere formuleringen geïntroduceerd, die meer betrekking hebben op de ommekeer (teshoeva) en wending naar het goede (zie ook de machzor van de LJG).

Tot nu valt in mijn verhaal de nadruk op de lichtvaardigheid waarmee eden en beloften worden gedaan; daarvangetuigt de geschiedenis rond Kol Nidré . Maar ook de eigen levenservaring, een blik in de politiek, de kennisneming van plots en scenario's van roman en drama overladen ons met voorbeelden van de relativiteit, kortstondigheid en lichtvaardigheid van beloften, toezeggingen, eden.

Daarom laat ik nu weer even het licht vallen op de woorden: “lo jacheel dewaro ke-chol hotsé mipaw ja'asé”, laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen .

Deze zinsnede verwijst naar de scheppende kracht van exacte woorden. Met woorden kan je een nieuwe realiteit voor jezelf en anderen creëren, ze hebben de macht nieuwe gebieden te openen maar ook om grenzen te in het leven te roepen, bijna even krachtig als de geboden en richtlijnen van de Tora zelf.
Zoals De Eeuwige met de tien scheppingswoorden van Bereshiet de schepping heeft geschapen en nog steeds schept, zo zijn wij, jij en ik, in onze woorden medeschepper van de wereld.

Wanneer je je dat realiseert ga je anders met de taal om. Als je schrijft, maar ook als je spreekt. Je woorden worden minder slordig, minder nonchalant. Je verlangen is je woorden te richten, te focussen, in overeenstemming te brengen met je intentie medeschepper te zijn.
Zodat je aandacht geeft aan wat over je lippen komt, ervoor zorgt dat dat exacte woorden zijn omdat ze ook zo gedaan moeten worden. De oorsprong van elk conflict tussen mij en mijn medemensen is dat ik niet zeg wat ik bedoel, en dat ik niet doe wat ik zeg (Martin Buber).

RobC augustus 2 '05

pijltje

Parasha Pinchas

Laatst las ik in een citaat, hoe de Middelleeuwse bijbelgeleerde en –uitlegger Nachmanides (de RAMBAN) zich in het begin van zijn Tora-commentaar verontschuldigt voor zijn kleine wijsheid en beperkte kennis; hoeveel te meer past het mij niet mijzelf te verootmoedigen voor de euvele moed iets over de parasjot van de week te berde te brengen.
Dat zij hierbij nog eens duidelijk gezegd: vergeef mij deze stap om vanuit mijn zeer beperkte kennis en weinige geschooldheid mijn commentariërende woorden toch aan de openbaarheid prijs te geven.

Allereerst moet ik al beginnen met een correctie op een bewering aan het slot van mijn vorige stukje over de parasjat Balak. Ik schreef daar:

“Aan het slot van de parasja lezen we over de ontucht van het volk met de meisjes van Mo'av. Dat bleek een veel effectievere politiek om het volk te ondermijnen dan de tussenkomst van de magiër. De sterfte van 24000 mensen was het gevolg.
In de midrasj zou Bil'am deze ondermijningspolitiek aan Balak hebben geadviseerd: laat Moabitische meisjes de mannen van Jisraël verleiden.
In de Tora staat daar niets over.
Ik kies inzake de verdere levensloop van Bil'am voor een open einde.”

Maar … in de Tora, Bemidbar 31, 16 staat wel degelijk, dat op advies van Bil'am het volk van Israël tot ontrouw werd verleid.
Vervolgens kwam ik in het commentaar van Nechama Leibovitz een uitgebreid citaat uit de Talmoed tegen, waarin in geuren en kleuren dit advies van Bil'am wordt beschreven: hoe de meisjes in de marktkramen met een beker wijn in de ene en een afgodsbeeldje in de andere hand de mannen van Israël moesten verleiden, inclusief de verlokkende woorden die deze meisjes moesten gebruiken (Sanhedrin 106a).
Moet ik mijn eerdere conclusie t.a.v. Bil'am herzien en tot de slotsom komen, dat een mens als Bil'am de almacht van G- d eerst kan ervaren en aan den lijve kan merken hoe door zijn mond een grotere macht spreekt om dan toch onaangedaan door dit wonder te volharden in zijn eerdere kwade opzet t.a.v. het volk Israël, dat hij even tevoren zulk een glorieus lot had voorspeld? In dat geval moet hij toch eigenlijk niet aan zijn eigen zegenrijke teksten hebben geloofd.
Ik laat dit verder even voor wat het is.

