naar homepage Rob Cassuto    naar de Engelse column pagina

wil je regelmatig een nieuwe column
opgestuurd krijgen klik dan op het envelopje
››
wil je reageren, klik dan op het groene blokje na iedere column
en je tekst wordt geplaatst
sommige column-teksten die een meer privaat karakter hebben staan
op een andere beveiligde pagina. Desgewenst kan je vragen om het wachtwoord.


spreuk van de week: "We can't solve problems by using the same kind of thinking we used when we created them." Albert Einstein

Afscheid

Soms kan de emotie je opeens overvallen.
Laatst had ik dat, toen ik op de televisie Joris Linsen (in zijn programma
Hello Goodbye) op Schiphol een Surinaamse familie zag interviewen, die oma wegbracht voor de vlucht naar Paramaribo. De vrouw was al heel oud, over de negentig, en nog helemaal bij de pinken. Haar gerimpelde bruine kopje werd bekroond door wit kroeshaar en haar neus werd bezeten door een bril met enorme glazen. Ze gaf nog snedige antwoorden aan de interviewer. Omringd was ze door een hele club familie, dochters, zonen, kleindochters en kleinzonen en een flink aantal achterkleinkinderen. Allemaal stonden ze in tranen om hun geliefde omaatje heen; het was duidelijk, dat ze terugging naar Suriname om daar in haar land van herkomst te sterven.
Het duurde niet lang of ik of ook mijn borst zwol van een diep verdriet, waterlanders liepen over de wangen, alsof ik mijn eigen oma zag vertrekken, voorgoed, om haar nooit meer terug te zien.

En eigenlijk was dat ook zo. Het Surinaamse omaatje leek op mijn eigen oma, de moeder van mijn moeder. Ze had ook een vrij donkere huid, bijna wit kroeshaar en grote diepbruine joodse ogen. In haar laatste jaren, toen ze bijna negentig was, had ze een bril op met sterke glazen , waarachter grote koeienogen mij trouwhartig aankeken. Sterk vermagerd, uitgemergeld, zat ze in haar leunstoel in de serre van het huis in Scheveningen, te wachten op de dood. De stoel tegenover haar was al jaren door haar man, mijn grootvader, verlaten. Af en toe kwam ik op bezoek, het was begin zeventiger jaren in de periode dat ik aan opiaten was verslaafd om onbegrepen innerlijke pijnen te verdoven; een goed deel van mijn inkomen ging daaraan op. Die bezoeken aan mijn grootmoeder waren beladen met schandalig opportunistische bedoelingen haar te bewegen mij geld te geven of te lenen. Altijd deed ze dat, want ik was haar lievelingskleinzoon.
Dat komt omdat wij samen in het jappenkamp zaten.

Wie drieën, grootmoeder, toen al om en bij de zestig, mijn moeder, amper twintig, en ik, een kleuter, zaten samen in een aantal kampen op Java. Mijn moeder moest zwaar werk doen, slavenarbeid, en werd soms dagenlang gestraft of ze lag weken in een ziekenbarak. Later zei ze tegen mij: 'voor mij was het een geluk, dat grootmoeder bij ons was; omdat zij te oud was, werd ze door de Jap steeds ontzien, als er narigheid was. Zodoende kon ze steeds op jou passen. Daardoor heeft ze ook steeds voor jou een ander (en heviger) gevoel gehad, dan voor de andere kleinkinderen. En kon je in haar ogen geen kwaad doen'.

Die beschrijving is denk ik een understatement: in hevige momenten van angst, verbijstering, verwarring, verlating had ik toch nog altijd mijn grootmoeder, ze was de constante factor, een plaats van troost, een baken van vertrouwdheid. In het najaar van 1945 waren wij weer in Bandung teruggekeerd, grootmoeder was maar net aan de dood ontsnapt en lag in het ziekenhuis.. In de maand december konden mijn moeder en ik onverwacht uit Bandung vertrekken naar mijn vader in India. Spoorslags en in aller ijl werden wij in een legertruck geladen en in convooi door gevaarlijk gebied naar het vliegveld gebracht, waar de Dakota stond die ons naar Batavia zou brengen. Tijd voor een uitgebreid afscheid was er niet. Plotseling weg van mijn grootmoeder moet ik gedacht hebben, dat vertrouwde gezicht zal ik nooit meer terugzien, die lieve oma met haar grote, bezorgde bruine ogen, boordevol onvoorwaardelijke liefde, voor altijd gaan wij weg van haar; als kleuter had ik nog maar een heel beperkte tijdshorizon.
Ik kan mij dat overhaaste vertrek niet in beelden herinneren, maar als een pijnlijke gevoelslaag moet het naar de diepte zijn gezonken. Een onbegrepen pijn die ik later weer met opium trachtte te lenigen.

Nu meer dan zestig jaar later stromen de tranen over dat afscheid.

8 sept 2008

Noam Chomsky en Israël

Laatst zag ik een interview met Noam Chomsky, de beroemde linguist en politieke criticaster van Israel en de USA. Ik verbaasde mij over zijn rabiate kritiek op Israel, temeer daar hij stelde dat hij in zijn jeugd een zionistische activist was; verder stelde hij, dat zionisme inhield, dat je tegen een Joodse staat was. Daarom heb ik - zij het snel en oppervlakkig - op internet wat bij elkaar gesurfed vanuit de vraag hoe dat nu zat met Chomsky en het zionisme. Veel info vond ik op een site van het MIT.

Dat gaf een kijkje in de complexe wereld van Joodse zionistische groepen voor en vlak na de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten en het toenmalige Palestina. En dan blijkt hoe de meeste zionistische groepen in die jaren diep geworteld waren in het socialisme en dan vooral het communisme in zijn verschilde gedaanten, Trotskisme, Leninisme, Stalinisme en ook anarchisme. Een van die groepen, die vooral aan de amerikaanse universiteiten floreerde was 'Avukah' (fakkel), een andere was 'Hashomer Hatzair', die in vele landen en ook in de US veel aanhang had. In die groepen was het socialistische ideaal belangrijker dan Joods nationalisme, dat zelfs afgewezen werd als een kapitalistische uitwas.
In het spectrum van opvattingen was aan de ene pool nog wel plaats voor een Joodse staat in Palestina, maar dan op socialistische basis met een bevolking waarin Joden en Arabieren geheel gelijkwaardig zouden samenwerken. Aan de andere pool was men tegen een Joods karakter van de natie: het zou een neutrale staat moeten zijn voor zowel Joden als Arabieren. Er was vooral voor de oorlog - ondanks de toen al bestaande spanningen en terroristische voorvallen - nog hooggestemd idealisme over hoe een Joodse voorhoede de Arabieren uit hun feodale toestand zouden kunnen bevrijden.

Chomsky was geen lid van deze groeperingen maar er wel aan gelieerd en erdoor beinvloed door zijn intellectuele vrienden.
Toen de staat Israël werd gesticht in 1947/1948 was hij tegen. Hij was bang dat de socialistische instellingen zouden verdwijnen en dat het binationale karakter van Palestina geen kans meer zou maken en zou wijken voor een overheersend Joodse en door de Joodse religie bepaalde staat. Toen hij korte tijd in Israël woonde, in 1953 en dacht over vestiging aldaar, zag hij dat niet-Joden makkelijk gemarginaliseerd werden.
Tot zover deze inventarisatie van Chomsky's zionistische achtergrond.

Gezien Chomsky's uitlatingen in het vermelde interview lijkt het of hij de anarchistisch-zionistische idealen uit begin-veertiger jaren van de vorige eeuw nog onveranderd als meetlat gebruikt om de staat Israël te beoordelen.
Al in december 1947 sloeg het uur van het compromis: toen de onafhankelijkheidsverklaring in aller ijl moest worden gesmeed zag Ben-Gurion zich gevangen tussen religieuze gedelegeerden, die eisten dat de Eeuwige zou worden vermeld en marxisten die daar niets van moesten hebben; Ben-Gurion vond het compromis door te in de verklaring op te nemen 'ons vertrouwen in de Rots van Israël'.

Intussen heeft Israël zich ver verwijderd van die natie van socialistische kibboetsen, pioniers en idealisten. Chomsky merkte bitter op, dat Israël is veranderd in een kleine replica van van het rücksichtloos kapitalistiche Amerika. De pioniers ploegen niet meer bezield door een socialistisch ideaal in weerbarstige grond, eten niet collectief in de gezamenlijke eetzaal en staan de kinderen niet meer af ter collectieve opvoeding.

Israël is overgeschakeld van het zionistisch ideaal naar een koortsig kapitalisme. Nieuwe technologieën spelen daarbij een belangrijke rol.
New York Times columnist Thomas Friedman, op bezoek in Israel, meldt in een column van 8 juni, hoe de booming business van de IT technologie volgens hem de garantie vormt voor overleving in het boze Midden-Oosten: Israël is overgeschakeld van sinaasappel op software, van Jaffa op Java. Internationale concerns van naam investeren in Israëls digitale ondernemingen en stichten research en development afdelingen.
Na de USA, Europ en China trekt Israël het meeste durfkapitaal ($ 572 miljoen, 1/3 van Europa en niet veel minder dan China) aan voor investeringen in startende ondernemingen.

Op een of andere manier kan ik de bitterheid van Chomsky begrijpen. Niet inzover het betrekking heeft op het niet gerealiseerd zijn van een of andere zionistische vorm van communisme, marxistisch-leninisme of anarchisme, zaken die hopeloos gefaald hebben als menselijke samenlevingsprojecten. Wel inzoverre het ideaal van een humanistische samenleving waar religie, nationaliteit, afkomst geen barriere vormen voor het in gelijkwaardig werken aan een gemeenschappelijke welvaart en een wederzijs welzijn verre van verwezenlijkt zijn.

Maar ook kan ik een gevoel van trots niet vermijden, als ik lees hoe het vernuft in Israël toch steeds weer nieuwe wegen vindt om zich te manifesteren in produkten die wereldwijd hun nut bewijzen en afzet genereren.
Maar dan houdt ik mijn hart weer vast en vrees voor het doorzetten van het amerikaans kapitalisme in een ongebreideld en onspiritueel materialisme, dat geen oog heeft voor andere zaken dan de eigen lust en luxe. Het religieus isolationisme en het extreme exclusivisme van de Charedim biedt daar toch geen oplossingen voor. Een middenweg, waarin moderniteit zich paart aan enige erkenning van een transcendentale bedoeling met Jodendom, Israël en de wereld, daarin moet het toch gezocht worden.

Het moet iets te maken hebben de opdracht aan de Israëlieten in Ex. 19:6 om een heilig volk te zijn. Israël - zowel de staat als het internationale Jodendom, het klal Jisraeel - heeft een missie in de wereld, een taak die uiteindelijk ten goede is. Een soort Jesajaanse visie moeten we niet kwijt raken; niet zozeer hoeft dan niet de leeuw naast het lam te liggen - laat de leeuw de essentie van zijn leeuw zijn behouden en ook het lam - , maar een groter wonder zou zijn dat Israël in vrede en vreugde met zichzelf samenleeft en, last but not least, met Arabieren en Iranezen en een zegen kan zijn voor de omwonende naties.
Dat is natuurlijk nog heel ver weg, maar onvermijdelijk leidt de weg daarheen.

Wat ik Chomsky kwalijk neem is dat zijn hart voor Israël zo kil is en dat zijn zionistische desillusie stremt tot extreme standpunten, waar uiterst links en uiterst rechts elkaar lijken te raken.

RC 28 juni 2008

Mijn loopbaan bij de Militaire Inlichtingendienst

Amper 19 jaar oud kwam ik terecht bij de Militaire Inlichtingendienst (MID) compagnie.
De eerste twee maanden had ik als rekruut doorgebracht in Maastricht (de 'Tapijnkazerne'). Daarna waren twee maanden gevolgd van scholing tot infanterist ('zandhaas'), waarbij ik tijdens velddiensten in ruitformatie 'met de pik in het zand' over de hei had moeten tijgeren (met de buik over de grond schuivend vooruitgaan, de zogenaamde tijgersluipgang), speedmarsen had moeten lopen met volle bepakking,het zware Garant geweer om de schouder. Een lichter lot leek aangebroken toen ik naar Venlo moest voor een chauffeursopleiding.
In die eerste week in Venlo botste ik echter tijdens een rit, die uitsluitsel moest geven over mijn chaufeurstalent, met mijn Jeep tegen een kilometerpaal; de instructeur naast mij zei kortweg: omkeren. Ik werd overgeplaatst naar de 'parate hap' in de legerplaats Nunspeet, waar de MID compagnie was gelegerd.

De legerplaats bestond uit allerlei soldatengebouwen, meer dan twintig denk ik, die haaks stonden op een enorm ruim middenveld. Daar kwam ik als 'filler' (nieuweling) aan met mijn plunjezak en gekleed in mijn ‘eerste grijs’. Zo heette het uitgaanstenue van de soldaten, dat gemaakt was van ruige mosgroene stof (ooit was het echt grijs) en dat jaren later door een eleganter kostuum werd vervangen. Maar wij droegen nog het echte tweedewereldoorlogsoldatenpak. Mijn lendenen waren omgord door een koppelriem, die je met een soort groene schoensmeer mooi moest houden, ‘blancoën’ heette dat, uit welke term nog op te maken is dat de koppelriem vroeger ooit wit was. Het hoofd werd gesierd door een nogal vormloze baret, waarop het koperen embleem van het legeronderdeel was bevestigd, dat altijd in opperste staat van glans moest verkeren. Mijn embleem was dat van de Limburgse Jagers, een koperen jachthoorn gespeld op een stukje donkergroen flanel, dat bordeauxrood was afgebiesd.

Een van die barakken, grijze karakterloze gebouwen van twee verdiepingen, herbergde de 101 MID compagnie. Daar aangekomen kreeg ik een karabijn, die ik verder nooit meer heb aangeraakt. En ik kreeg een strozak. Want soldaten sliepen toen nog op strozakken, die als je ze kreeg van de foerier een soort reuzenworsten waren, het prikkelige stro omsloten door een blauwgeblokte hoes. Ik sleepte de worst mee naar de soldatenkamer en legde hem op de grond en ging erop dansen om hem zoveel mogelijk in de vorm van een matras te krijgen. Ik kreeg een bed vlak bij de deur met nog een bovenbed. De verdeling van de bedden ging volgens anciënniteit, na een tijd mocht je naar een bed zonder bovenbed en als je korporaal was lag je bij het raam in een bed, dat twee decimeter breder was en zowaar voorzien van een echte matras.

Dat was allemaal zoals het overal ging in die tijd in alle soldatengebouwen. Maar bijzonder was, dat ik niet lang na mijn aankomst naar het leerlokaal moest op de eerste verdieping. Daar stonden een aantal tafeltjes waaraan soldaten zaten te studeren. Ook ik moest achter zo’n tafeltje gaan zitten en voor mij werd een boek neergelegd. Een Russische grammatica, een dikke pil, geschreven door een meneer Kolni Balozky , als ik het me goed herinner. Daarmee begon mijn carrière bij de MID.

Want het Westen, Nederland en de MID compagnie moesten voorbereid zijn op een oorlog met de Sovjet Unie, waar de voertaal Russisch was.
Het was midden in de koude oorlog en die was toen nog nooit zo koud geweest. In de MID compagnie, verscholen in dat grijze anonieme gebouw, tussen allerlei andere soldatengebouwen met marechaussees, chauffeurs, administratiesoldaten, bereidden wij ons voor op de Russische vijand.
De officieren werden opgeleid in Harderwijk en kwamen hier in Nunspeet hun parate maanden volmaken en wij, soldaten, waren hun assistenten.
De club was operationeel onderverdeeld in ondervragingseenheden, bestaande uit een luitenant of sergeant met één of twee soldaten; die eenheid had de beschikking over een Jeep met aanhangwagentje, om daarmee in tijd van oorlog uit te rukken naar het front om aldaar de Russische krijgsgevangenen te ondervragen, zeg maar gerust uit te persen, en dat moest natuurlijk in het Russisch. Verder bestond mijn compagnie uit een aantal eveneens dienstplichtige chauffeurs van de bijbehorende vijf- en tientonners, een paar monteurs en twee koks. Naast de ondervragingsafdeling was er nog een kleine technische afdeling en een onderdeeltje luchtfotografie.

Nu had ik de indruk, dat niet de grootste militaire en linguïstieke talenten naar onze compagnie werden gestuurd. Eerder leek het criterium voor verblijf bij dit operationele onderdeel een bepaalde mate van fysieke of geestelijke mindere geschiktheid voor de andere krijgsmachtfuncties. Toenemend bekroop mij de vraag hoe in godsnaam onze compagnie überhaupt kans zou zien de eerste dagen van een hete oorlog met de Sovjet Unie te overleven. Laat ik eens van de top naar beneden gaan.

Commandant was kapitein Jacobs; een joviale vaderfiguur, over hem niets dan goeds. Hij had nog gediend in de Tweede Wereldoorlog en bij de Politionele Acties, een langverbander, in het leger gebleven en opgeklommen tot officier en hier diende hij zijn laatste jaren uit.

Niet vergeten mag worden luitenant Peters, hoofd van de afdeling, die alles te weten moest komen over de Russische wapentechnologie; hij beheerde een lokaal in het gebouw, waarin modellen van Russische tanks stonden, afbeeldingen van Russische geweren en straaljagers, een pop in Russisch soldatenuniform, jaargangen van de Krasnaja Zwjezda, het Russische legerblad, en wie weet wat nog meer ik ben vergeten. We zagen Peters zelden. De hele dag zat hij in zijn kantoortje en wat hij daar deed wist niemand van ons. Een bleke man met grote grijze dromersogen en het gerucht ging dat hij bezig was met het ontwerpen van een machine die gedachten kon lezen.

We hadden een compagnies sergeant, sergeant eerste klasse Baanders. Hij was uit het KNIL hier terecht gekomen, een Indische man van om de vijftig met een getekend gezicht, waarin hij voortdurend neurotisch met zijn rooddoorlopen ogen knipperde. Hij was een eenvoudige ziel, die zich niet goed een houding wist te geven temidden van al die merendeels goedopgeleide officieren uit Harderwijk en de vaak ook goedgebekte soldaten. Daarom liep hij door de gangen van het saaie legergebouw met de blik naar boven, alsof hij de verwarmingsbuizen die langs het plafond liepen controleerde op stof. Wij waren nog jongens en noemden hem de ‘Yeti’ en plaagden hem op allerlei manieren die ik niet meer weet.
Wist ik veel van de onrechtvaardige gang van zaken rond al die KNIL-mensen die hier in dat kouwe Nederland moesten wennen en genoegen moesten nemen met lagere rangen dan ze in het KNIL hadden, rangen met weinig uitzicht op verbetering. Wist ik veel, dat sergeant Baanders in de Tweede Wereldoorlog in Japan als slaaf in de kwikmijnen had moeten werken, waardoor zijn ogen onherstelbaar beschadigd waren geworden.