Het verhaal van Pinchas begint aan het eind van het hoofdstuk Balak.
De mannen van Israël waren ontucht beginnen te plegen met Moabitische meisjes, die de Ba'al vereerden met bepaalde seksuele riten, waaraan de mannen blijkbaar deelnamen, een vorm van tempelprostitutie, die geheel in strijd was met de scheiding tussen de dienst aan de Eeuwige en seksualiteit die in de Mozaïsche voorschriften wordt nagestreefd.
Toen een vooraanstaande man openlijk onder de ogen van Mosjé en temidden van de volksvergadering met zijn Moabitische vrouw verscheen, tot ontzetting van de aanwezigen, werd dit Pinchas, de kleinzoon van Aharon, te veel, hij ging het stel achterna tot in het slaapvertrek en doodde hen door ze met een speer in het onderlichaam te steken. Kennelijk werd door deze daad van zowel grote toewijding als heetgebakerd fanatisme een intussen ook opgestoken en snel om zich heen grijpende epidemie van een ernstige ziekte gestopt.

Er wordt wel verondersteld dat er eerst de epidemie was – wellicht de pest – en dat men de plaag probeerde af te wenden door zijn toevlucht te zoeken bij de tempelprostitutie met Moabitische vrouwen, waardoor in feite de besmetting juist werd bevorderd.
Door zijn schokkende daad heeft Pinchas – vanuit een heilige intuïtie eerder dan door medische kennis - aan dit verderfelijke proces een halt toegeroepen (vermeld bij W. Gunther Plaut).

Hoe het ook zij, opvallend is, dat de parasja begint met de verheerlijking van deze daad van eigenrichting door Pinchas. Geen vooroverleg, laat staan een proces was er aan de hand. Maar door zijn wrekende actie heeft hij wél de woede van G-d van de kinderen van Jisraël afgewend. Hem wordt aangeboden “Mijn verbond van vrede (‘b'riti shalom')” en het priesterschap voor hem en zijn nakomelingen.

Is dat niet gevaarlijk, dat in de Tora deze overijlde en heetgebakerde daad van eigenrichting wordt gesanctioneerd en beloond?
Oude wijzen hebben wel aanwijzingen willen zien, dat Mosjé en de volksvergadering de daad van Pinchas hebben willen afkeuren en hem hebben willen ‘excommuniceren'. Misschien heeft er inderdaadachteraf wel een zitting van de volksvergadering onder leiding van Mosjé plaatsgevonden.
De woorden van de Eeuwige in 25, 11-13 kunnen dan gelezen worden als een interventie tegen deze afkeuringsplannen en een verdediging van de daad van Pinchas als absoluut ingegeven door integere toewijding en goddelijke ingeving.

Toch stemt deze redenering mij niet geruster. Daarvoor is en wordt nog steeds te vaak een beroep gedaan op goddelijke ingevingen om daden van destructie, moord en zelfs genocide te rechtvaardigen als daden om volkeren of zelfs de mensheid te redden of te behoeden voor ramp en verderf.

In een ander commentaar werden de passages rond de daad van Pinchas gezien als wijzend op verwerping van pacifisme en als een goedkeuring van geweld tegen de destructieve krachten van b.v. nazi's en terroristen.
God is saying to Moshe, "Tell Pinchas that his zealousness is peace."
Naar mijn bescheiden mening zit dat er net naast.
Met deze uitleg kan iedere fanaticus, van de christen fundamentalist tot de moslim terrorist, zich op deze passage beroepen.

Volgens mij vereist de richtlijn die uit deze passages te halen is een meer subtiele redenering.
Natuurlijk was in het kamp van de Benee Jisraël sprake van een crisis situatie. Tegelijk stierven er mensen bij bosjes aan een vreemde ziekte en er was bij vele mannen de losgelagen situatie van een volledig loslaten van de voorgeschreven normen en waarden van de Tora.
Mosjé had al verordonneerd dat alle schuldigen moesten worden omgebracht.
Maar Pinchas vond dat er in deze acute nood nog sneller moest worden ingegrepen en handelde als antwoord op de vergaande provocatie van de openlijke ontuchtpleger onmiddellijk; twee mensen bracht hij om en wie weet heeft hij in een goddelijke intuïtie zo een kennelijk transcendente onbalans, een verstoorde orde weer hersteld, uitgedrukt in de terminologie, dat hij de woede van G-d van de kinderen van Jisraël heeft afgewend; door twee mensen te doden heeft hij het voortbestaan van de natie veilig gesteld en de levens van zijn volksgenoten voor het verdere voortwoekeren van de epidemie behoed.