En dan was daar luitenant Manheimer. Hij was het hoofd van ons tolken-ondervragers. Een kleine, totaal niet soldateske man van een jaar of even in de dertig, kaal, brilletje op een haakneus. Zijn baret stak vormloos om zijn hoofd als hij voor ons stond om het appel af te nemen, met iele en overslaande stem de bevelen roepend; het appel dat voor een rechtgeaard militair hart ceremonieel gezien een aanfluiting was luidde de leerdag in; terwijl wij glimlachend zagen hoe anderen voor velddienst naar de Veluwse heide werden afgemarcheerd om in ruitformatie met de pik in het zand over de hei te tijgeren, spoedden wij ons de trap op naar ons lokaal om achter de Kolni Balozky grammatica plaats te nemen.
Ieder die vierentwintig lessen had gedaan en een soort tentamen bij luitenant Manheimer tot tevredenheid had afgelegd mocht korporaal worden. Mij is dat als een van de weinigen gelukt en op een andere manier zou ik ook nooit in de krijgsmacht een treetje hoger zijn gekomen.
Men zei dat de luitenant op kosten van de Staat Slavische talen had gestudeerd en zich daarom tot een lang verband verbintenis aan het leger had moeten verbinden. Het was in die tijd niet echt bij mij doorgedrongen dat luitenant Manheimer een Jood was. Laat staan dat ik mij verdiept had in zijn achtergrond of in het verhaal dat hij ongetwijfeld bij zich droeg, een verhaal dat zou kunnen gaan over onderduik en verlies van familieleden, misschien wel van beide ouders. Wie weet had hij daarom wel die beurs had gekregen, als wiedergutmachung aan een oorlogswees, fantaseer ik met terugwerkende kracht.

Ik was nog bijna iemand vergeten van de militaire top die over ons heerste: opperwachtmeester van Dalen. Hij had een Nederlandse vader en een Poolse moeder, zei hij en hij sprak vloeiend Pools en Russisch. Had een typisch Slavisch gezicht met wijde jukbeenderen en diepliggende ogen, getorst door een brede romp. Zijn Nederlands had een licht Poolse slis over zich, wat maakte dat hij sluw overkwam, wat hij trouwens ook was. Wat hij nou precies deed in die compagnie, ik wist het toen niet en ik weet het nog niet. Maar hij staat in mijn herinnering fier overeind als leider, dirigent en inspirator van het mannenkoortje. Eens per week hadden wij zingen en hij had daarvoor een bundeltje gemaakt, een gestencild schriftje met Russische liederen. Zo zongen wij Kalinka, Otsjie Tsjornieje (Schwarze Augen), Wdolj pa-oelitse metjelietsa metjot (langs de straat veegt de sneeuwstorm), Stenka Razin, Dwenatsat Razbojnikov (Twaalf rovers), Bystre kak wolny wsjee dnjie nasjej zjiezny (Snel als de golven gaan de dagen van ons leven), Jej Oechnjem (het Wolgalied), en ook het Sovjet volkslied ( …da zdrawstwoejet Stalin, leve Stalin …). Als Slavisch koortje waren wij even opgetild uit het militaire leven en boven het saaie Nunspeet uit klonk de heldentenor van soldaat Chris, de zangfavoriet van opperwachtmeester van Dalen, door de dag heen een van de weinigen die de militaire tucht overeind hield, maar nu even geraakt door misschien wel zijn eigenlijke roeping van Russisch koorleider.
Het liederenbundeltje heb ik nog een half leven meegesleept. Toen ben ik het op onnaspeurbare manier kwijtgeraakt. Een groot verlies. Ik ben de liedjes blijven zingen, maar nu ken ik alleen nog Katjoesja uit mijn hoofd en dat kan u nog af en toe van mij horen, het lied over Katjoesja, die naar de oever van de rivier gaat om een liedje te zingen, waarvan ze hoopt dat de wind het zal meevoeren naar het front waar haar stoere geliefde vecht voor het vaderland.*)

In onze soldatenkamer was het in onze vrije tijd altijd een gezellige boel. De vriendenclub waarvan ik deel uitmaakte bestond uit een stel uiteenlopende vogels, waarvan ik u de belangrijkste voorstel.
Daar is Benny Fuente de Levita, een medicijnenstudent uit Amsterdam. Hoewel pas drieëntwintig had hij het figuur van een uitgezakte vijftiger. Zijn bolle toet stond altijd op vrolijk, en hij had altijd wel een paar moppen en geestige anekdotes op zak. Een ras-Amsterdammer en natuurlijk een Jood. Als ik er nu aan terugdenk, Jacobs, Manheimer, Fuente de Levita, de Militaire Inlichtingendienst was min of meer gekaapt door de Joden.
Benny was voor mij als afgezant van de Amsterdamse scene een voorbeeld van wereldwijsheid. Hij gebruikte veel Engelse woorden, zei al heel vaak ‘weetjewel’ en ‘te gek’, wat in die tijd toch wel erg modern was, en hij bracht een keer een marihuanasigaret mee, een joint. Het was meer vloei dan inhoud en de inhoud bestond voornamelijk uit cannabiszaadjes, die eenmaal brandend met een licht knettertje ploften. Vol spannende verwachting wachtte ik op de te gekke kick, maar er was nauwelijks iets te merken.
Over Jood zijn hebben we het nooit gehad. Het hield ons toen geen moment bezig. We dachten dat we geen verleden hadden, alleen toekomst.

Jan van Rijn was een tennistalent. Het merkwaardige was dat hij verstrooid was als een ouwe professor, hij vergat alles en had soms buien van totale afwezigheid, ‘petit mal’ zou je zeggen. Misschien had hij wel een minimal brain damage. Maar tennissen kon hij en omdat kapitein Jacobs een echte sportliefhebber was kreeg hij vaak buitengewoon verlof om te trainen en militaire tennistoernooien te spelen, waarvan hij vergat terug te komen, niet uit opzet, maar omdat hij vergeten was dat hij in dienst zat, wat hem dan weer op dagen verzwaard arrest kwam te staan. Uiteindelijk werd hij overgeplaatst naar de zandhazen.

Wally Meeldauwer was de oudste van onze club. Hij was al vierentwintig en afgestudeerd in de rechten, het was mr. Meeldauwer. Hij had op de officiersopleiding gezeten, maar was er wegens een autoriteitsconflict weggestuurd. Met zijn pezige, magere lijf en die vogelachtige kop met slimme bruine oogjes maakte hij inderdaad een betweterige indruk. Hij wist ook altijd hoe iets zat of hoe iets beter moest. En als hij dat met gedrevenheid uitlegde kwam er in iedere zin een stottertje. Zonder twijfel had hij op die officiersopleiding gelijk gehad, maar dat konden ze daar natuurlijk niet toegeven.

Klaas de Jong hoorde er ook wel bij. Hij was een grote zachte man met een enorm hoofd met melancholieke fluwelen ogen. Hij had een vriendin, die al een kind had van een ander. En hij had een gitaar, waarop hij zachte Franse liedjes zong. Van hem heb ik mijn eerste grepen geleerd. Ik mocht op zijn gitaar spelen. Tot het moment dat hij ruzie had met zijn vriendin, die dat weekend bij hem in Nunspeet op bezoek was. Toen ze was vertrokken ging hij een zacht en melancholiek fluisterliedje op zijn gitaar spelen. Maar plots brak een razende woede door en hij pakte het instrument met beide handen bij de hals alsof het tennisracket was, hief het boven het hoofd en liet het keihard neerkomen op rand van de tafel die midden in onze soldatenkamer stond. De hals brak af. Dat was het voorlopige einde van ons beider gitaarcarrière.

Af en toe hadden we een feest. Kratten bier werden aangerukt en een van de kelders werd versierd en aan lange tafels vulden wij onze mess tins met bier of dronken uit de fles en riepen, zongen en lalden tot diep in de nacht. De feestleider was Benny Fuente, die zonder twijfel daarbij putte uit een rijke Amsterdamse studentenervaring.
Maar ons favoriete tijdverdrijf was poker.
Zodra de dienst was afgelopen werden wij afgemarcheerd naar de eetzaal. Daar moesten wij langs de counter, waar koks de papperige nasi goreng, waarin hele uien dreven, uit reuzenpannen met een kwak op onze plate schepten; maar wij gingen meteen door naar de afvaltonnen, kiepten de brei daarin en wandelden de kantine weer uit, we gingen snel op weg naar het Humanistisch Militair Tehuis, een honderd meter buiten de kazernepoort. Daar aten we fluks een uitsmijter om aan de pokertafel plaats te nemen. Het vaste gezelschap bestond uit Benny Fuente, mijn persoon en een Amsterdammer van de administratie compagnie en nog eentje van de administratie compagnie, waarvan ik vermeld dat hij later een bekend politicus is geworden.

humanistisch militair tehuis

Ik geloof dat ik in het jaar dat ik in Nunspeet zat ongeveer kiet heb gespeeld met een tendens naar een klein verlies, een spotprijsje voor de spanning, die de avonden voorbij deed vliegen. Die Amsterdammer, wiens naam ik kwijt ben, moet ook Joods zijn geweest, want hij riep steeds als hij een pot verloor: “Attenom” of “Attenojeleheine”, wat zoals ik veel later begreep een Amsterdams-Jiddische verbastering is van “Adonaj Eloheinoe”, ofwel “Heer onze God”.
Die lichting in Nunspeet was dan militair niet erg begaafd, hij bevatte vele andere talenten. Ik vermelde al de tennisser Jan van Rijn; Benny Fuente en Wally Meeldauwer waren schakers van de bovenste plank evenals de bekende politicus van de pokertafel, er waren meerdere uitstekende bridgers, terwijl ook tafeltennis op hoog niveau werd beoefend.

Ons onbezorgde soldatenleven werd soms overschaduwd door de grote politiek. Zo om het half jaar was er Nato-alarm. Niemand wist wanneer, al snelden geruchten vaak vooruit. Het kwam toch altijd nog onverwacht, altijd midden in de nacht. Gewekt met lantaarns in het gezicht en kreten bij het oor sprongen wij het bed uit en moesten in het donker al onze spullen in ijltempo inpakken in rugzak en ransel en dan onze ondervragingseenheid formeren. Met de drie of vier man in de Jeep met aanhangwagentje geladen met ondervragingstafeltje, klapstoelen en andere spullen reden wij dan verduisterd de donkere nacht in naar een plek op de hei, waar wij verder moesten afwachten. In theorie kon het echt zijn, dat alarm. Het bleek altijd een test van onze paraatheid. Na een uur of zo shekkies roken in mistig duister kregen wij het consigne dat we weer terug konden naar de kazerne.

Ik moet naar het eind van dit verhaal. Het heeft weinig plot, maar geeft hopelijk wel een sfeerbeeld van die tijd, de militaire dienst in die jaren van wederopbouw en koude oorlog, tijdens welke die rare compagnie daar op de Nunspeetse hei als een soort komische operette jarenlang gedraaid heeft.
Na vierentwintig lessen werd ik korporaal. Ik was in onze soldatenkamer opgeschoven naar een breder bed met matras bij het raam. Om mij bezig te houden werd ik in het Russisch wapenmuseumpje van luitenant Peters gezet en liet men mij artikelen uit de 'Krasnaja Zwjezda', 'de Rode Ster', vertalen, het Russische legerblad. Ik herinner mij nog een artikel over motoren van Russische legervrachtwagens en het woord ‘korobka pjeredatsj’, versnellingsbak betekent dat. Echt zo’n woord dat in je laatste uren opeens absurd voorbij kan komen.
Toen een jaar na mijn komst naar Nunspeet mijn diensttijd erop zat - ik was 'ouwe stomp' geworden - en ik voor het laatst in de militaire trein - speciale stokoude wagons met nog houten banken - naar het westen ging, was ik voornamelijk opgelucht, nog onbewust van de mogelijkheid dat het heden van nu ooit kan omvormen tot nostalgie van later.

De herinneringen kwamen terug toen ik in de krant over de Legerplaats Nunspeet las. Op dinsdag 15 mei 2007 is het terrein van de voormalige Generaal Winkelmankazerne op ceremoniële wijze officieel overgedragen aan de natuur. Staatsbosbeheer neemt het roer over van het Ministerie van Defensie.
De Legerplaats Nunspeet is ooit in 1953 gebouwd. Hij werd in 1973 omgedoopt tot Generaal Winkelmankazerne, genoemd naar de generaal die in 1940 ons leger leidde tegen de Duitsers. In de loop der jaren zijn 23 kazernes op en rond de Veluwe gesloten. De kazerne in Nunspeet sloot in 2001, omdat Defensie door een reorganisatie zonder kan. Een jaar later werd begonnen met de sloop van circa honderd gebouwen, bestratingen en hekwerken.


*Met dat wonderlijke internet heb ik toch weer een paar Russische liederen teruggehaald en u kunt ze lezen op de pagina Russische songs op mij Casboek site, wel in het cyrillische alfabet (dus wsch even je internetpagina codering veranderen in cyrillisch ISO).

11 juni 2007

namen en sommige details veranderd i.v.m. privacy

Royal

Ik droomde vannacht dat ik moest schrijven, iets van memoires of zo;hoe zou ik dat doen, schrijven, typen, de computer? Ik keek om mij heen en ik koos voor het oude typemachientje van mijn ouders, dat toen ik in mijn jonge jaren op kamers ging van mijn vader mocht meenemen; ik heb het nog jaren gebruikt. Een bewuste keuze want ook in de droom al dacht ik aan mijn computer als tekstverwerkmogelijkheid maar verwierp die om een mij niet onthulde reden.
Daar stond het trouwe oude ding van blinkend zwart metaal.
Ik schoof witte vellen in mijn typmachien, merkwaardigerwijs een aantal vellen op elkaar, maar zonder carbonpapier, een heel katern tegelijk, de gril van de droom. Ik typte de eerste zin. Maar het was onleesbaar wat er op het papier kwam. Toen ik nog eens goed keek zag ik dat er Hebreeuwse letters stonden; het was een typmachien voor Hebreeuws, bleek nu. Wonderlijk, zonder het te weten had ik een typemachine gebruikt, waarin de Hebreeuwse fonts in lood op de letterhamers stonden. Maar zie er was nog een typemachien: dát was het oude typemachientje, dat braaf een metertje ernaast op het tafelblad
stond!

Het apparaat stamde nog van net voor de Tweede Wereldoorlog en het merk was Royal. Het was een portable en hij paste keurig in een donkergrijze vierkant koffertje met twee blikken sloten. Zo is hij meegegaan naar Indonesië in 1949, waar hij twee jaar lang de brieven van mijn vader en moeder naar hún ouders heeft op het dunne luchtpostpapier heeft vorm gegeven. Als apotheose van zijn nuttig bestaan heeft hij nog mijn eerste gedichten geboekstaafd. Ik heb hem dacht ik nog meegenomen van Den Haag naar Nijmegen, waar hij in de loop van de zeventiger jaren plaats moest maken voor een modernere machine, een groot en zwaar grijs gevaarte. Dat apparaat werd in de tachtiger jaren weer vervangen door een electrische schrijfmachine, die waarachtig al een klein geheugentje had, waarmee hij één zin kon onthouden. Anno 1993 kwam dan de eerste kleine IBM-computer, die ik voornamelijk als tekstverweker gebruikte.
In 2000 kwam de volwaardige computer met Windows 98 en internet en brak het nieuwe tijdperk aan,in het kader waarvan ook dit stuk onder uw ogen komt.
Waar de Royal is gebleven weet ik niet meer; het lijkt alsof hij in de lucht is opgelost, maar hij zal wel een keer met het grof vuil zijn meegegaan of heb ik hem aan een nichtje of neefje gegeven?
Gek, nu heb ik heimwee naar hem, alsof hij het geheim van een nog onbeschreven leven al in zich droeg.

030507

Vlieg

Sinds gisterochtend had ik tot voor kort gezelschap van een vlieg.
Hij dwaalde rond in mijn woonkamer in een grillige vlucht. Alsof hij naarstig en nerveus naar iets op zoek was.
Voedsel? Een medevlieg?
Maar gaandeweg bleek dat hij vooral naar mij op zoek was.
Even was hij mij kwijt en zoemde hij met een nauw merkbare zoem ergens rond en ik dacht al dat hij andere wegen was gegaan dan die in mijn kamer.
Maar dan was hij er opeens weer en had hij mij weer gevonden; daalde hij neer op mijn been of mijn arm of zomaar op mijn kale hoofd of mijn blote wang met zijn kriebelpootjes.
Automatisch maak je dan een wuif beweging en weg was hij weer een tijdje.

Toen hij bleef aanhouden mij periodiek te bezoeken kwamen er wrede gedachten in mij op.
Ik plande een vernietigingstocht met een opgerolde krant in handen; virtueel zag ik mij hem al opjagen door mijn kamer heen, op stoel en tafel klimmend, door de keuken, de gang in.
Ik bekeek hem eens goed, gisteravond, toen hij een seconde op mijn dij zat.
Een nietig beestje, geen vette bromvlieg, maar een scharminkel van een vliegje.
Ik besloot hem een kans te geven en zette mijn raam wijd open.
Daar zou hij wel dankbaar gebruik van maken als hij in zijn dwaze en grillige zwerftocht door mijn vertrekken terecht zou komen op deze highway naar de vrijheid.

Maar nee hoor, laat op de avond kwam hij weer op bezoek.
Hij was blijkbaar erg aan mij gehecht.
Een vlaag Boeddhisme kwam opeens over mij heen.
Misschien was hij wel een reïncarnatie van een bekende.
Een ziel van vroeger uit mijn omgeving, die nog iets met mij uit te werken had.
Een entiteit die mij iets wilde boodschappen.
Mijn lieve grootmoeder die mij wilde beschermen.
Maar zou die gedegradeerd zijn tot vlieg? De brave vrouw, dat kon ze toch niet verdiend hebben.
Die jongen die mij gepest had in de derde klas van de lagere school, zo iemand was het waarschijnlijk.
Onzin natuurlijk.

De volgende ochtend – ik was hem al weer vergeten – meldde hij zich weer.
Hij kwam opeens brutaal op mijn computerscherm zitten, alsof hij mijn e-mails wilde meelezen.
Toen was hij weer weg.
In de loop van de middag begon ik hem waarachtig te missen.
Ik ging naar hem op zoek en trof hem aan op de onderruit van mijn grote woonkamerraam, vlakbij de achtarmige kandelaar, die op de vensterbank voor het raam staat.
De bovenruit stond wijdopen voor hem, maar hij worstelde een onmogelijk gevecht uit met het glas van de dichte onderruit; dat viel me toch tegen, heel even had ik hem slimmer ingeschat.