Deze anarchistische en onjuridische daad is daarom echter nog geen daad, die oorlog en eigenrichting per definitie voortaan fiatteert.
Want de daad moest áchteraf met redenen omkleed aan Mosjé worden uitgelegd als een in dit geval terechte daad die de bezegeling met goddelijke goedkeuring kon wegdragen.
En dit is volgens mij de implicatie: dat Pinchas deze actie van hem voor zijn volledige eigen verantwoording nam, dat hij een eigen afweging heeft gemaakt en zich niet van te voren al gerechtvaardigd wist. Net zoals alle andere daders na hem hun eigen liquidatie-acties niet op God of een precedent kunnen afwentelen. Al die acties zullen a posteriori op hun motivering, integriteit, afwegingen en effecten beoordeeld moeten worden.
Zeker drie belangrijke criteria die achteraf aangelegd zouden kunnen worden zijn uit de situatie van Pinchas af te leiden:
Er moet sprake zijn van een acute noodsituatie (in dit geval de om zich heen grijpende epidemie), een acute maatschappelijke ontwrichting (de anarchie van normen en waarden)en het criterium van het overweldigende levensreddende karakter van de daad, i.c. was dat twee slachtoffers versus de rest van de levens van de volksgenoten.
Denk aan Yigal Amir, Mohammed B., die zich ook op Goddelijke of Schriftuurlijke rechtvaardigingen zullen hebben beroepen, maar wier daden niet door die beugel konden.

Is dat niet de diepere betekenis van de uitspraak: “Hiervoor bied Ik hem Mijn vredesverbond aan.” (25, 12), de betekenis zo ongeveer van: in dit éne geval krijgt bij uitzondering deze man Pinchas achteraf de opperste goedkeuring en mag hij zijn gemoed in vrede bezitten…

Rob C. 230705 pijltje

 

Parasja Balak; een alternatieve visie op Bil'am

In deze fase van het verhaal van de tocht van de kinderen van Israël zijn deze aangeland aan de rand van het beloofde land, aan de overkant van de Jordaan, in het land Mo'av. Na zoveel jaren omzwerving is het volk gegroeid in zelfvertrouwen en militaire kracht. Het had net de Emorieten verslagen en de koning van Mo'av zocht, bang geworden voor de overmacht van het volk dat in zijn gebied was neergestreken, hulp in de magische sector. Hij ontbood een sjamaan in het oosten, uit Babylonië, die beroemd was om de kracht van zijn vervloekingen: Bil'am.

Bil'am wordt in midrasjiem van de oude wijzen meestal afgeschilderd als de verpersoonlijking van alle denkbare kwade krachten; hij zou zelfs zijn zwarte kunsten geleerd hebben van verstoten engelen, die hij diep in ingewanden van de aarde placht te bezoeken.
Soms wordt hij gezien als ultieme negatieve tegenhanger van Avraham, Jacob en zelfs Mosjé.
Volgens velen belichaamt hij het prototype van de antisemiet, een man die leeft van de haat in het algemeen en van de haat tegen de Joden in het bijzonder (op wie de uitspraak van de Talmoedwijzen van toepassing is: ‘wie Israel probeert te schaden wordt een “rosj”, een leider', d.w.z. neem antisemitisme op in je programma, het is de korste weg naar leiderschap, ontleend aan R. Berel Wein).

Hoe zwart Bil'am ook wordt afgeschilderd, ik wil toch ook op een paar lichtpunten in deze man wijzen. Als in Dewariem wordt gezegd, dat er nooit in Israël een profeet was als Mosjé, wijzen de geleerden erop dat er búiten Israël er wél een was, nl. Bil'am. Ook hij had de macht van het woord. Opvallende parallel: net als Mosjé discussieerde ook hij voortdurend met G-d – zij het niet van aangezicht tot aangezicht - ; het halve hoofdstuk bestaat uit gesprekken van Bil'am met G-d of uit verslag van Bil'am over deze ontmoetingen aan zijn opdrachtgevers. Uit al die tegenstrevingen van de tovenaar tegen die stem van G-d – die soms ook wel wat wispelturig aan doet, soms mag Bil'am wél gaan, soms niet - , blijkt wél dat hij die stem kan horen. En als hij hem hoort – en soms moet zijn ezel hem helpen – is hij die stem wel gehoorzaam en spreekt hij de zegeningen uit die hem worden ingegeven, wie weet wel met levensgevaar van de kant van zijn koninklijke opdrachtgever. Integriteit kan hem niet worden ontzegd.
Hoe destructief de afgodendienaar Bil'am in zijn vervloekingenpraktijk ook verder moge zijn, in deze parasja is hij bevattelijk voor het horen van de stem van de Eeuwige. Zelfs ook wordt hij ten slotte overvallen door helder zicht: twee rondes van rituelen hebben Bil'am niet tot vervloekingen kunnen brengen, maar slechts tot zegeningen en in de derde ronde staat er:
Bil'am (…) ging niet als de vorige keren op wichelarijen af maar richtte zijn blik naar de woestijn. Toen Bil'am zijn ogen opsloeg en Jisraël daar naar zijn stamindeling gelegerd zag, kwam de geest van G- d over hem.' (Bemidbar 24, 1-2)
Dan volgt wederom een reeks zegeningen en profetische uitspraken. De krachtige uitstraling van de strijdbare massa's in het geordende legerkamp maakt kennelijk indruk. Ook zonder tovenarij en zwarte kunsten, maar juist in een houding van open en helder kijken naar de realiteit in al zijn gelaagdheid kan een dieper geïnspireerd schouwen in de nog verborgen mogelijkheden worden gegeven.