Toen heb ik hem maar even geholpen en manoeuvreerde hem met de kandelaar wat naar boven zodat hij het wijde luchtruim kon kiezen. Het viel me op dat hij toch een wat blinkend groenige glans op zijn lijfje had.
Daar vloog hij weg.

Dacht ik.
Want vandaag, zondag, landde hij plotseling op de krant, die voor me op tafel lag.
Hij streek neer op het katern ‘Letter en Geest’ en wel op een artikel over de Islam, wat natuurlijks niks zegt. Ik herkende hem, want hij was iets kleiner dan de vlieg die ik had uitgelaten en hij had helemaal geen blinkend groene glans op het lijf. Hij was klein, grauw en onaanzienlijk.
En als hij intussen niet is weggevlogen, dan vliegt hij nog steeds rond.

21 aug. 2006

Lak

We noemden ons ‘post-eksperimenteel’ in die jaren 1959, 1960.
Ik was achttien, Maarten ook en Gert was zestien. Jan hoorde er ook een beetje bij en was pas vijftien. We schreven gedichten, lazen die van Vinkenoog, Hans Andreus, Lucebert, luisterden naar Miles Davis, John Coltrane en Sonny Rollins op de plaat en naar jazzmusici in het eerste Haagse jazzcafé aan het Achterom, waar we zoveel mogelijk pils probeerden te verwerken.

Samen vormden wij de Lak-groep, want we hadden besloten een literair tijdschrift uit te brengen, met de naam ‘Lak’. Waarom we het zo noemden weet ik niet meer. Hadden we het gekozen uit een soort dadaïstische balorigheid? Was het omdat we heel graag wilden laten merken dat we lak hadden aan alles, hoewel we nog braaf bij onze ouders woonden? Was het een beetje na-aperij van die blaadjes Braak en Blurb van onze ‘eksperimentele’ dichterlijke voorgangers Campert en Vinkenoog, als ik me goed herinner?

Zo véél weet ik me niet meer te herinneren uit die tijd, maar wel dat ons uiterlijke aankleding heel belangrijk was.

Om te beginnen de kapsels.
Gert had een Nero-coiffure, Maarten een Cesar-kapsel en Jan een Napoleon-hoofd. Verder was de dress code ribfluweel: Manchester broek en zo mogelijk een corduroy jasje over een zwarte coltrui. De voeten bloot gestoken in sandalen. Een soort kruising tussen een beatnik en Marten Toonders Terpen Tijn.
Ik moet zeggen, dat ik er nog al vanaf week.
Mijn voorkeur was kachelpijpbroek met daaronder suède schoenen (z.g. bordeelsluipers) en colbertje met daaronder wél een overhemd, zij het met supersmalle das.
Ik was sowieso een halve buitenstaander. Ik hoorde er wel bij en ik hoorde er ook niet bij. De anderen zaten allen in de laatste klas van het vrijgevochten Montessori Lyceum en ik studeerde al als eerstejaars in Leiden na het onopvallende Grotiuslyceum te hebben afgelopen.

Ik ben in mijn werkkamer even op mijn trap gaan staan om de bovenste plank te bereiken, waar oeroude jaargangen van tijdschriften liggen en, verdorie, ik heb nog een nummer! Het eerste en enige nummer dat van het literair jongerentijdschrift Lak is verschenen. Had echt niet gedacht, dat ik het nog had.
Natuurlijk is het ooit blinkend wit van de bladzijden lichtbruin-geel geworden.
Ik kijk het nog eens in. Prettig stoere bluf. Modieuze ‘eksperimentele’ gedichten. Het leukste is nog een verhaal van ene Peter, die niet eens lid was van de Lak-groep. Maar toch, voor jongetjes van amper achttien …

De voorttrekker van de Lak-groep was Maarten. Hij heeft geloof ik de inleiding geschreven, waain we ons voorstelden en meteen de iets oudere generatie van de vijftigers al verouderd verklaarden..
Ikzelf heb er niets in geschreven. Op mijn jongenskamertje zat ik vergeefs te zwoegen op moderne verzen. Het nieuwe dichters-imago, dat ik mij nog niet zo lang had aangemeten moest overeind blijven, vooral in het licht van de meisjes die hiervoor zouden moeten gaan vallen.
Zo had ik, jong als ik was, al last van een writers block. Mooier gezegd: ik zat net in een overgangsfase van hele sentimentele rijmelarijen naar postmoderne associatieve poëzie, een geweldige sprong, die mijn mentale lenigheid te boven ging, zoals ik van Dixieland aan het switchen was naar de avant-garde jazz van Alber Ayler. Beetje poseur was ik wel.
Eerst het imago neerzetten en de inhoud daar werk ik later nog wel aan, heb ik wel vaker last van gehad.
Mijn bijdrage bleef beperkt tot de vermelding als lid van de redactie.
Overigens ben ik een leven lang verder wel bezocht door een authentieke dichtersdwang en hier en daar is voor de gemotiveerde zoeker wat te vinden van de voortbrengselen van dit verschijnsel.

Het tijdschrift is maar éénmaal uitgekomen. Het was veel te duur uitgevoerd. Ik was intussen in militaire dienst gegaan (ja, toen was er nog dienstplicht). Ieder ging zijns weegs.

Intussen is het bijna vijftig jaar later. Alle Lakgroepleden ben ik uit het oog verloren. Tientallen jaren later ben ik Gert weer tegengekomen. Hij is een spiritual teacher (zo zou hij het zelf niet noemen), een ‘leraar op het levenspad’, geworden, geinspireerd door onder andere het Boeddhisme.
Maarten ontdekte ik laatst zwart op wit als redacteur van een Boeddhistisch tijdschrift. Jan is een deskundige geworden in het Boeddhisme en schrijver van boeken daarover. Allemaal wijze mannen geworden …

Als ik het blaadje nog eens bekijk zie ik hoe mooi de lay-out is gedaan.
Het was niet zomaar een stenciltje, zoals er in die tijd wel meer waren.
Er is echt werk van gemaakt en het was echt gedrukt.
Originele bladindeling, beeldende lettertypen, een mooie tekening siert het kaft. Ik heb de diverse namen en sommige details hierboven veranderd, maar de naam van de tekenaar die de lay-out heeft gedaan vermeld ik zoals die was: Fred Julsing. Hij is later een bekend striptekenaar geworden en, zo zag ik een keer in de krant, een jaar of wat geleden overleden.

17 aug. 2006

Shlomo Bar

In De Melkweg speelde gisteren Shlomo Bar en zijn groep Habrera Hativiet, Ivriet voor De natuurlijke keuze. Het was de zesde juni van de zesde maand van het jaar 2006, dus 06-06-'06, een kwaad getal en de duivel zou deze dag een greep naar de macht doen. De kranten vermeldden allen dat op deze dag duizenden, vooral Christenen, baden om deze satanische invloed af te wenden. Van Shlomo Bar kreeg de duivel geen kans, hij moet onder de opnstuimige roffels, de gepassioneerde snaarakkoorden en de hartstochtelijke zang van Shlomo en zijn groep zijn weggeblazen naar zijn schuilplaats.
Habrera Hativiet, geformeerd in 1977, speelt israèlische fusion muziek, onstaan uit Sefardische, Noordafrikaanse muziek met Iraanse en Indiase invloeden. Met name de Marokkaanse invloed (via de z.g. Andaluz muziek) werkt sterk door.

De grote inspirator is Shlomo Bar, drieenzestigjaar geleden geboren in Rabat, die zegt: `mijn muziek is iets eeuwigs zonder begin of eind. In mijn muziek spelen elementen van gebed, verwondering, verlangen en messianisme`.
Hij begint het optreden met grootse gebaren: de eerste regels van Genesis, hij zingt ze met plechtige pathos, doorspekt met roffels van zijn trommel en ondersteund met wijdse orientaalse akkoorden van gitaren en de santur.
Andere nummers volgen. Vaak beginnen ze langzaam en dan, na een paar ferme klappen op de trommel, slaat de band op hol en
Shlomo Bar juicht, mept op het trommelvel en galmt vanuit het diepst van zijn ziel de teksten, moderne, maar ook veel uit de bijbel, fragmenten uit psalmen, stukken uit de eredienst, in gloedvolle stromen over ons uitgegoten, dit alles in een bedding van obsederende ritmes, indringende pingels van de santur (een soort Perzische citer) , dreunend gezoem van de basgitaar en doffe klappen van de drumspeelster achter Shlomo.
Mijn metgezellin kon het eerst niet zo apprecieren, dat diep doordreunen van de bas en inderdaad stond de audioinstallatie ook niet bepaald zuinig. Assertief als ze is ging ze op weg naar de geluidsman om hem te verzoeken wat te dimmen. Even later kwam ze terug en ik vroeg: gelukt?
Ik heb oordopjes gekregen, zei ze lachend.
Zo'n uur later aarzelden we, we waren zo'n beetje bezig weg te gaan, maar de band kwam goed op gang en de vlam sloeg in de pan. De mensen - en ook wij - stroomden het middenvlak op, dat werd tot dansvloer. Shlomo Bar en zijn Natuurlijke Keuze zetten een tandje bij en de bezieling laaide verder op. Wereldse nummers, Marokkaanse huwelijksfeestmuziek, maar ook het religieuze "Adir Hoe" en " Eli, Eli".
De band gaat als een stoomtrein met de bandleider voorop de locomotief, die nu eens met toenemend gedender tot razende snelheid optrekt, dan weer vertraagt, weer versnelt en dan met veel gesis in de donkere zaal van de Melkweg tot stilstand komt.

op de voorgrond Shlomo Bar (met trommel) en Menasse Sasson op santur

Aan het slot betrad zowaar de burgemeester van Casablanca, die in Nederland op bezoek is, het podium. Hij riep op tot samenwerking. Groot zijn in de kern de overeenkomsten tussen Jodendom en Islam. In beide godsdiensten staat immers centraal dat je de ander niet mag aandoen wat jezelf ook niet wil dat jou wordt aangedaan, zei hij. Hij reikte onderscheidingen uit aan bevorderaars van de verhouding Marokko - Nederlandse Jodendom, o.a. aan Simon Bornstein, secretaris-generaal van de Wereldfederatie van Joden en Moslims.

Rebbe Jokef

Een bekend figuur uit het Joods Amsterdam van tweede helft negentiende eeuw was Rabbi Jacob Mozes Content (1818 – 1898 ), meer bekend onder de naam Rebbe Jokef. Hij was de grootvader van mijn grootmoeder van vaderskant. De Rebbe was gezien en geliefd bij jong en oud.
Overgeleverd in een oude doos uit de boedel van mijn oom z.l. trof ik een twee knipsels aan, afkomstig uit oude nummers van het Nieuw Israëlitisch Weekblad. Een vooroorlogs artikel in een rubriek getiteld “Herinneringen uit het oude Amsterdamsche ghetto” , de ander uit een nummer uit de vijftiger jaren met opschrift "Rebbe Jokef Content, een figuur uit oud Joods Amsterdam".
Hier volgt een portret van Rebbe Jokef, waarbij ik dankbaar gebruik maak van deze stukken. Sommige passages neem ik (vrijwel) letterlijk over als ze te mooi zijn om niet te citeren.

De jonge Jacob was een nijver student, die dag en nacht studeerde.
Hij liep het Nederlandsch-Israëlietisch seminarium af en in 1841 mocht hij in een plechtige zitting met voorname gasten een voordracht houden in de landstaal, het Nederlands dus.
Die landstaal was toen voor Joden nog niet vanzelfsprekend: een dikke tien jaar daarvoor had koning Willem I nog bij Koninklijk Besluit erepenningen uitgeloofd voor diegenen die preken of leermiddelen voor Israëlieten in het Nederlands zouden vervaardigen (komt dat bekend voor…).
De Regent van het seminarie, de heer S.P. Lipman, opende de bijeenkomst met een ronkende inleiding, die hij besloot met de tot de notabelen gerichte woorden:
“Gij mensenvrienden, voor wie elke vordering welgevallig, iedere aanwinst dierbaar, elke zegepraal verblijdend is, zult de pogingen dezer jongelingen, hoe gebrekkig en onvolkomen, toejuichen, om het gewicht der zake, hetwelk onafhankelijk is van hun zwakheid, en om den invloed, welke de prediking eenmaal zal voortbrengen onder uw medeburgers van de Israëlitiesche geloofsbelijdenis”.
Toen hielden de kwekelingen Hirsch, Hillesum en ook Jacob Content hun voordracht en die van de aanstaande Rabbijn Content ging over “De verplichting die op den mensch en in het bijzonder op den Israëliet rust, aan zijn kinderen een godsdienstige en doelmatige opvoeding te geven”.

Hij studeerde vele jaren – onder andere onder de beroemde leraar Samson Raphaël Hirsch – en bekleedde vele functies in dat negentiende-eeuwse Joodse Amsterdam; onder andere werd hij Dajan (rabbijn met beslissingsbevoegdheid in belangrijke zaken).
Ook werd hij door “het kerkbestuur van den Grooten Kerkeraad der Gemeente” aangesteld tot “Predikant der Gemeente”, weliswaar zonder bezoldiging, en vele preken heeft hij gehouden in de diverse synagogen, genoemd worden de “Stroomarkt- , Uilenburger- en Rapenburgerstraatkerk” . Opvallend zijn de kerkelijke aanduidingen, waarschijnlijk in navolging van de Protestante terminologie.

De Rebbe woonde met zijn vrouw, de rebbetsin Gelle Weinthal, in de Rapenburgerstraat, eens een buurt waar de elite van het Amsterdamse Jodendom woonde. Zijn huis lag vlak naast een smalle gang, die toegang gaf tot een soort hofje. Het was geen echt hofje. maar de meeste mensen die in dit rustige deel van de drukke Amsterdamse Jodenbuurt woonden, waren rustige lieden, een beetje op leeftijd.
De meeste Joden, die in het gangetje en hofje woonden, waren zeer godvruchtige mensen. Kwam men op Vrijdagmiddag het smalle straatgangetje in en op het hofje, dan kon men van blank geschuurde straatstenen eten. Geel en donkerrood waren de straatstenen. waar de Joodse huisvrouwen de hele vrijdag op geboend hadden.

Dat huis was een veel bezochte plek.
Elke Vrijdagmiddag hield hij een soort spreekuur voor de gehele buurt. ledereen kon bij hem om advies aankloppen. In een hoge ouderwetse leunstoel, met zwaar trijp bekleed, zat Rebbe Jokef Content dan met zijn gebogen rug aan de tafel tegenover de bezoeker of bezoekster, die met een probleem bij hen kwam. Op de tafel stond een grote zilveren snuifdoos, gevuld met snuif en zijn neusgaten waren zwart van het tabak snuiven dat hij jaren lang met grote hartstocht had gedaan.
Naast de zilveren snuifdoos lag zijn chommesj* (boekwerk met de Tora). Kwam men met een treurig gezicht binnen. dan bracht rebbe Jokef snel een lach op het gezicht van zijn bezoeker. Want rebbe Jokef Content kende vele geestige verhalen uit de Joodse literatuur van het verleden, maar ook uit het Joodse leven van zijn tijd en zijn buurt.
Was de bezoeker een beetje opgevrolijkt, dan kwam Rebbe Jokef met zijn advies, meestal gekruid met verhalen en citaten uit Tora of Talmoed.
Rebbe Jokef was een groot Talmoedist. Daar was hij zelf ook van overtuigd.
Een van zijn vele zoons was een bekend biljarter, die zich aan religieuze zaken weinig gelegen liet liggen. Maar de rebbe was een verdraagzaam man. Als over zijn niet-godsdienstige zoon de biljartspeler gesproken werd zei hij: "Wat ik ben in de Talmoed, is mijn zoon in het biljarten".
Op Sjabbatmorgen ging de rebbe naar sjoel, naar de Lange Houtstraat.
Stapje voor stapje liep hij deftig en langzaam op straat, zomer en winter in een zwart lakens pak met een hoge zijden hoed op, de zilveren snuifdoos in zijn hand. Hij werd altijd vergezeld door een paar buurtgenoten. Als het gesprek heftig werd, bleef de rebbe op straat stilstaan. Met brede gebaren maakte hij zijn metgezellen zijn bedoelingen duidelijk. Dan liep het gezelschap weer verder.
Soms kwam een buurtgenoot naar hem toe, die hem op straat om een antwoord op een moeilijke vraag vroeg. De Rebbe was een vraagbaak voor velen.

Hoe geliefd hij was, bleek wel bij zijn begrafenis. Als een vorst in Israël werd hij begraven. Zijn buurtgenoten weenden achter de begrafenisstoet. Iedere Jood voelde, dat met Rebbe Jokef Content een goede Jood, een wijs man uit Israël, was heengegaan.

*chommesj (Jiddisch) = choemasj = boekwerk met de Torah, ofwel de vijf bijbelboeken Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.


Een klassefoto

Van de lagere school – zo heette dat toen - heb ik nog maar één klassefoto. Zo’n groep van 20 à dertig kinderen rond de onderwijzer gegroepeerd in rijen van drie of vier en geplakt tegen een bakstenen muur.
De foto die ik nog heb is van de derde klas. Hij is genomen in 1948 in Scheveningen, als ik me niet vergis op het plein van de school in de Rotterdamse straat, vlakbij wat nu het circustheater is.
Het konterfeitsel is niet heelhuids door de decennia gekomen. Een kwart, de linkerhoek, is afgescheurd, wanneer en hoe is mij totaal ontschoten. Minstens vijf kinderen die daarop stonden zijn voorgoed uit de tijd gegumd, opgeslokt in een vacuüm van vergetelheid. Geen idee wie het geweest zijn op die linkerhoek.
Over de ruim driekwart foto die de tijd heeft doorstaan lopen een paar lelijke vouwen, alsof de foto opgevouwen in een broekzak heeft gezeten. Aan de rechterhoek heeft een muis geknaagd lijkt het wel. Hij heeft de punt van de schoen van het rechterbeneden-kind opgegeten. Negenentwintig kinderen – het grote merendeel - hebben het wèl gered. Negenentwintig gezichtjes van zeven à acht jaar kijken mij aan met de glimp van een glimlach; het vogeltje van de fotograaf heeft kennelijk succes gehad. Van de meeste weet ik nog de voornamen.