Wat is nu het werkelijke contrast tussen Mosjé en Bil'am?

Misschien dit: Mosjé belichaamt de gerealiseerde, de met zijn volk verbondene, die in een staat van verlichting in contact is met enerzijds de goddelijke dimensie, anderzijds met de wereldse en menselijke dimensie en de taak heeft deze bij elkaar te brengen. Bil'am is te lezen als b'li am, zonder volk betekent dat. Hij is de eenling, de onverbondene, die in het labyrinth van het ego vatbaar is voor de meest duistere dwaalwegen; maar uit deze parasja blijkt, dat ook in die donkere situatie een stem naar de waarheid en een zicht naar het licht kan doorbreken, ondanks het verzet en door alle tegenstrevingen heen.
En u voelt hem al aankomen: we hebben allemaal ook iets van Bil'am in ons, die gevangen is tussen de verleidingen van geld, macht, arrogantie, eigenbelang, kortom ego, en een dieper weten van waarheid en helder zicht.
De parasja (24,25) zegt simpelweg, dat Bil'am terugkeerde naar zijn woonplaats.
Was hij nu zelf ook ten goede gekeerd door zijn ervaringen?
Aan het slot van de parasja lezen we over de ontucht van het volk met de meisjes van Mo'av. Dat bleek een veel effectievere politiek om het volk te ondermijnen dan de tussenkomst van de magiër. De sterfte van 24000 mensen was het gevolg.
In de midrasj zou Bil'am deze ondermijningspolitiek aan Balak hebben geadviseerd: laat Moabitische meisjes de mannen van Jisraël verleiden.
In de Tora staat daar niets over.
Ik kies inzake de verdere levensloop van Bil'am voor een open einde.
Hoe het ook zij, we hebben aan hem twee onsterfelijke zinnen te danken:
'Het (Jisraël) is een volk dat afgezonderd woont en zich niet rekent onder de volkeren'
en: 'Hoe goed zijn uw tenten, Ja'akov, uw woningen, Jisraël!'

P.S. In de krant van vandaag, 14 juli, staat dat Paus Benedictus XVI vindt dat de toverkunsten van Harry Potter de kinderziel kunnen bezoedelen. Als kardinaal had hij zulks geschreven aan een Duitse literatuurcriticus, die eveneens in een boek stelde dat lezing van de Potterboeken de kinderen kunnen verhinderen een gezond gevoel voor goed en kwaad te ontwikkelen.
De tere kinderzielen worden de weg opgestuurd worden van kwaadaardige Bil'ams.
Inderdaad wordt in de Tora bij herhaling zwarte magie, wichelarij, waarzeggingen etc. uitgebannen ten gunste van een heldere onttoverde kijk op de werkelijkheid, dat is ook één van de thema's van parashat Balak.

Maar het lijkt wel alsof alle serieuze kwesties van goed en kwaad, van ‘zwarte'en ‘witte' kunst, zoals die ook in deze parasja optreden, in de moderne tijd en met name in de hogere katholieke kringen in vervormde, zo niet karikaturale vertekening aan de orde komen.
De ludieke manier, waarop in de Harry Potter-boeken en – films met magie wordt gespeeld geeft de kinderen juist nuancerings- en onderscheidingsvermogen. Tovenarij krijgt een plek in het rijk van de sprookjes.

Rob C. 140705 pijltje

 

Parasja Choekat (mede gebruik gemaakt van het commentaar van R. Ari Kahn)

De parasja Choekat begint met veel dood.

Het begint met het ritueel van de Rode Koe – hét voorbeeld van een ‘chok', een wet waarvan men niet naar de diepere zin (ver)mag te vragen, maar die eenvoudigweg opgevolgd moet worden - , de Rode Koe, waarvan de as vermengd met water dient als reiniging voor wie in aanraking is geweest met een dode.

Dan vermeldt de parasja de dood van Mosjé's zuster Mirjam.

Vervolgens verhaalt de parasja de gebeurtenissen rond het water van Meriwa; het morrend en dorstig volk drijft Mosjé en Aharon tot het uiterste en Mosjé slaat met zijn staf ongeduldig op de rots, waaruit weliswaar water gaat stromen, maar waarna tevens Mosjé en Aharon te horen krijgen dat ze het beloofde land niet zullen intrekken, maar dat hun dagen geteld zijn.

Wat verderop in de tijd bestijgt Aharon, ontdaan van zijn ambtskleren de berg Hor om daar te sterven.