Ikzelf ben de midvoor, ik zit helemaal in het midden op de eerste rij. Het regenjasje dat ik aanheb herinner ik mij nog vaag, groen met ruiten en je kon het binnenstebuiten keren en dan was het een regenjasje.
Wie was ik toen? Een getuigenis over mij is bewaard gebleven;
in de tweede klas had ik een juffrouw, die in mijn overgangsrapport een korte kenschets gaf. Dat rapporthad mijn vader die nooit iets weggooide trouw bewaard samen met allerlei andere oude papieren in een grote vuilgele envelop.
Ik citeer: “Zijn verstand is zijn leeftijd ver vooruit, maar in wezen is hij nog een kleuter” (goed gezien, hoor). En “ Helaas is hij voor zijn omgeving nogal hinderlijk door veel te veel ‘lolletjes’ te maken.” en dan, nogal raadselachtig: “Zelfs de kinderen kunnen hem niet weerstaan”. Tenslotte: “We zullen streng moeten zijn met begrip!”.
De pedagogie van die tijd was er duidelijk op uit de onaangepaste kleine anarchist die ik was te temmen. Ook de jonge onderwijzer van de derde klas bracht deze missie in praktijk, waarbij ik mij zijn strengheid beter herinner dan zijn begrip.

Op de foto zit ik met de kont op het plaveisel aan de voeten van meester. Hij heeft zijn knieën bijna om mijn oren gekneld, alsof hij zodoende mij als zijn prooi ongemerkt in bedwang kan houden. Hij heette trouwens de Jager, meester de Jager. Jaar of vijfentwintig. Mijn grote kwelgeest was hij. Als ik in zijn donkere, ernstige, sombere gezicht kijk denk ik nog steeds: strafwerk! Het leek mijn lot om om de haverklap werk over te moeten maken of strafregels te moeten schrijven, “toe meester, hoeft het niet?”, zeurde ik dan, maar nee hoor, meester bleef onverbiddelijk.

Tsja, ik was een soort allochtoontje, een immigrant die met z’n ouders in 1946 berooid uit het toenmalig Nederlands-Indië in de Lage Landen was aangeland. Ik moest de Nederlandse manieren leren.
In de nieuwe omgeving van de schoolse kindergemeenschap probeerde ik onhandig een plekje te veroveren en trachtte ik de code te ontcijferen, die toegang gaf tot het erbij horen. Dat alles gaf aanleiding tot gekke uitschieters en humoristische taferelen. Ik zei of deed grappige en gekke dingen, soms gewoon uit onwetendheid. De vraag is of ik intussen die ontcijfering heb voltooid dan wel heb opgegeven.

Van de kinderen op de foto zal ik u er drie voorstellen: mijn grote vriend, mijn grote vijand en mijn grote liefde.
De grote vriend was Tom, op de foto zit hij naast mij, daar rechts van mij, met dat bleekblonde haar.
Wat we nou samen deden, is me ontschoten (spoorzoeken en zo? ), maar wat ik nog weet is dat hij uit Spoorwijk kwam, een echte volksbuurt. Toen ik een keer bij hem mocht spelen moest ik heel Den Haag door, ik weet zijn adres nog, Oltmansstraat nummer zoveel, een krap bemeten bovenhuis. Wat ons bond was waarschijnlijk een mate van buitenstaanderschap.
Hij kwam als volksjongen op een school voor de betere stand. Net als ik was hij een vreemde eend in de bijt.
Na twintig jaar liep ik hem weer tegen het lijf in een journalistencafé. Donkerblond geworden, fotograaf, met een waas van alcoholisme om zich heen.

Mijn grote liefde was Elly. Gelukkig staat ze er nog net op, helemaal links op de tweede rij van boven. Een aura van blonde krullen om een engelengezichtje. Of ik een woordje met haar gewisseld heb, nauwelijks denk ik, ik smachtte in stilte en fantaseerde, dat ik samen met haar, alleen met z’n tweetjes, naakt in de tuin speelde.

En dan mijn grote vijand. Helemaal rechtsboven staat hij, met een stroef en verbeten koppie. Het tegendeel van vriend Tom: keurig netjes gekleed, overhemdje, sjiek jasje, ja, dat klopt met mijn herinnering. Waarschijnlijk kwam hij uit een deftig milieu. Compulsief ordelijke, op keurige uiterlijkheid gefixeerde familie. Ik haatte hem met een diepe haat, de rest ben ik vergeten. Wat hij nou precies deed…, ja goed, hij treiterde mij, maar hoe dat is de vraag. Alleen het moment, dat ik in drift op hem in beukte en dat ik hem niet omver kreeg en hij alleen maar lachte, wat mij nog razender maakte. Dat is nog bij me.

Vóór de zomer 1949 scheepten mijn moeder, mijn broertje en zusje en ik ons in op de mail boot naar Nederlands-Indië, weer naar Indië en weer naar Bandoeng, de stad die wij in 1945 met alleen de kleren aan het vege lijf hadden verlaten.


De Nieuwe Schoolstraat

Veertig jaar na dato wordt het tijd er eens iets over te vertellen: over de Nieuwe Schoolstraat 56 in Den Haag, het huis waarin ik mijn eerste kamer had. Anderhalf jaar heb ik daar gewoond.
Wel had ik al eerder een tijd lang een kamertje in Leiden gehad, in mijn studententijd.
Toen ik afgestudeerd was en begon te werken op het Ministerie woonde ik een paar maanden in een hok bovenin een enorm herenhuis aan het Prinsevinkenpark, dat was een pension, waarin de knecht iedere dag de maaltijd bracht in pannetjes, die in een hengselconstructie gestapeld waren, Indische mensen noemen dat een ‘rantang’, er zal ook wel een Nederlands woord voor zijn.

Via medebewoners in het Prinsevinkenpark hoorde ik dat er een kamer vrij was in het centrum van Den Haag, in de Nieuwe Schoolstraat, en ik zag mijn kans schoon en een romantisch bohémienleven voor mij.
De Nieuwe Schoolstraat, ik ben er in eeuwen niet meer geweest. Hij ligt vlak achter de veel bekendere Denneweg, die uitkomt op het Korte Voorhout. Het wijkje werd jaren later en misschien toen ook al wat al te wijds het Quartier Latin van Den Haag genoemd, misschien omdat er een enkele gallerie en wat antiekwinkels waren, de Haagse Kunstkring zich aan de Denneweg bevond en aan een zijstraatje van de Denneweg lag café De Sport, hét café voor het Haagse (pseudo)artiestendom.
De Nieuwe Schoolstraat was toen in ieder geval nog een saaie straat met een lange reeks huizen, deels kantoor, uit de negentiende eeuw.

Nummer 56 was een bovenhuis en toen ik de kamer kwam bekijken werd ik bovenaan een verveloze trap verwelkomd door een vrouw, die zich bekend maakte als de eigenares van het pand.
Ik was toen een jaar of vijfentwintig en in mijn herinnering was het een oude dame, nu schat ik dat ze even over de vijftig was, hoewel ze ook iets leeftijdloos over zich had. Het was een type dat ook vijfenzeventig kon zijn geweest maar eruit zag als zesenvijftig. Graatmager was ze, geblondeerd piekerig haar, en qua kleding deed ze denken aan een zwerfster, die met een winkelwagentje en wat plastic zakken langs de gevels schuift, maar ze was wel opgemaakt, lippenstift en ik geloof zelfs ouderwets gepoeierd en schrandere blauwe ogen keken mij aan toen ze zich voorstelde met haar naam, die ik nimmermeer zal vergeten en die ik hier letterlijk zal vermelden, hoewel ik verder meestal pseudoniemen gebruik: baronesse Boiset van Genderen, prinses Tarkovsky, gravin Treslong de la Tour.
Later noemden wij Nieuweschoolstraatzesenvijftigbewoners haar eenvoudig De Barones.

De Barones toonde mij mijn ‘appartement’, dat bestond uit een kamer van pakweg vijf bij vijf plus een kabinetje, dat een deur had naar die grote kamer en een deur naar de overloop. Samen had ik uitzicht door drie ramen, de grote kamer die met twee grote ramen uitkeek over de straat en het kabinetje had één raam.
De Barones had intussen veel te vertellen.
Wat ik nog weet is: dat ze getrouwd was geweest met een Poolse prins en daarna met een Belgische graaf. En dat ze nu alleen was en woonde in een groot landhuis in Spanje. Dat ze af en toe in Nederland was om wat zaken te regelen. Of het goed was dat ze nog een weekje in mijn kabinetje mocht verblijven. Dat ze na een week weer terugging naar Spanje. In het kabinetje had ze een bed geïnstalleerd en een telefoon en het spaarde hotelkosten uit. Ik vond het goedhartig als ik ben wel goed. Hoefde geloof ik ook wat minder huur te betalen.

Intussen leek mijn kamer een riante basis te vormen voor een boeiend bohémienleven. Overdag bond ik mijn stropdas om, deed mijn colbertje aan en begaf ik mij naar het Ministerie om nota’s te schrijven en commissievergaderingen te notuleren en als ik thuis kwam deed ik mijn ribfluwelen broek en spijkerjasje aan en mijn suède schoenen, zette mijn jazzplaten op en spoedig ook de Rolling Stones, The Doors en Jimi Hendriks, las boeken van William Burroughs en verwachtte dat de knagende eenzaamheid en de kwellende onrust binnenin mij spoedig zouden wijken voor spannende avonturen.
Nieuwsgierig was ik: wie woonden er verder in dit pand, behalve tijdelijk in mijn kabinetje de barones die ik voortdurend door de deur die ons scheidde heen hoorde telefoneren, uur in uur uit.
In de kamers aan de achterkant woonde een Surinaams stel. Tussen onze kamer bevond zich een primitieve douchecel en een tweepitsgasstelletje, waarop de Surinamers hun kouseband kookte en ik af en toe een ei bakte. Ik merkte verder niet veel van ze.

Dat kan niet gezegd worden van Andreas Das. Van de medebewoners meldde hij zich het meest prominent. Hij woonde een trap hoger in de kamer aan de achterkant. Andreas deed het eerst van zich horen door een reeks juichende kreten, die hij slaakte toen hij door de Nieuwe Schoolstraat aan kwam lopen. Het klonk als Johooo, Héééjooo, het schalde door de buurt en toen ik uit het raam keek zag ik een rijzige man aankomen, een hippe figuur met een donkere volle baard, midden twintig, met in zijn gevolg een paar wat jongere jongens. Dat juichen was niet eenmalig, bleek later, Andreas slaakte de hele dag door juichkreten.
Met veel lawijt beklom mijn baardige medebewoner de twee trappen van ons pand naar zijn kamer en daar bleken zich gezellige middagen en avonden af te spelen, waar ik al gauw ook uitgenodigd werd, drukke dagdelen met altijd bezoek van bewonderaars van Andreas’ life style, gezellige eindeloze kletsuren met veel juichende kreten van Andreas – Héééjooo, Hojoooo - tussen het geklets en de harde popmuziek door, terwijl intussen de gastheer de ene na de andere dikke joint draaide en rond liet gaan.
Andreas was in die tijd een ongeremde levensgenieter die meesterlijk alle arbeid wist te vermijden. Hij wist, mede dank zij de stuff, voortdurend in een soort aanstekelijke extase te zijn. De enige die met zijn levenswijze minder gelukkig bleek te zijn was Maaike, zijn vriendin.
Maaike was een mooie meid van twintig, blond, slank met een aantrekkelijk minirokje en af en toe glipte ze weg uit haar werk of uit de kring van haar familie om haar nieuwe vriend - ze gingen net een maand met elkaar - te bezoeken. Met Maaike had Andreas een levendige erotische verhouding, waarvan hij ons vaak luidruchtig en met veel gejuich verslag deed. Maaike probeerde Andreas op het ‘rechte pad’ te brengen en van tijd tot tijd hadden ze heftige ruzie, waarin het thema was dat Andreas de hasj moest laten staan en werk moest zoeken.
En, een voorschot nemend op een latere aflevering, kan ik je verklappen dat dit natuurlijk niet goed kon gaan. Maaike heeft het na een paar maanden uitgemaakt. Tot Andreas’ eigen verbazing was hij hierdoor diep aangeslagen. Toen ik hem vele jaren en vele kamers en appartementen later weer tegenkwam was hij niet meer die oude extatische Andreas; er was een floers getrokken over zijn ooit zo glanzende donkerbruine ogen, hij was een ridder van de droevige figuur geworden.

Wie woonden er verder in dat verveloze pand?
Af en toe zag ik een gejaagde jonge vrouw passeren en de trap op rennen naar de tweede verdieping. Ze was tenger, donker, niet onknap. Dat bood perspectieven. Ze woonde boven mij, in een gelijkvormige kamer aan de voorkant. Xenia. Toen ik een beetje kennis aan haar kreeg werd ik meegezogen in een leven, waarin ze voortdurend van het ene administratieve baantje naar het andere werd ontslagen, waarin steeds een ex-vriendje opdook, en waarin ze van tijd tot tijd hevige angstaanvallen had.
De situatie die ik het meest herinner is, dat ze bij mij op bezoek was en bij mij op schoot zat. We vrejen een beetje met elkaar, zo’n eerste verkenning, toe ze opeens begon te trillen en te beven. “Hij komt eraan”, zei Xenia schor, rukte zich los en repte zich naar boven naar haar kamer, en waarachtig, een minuut later hoorde ik het mij intussen al bekende geluid van een MG-motor en daar stopte de felrode sportauto van ex-minnaar Dick . Eerst geschreeuw van Xenia vanuit haar raam en geschreeuw terug van Dick, die toch binnengelaten werd. Even later klonk heftig geruzie van boven tot mijn kamer door, gedoe, gebonk, geschreeuw.
Dan stilte, waarin ik mij voor mijn geestesoog een soort verzoenende vrijpartij voorstelde.
Een volgende keer trachtte ik als een soort halfbakken beschermer annex medeminnaar nog tussenbeide te komen in deze hopeloze sadomasochistische geschiedenis - een verhitte discussie tussen mij en Dick in vechthouding bij die rooie MG - maar dat was onbegonnen werk. Wie dat uiteindelijk wel lukte was Xenia’s oude leraar Duits, een dertiger, die jaren geleden toe ze nog op school zat smoorverliefd op haar was geworden, al tijden achter haar aan had gelopen en zich steeds als een trouwe borst over haar ontfermde en naderhand, toen zijn scheiding erdoor was, huurde hij zelfs een kamertje in ons huis om over haar te waken. Vele jaren later werd ik een keer gebeld: ze waren getrouwd en hadden een kind.

Verdere leden van deze kleurige menagerie later een keer.
Want intussen zat de Barones niet één week, niet twee weken, maar al drie maanden in dat kabinetje. Op de overloop kwam ik haar af en toe tegen en dan vroeg ik weer wanneer ze nou naar Spanje zou vertrekken. Dan zei ze, nog een paar dagen, maar ze bleef maar.
Na drie maanden was de maat vol. Ik hoorde haar weer uren telefoneren met advocaten; inmiddels was bekend dat ze voortdurend het ene proces na het andere voerde over alles en nog wat, ik geloof ook over dat landgoed in Spanje. Ik rukte de deur van het kabinetje open, waar ik een tafereel zag, dat nog steeds niet van mijn netvlies is verdwenen: de Barones lag half op bed (het enige meubel in dat kamertje), de telefoonhoorn in de hand, omringd door ordners, klappers, mappen, papieren, dat alles ordeloos op bed en op de vloer verspreid met daar tussendoor een open pot pindakaas, een aangebroken brood, pakje boter, ongewassen borden, kopjes en vies bestek en wat kleren en degelijke onderbroeken. Ik kon nog net uitbrengen dat ze volgende week weg moest zijn. Het was haar duidelijk dat mijn goedhartigheid aan zijn absolute eind was gekomen en inderdaad was ze toen snel verdwenen.

20 januari 2006 (sommige details zijn in dit verhaal om redenen van privacy veranderd)


Joden in Nederlands Indië (1)
Short survey of the past presence of Jews in the then Dutch East Indies, now Indonesia, part one

Donderdag, 2 december '05, woonde ik een symposium bij over Joden in Ned. Indië*. Het vond plaats bovenin het eerbiedwaardig cultuurhuis Felix Meritis, in de Shaffyzaal.

Het inspireerde mij tot dit verhaal, een mix van feitjes,neerslag van de lezingen en herinneringen.

Joden zijn er in Nederlands Indië nooit in groten getale geweest.
In de bloeitijd van de Nederlandse koloniale aanwezigheid, in 1932, waren er zo'n 2000 op 300000 Nederlanders, die er verbleven temidden van de toen 60 miljoen autochtonen.
Een van de eerste Joden was Leendert Miero , die aan het eind van de 18e eeuw op Java soldaat was en daarna een handel is begonnen. In Djakarta is nog steeds zijn graf te zien.

In de 19e eeuw kwamen er meer Joden, voornamelijk voor de handel.
Een reiziger uit Jeruzalem, Rabbijn Jacob Saphir, die in de vijftiger jaren van de 19e eeuw Batavia (Jakarta) bezocht, vermeldt in zijn reisverslag, dat een Joodse handelaar uit Amsterdam hem over 20 Joodse families van Nederlandse of Duitse herkomst berichtte, de meesten woonachtig in Batavia, sommigen in Semarang en Surabaya.
(voor wat meer details zie het stukje op de site van het Israelische diasporamuseum)
Er was een zekere trek van Joden uit het Ottomaanse rijk naar het Zuidoosten en een aantal kwam terecht op Sumatra en Java. Ze werden Baghdadi's genoemd.
Bekend is het verblijf van de journalist Alexander Cohen, die in de eerste helft van zijn leven rebel en anarchist was en uitgeweken naar Indië een aantal jaren soldaat was in het Nederlandsch-Indisch Leger.

Dat was aan het eind van de 19e eeuw en in die tijd werd er in Nederland uitgebreid reclame gemaakt om dienst te nemen in de koloniale gelederen. Ook veel Joden gaven daar gehoor aan. Ze namen dienst in het binnenlands bestuur van de kolonie of in het koloniale leger, werden actief in het onderwijs en in medische beroepen, of werden ‘planter' op de zogenaamde ‘ondernemingen' (uitgebreide plantages voor koffie, thee of rubber).

Zo ook mijn beide grootvaders [ meer over hen in column grootvaders ], die exemplarisch zijn voor deze ontwikkeling. Mijn grootvader Cassuto emigreerde in 1915 als jong jurist naar Indië en werd leraar aan (later directeur van) scholen, die zogenaamde ‘inlanders' opleidde voor administratieve en bestuursfuncties; mijn grootvader van moederskant, van Zuiden, nam na zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie als officier dienst in het (inmiddels Koninklijke) Nederlandsch Indisch Leger, het KNIL. Dat was al in 1905 of 1906.
Mijn veronderstelling is dat mijn grootvaders mede gemotiveerd werden door de grotere vrijheid in de koloniën. Er waren daar geen knellende banden van het Joodse milieu en er was minder sprake van grote discriminerende vooroordelen en meer perspectief op carrière.
Romantischer uitgedrukt: het avontuur dat lokte werd minder begrensd door barrières vanuit de Joodse afkomst.

In hoeverre was er nog sprake van Joods leven in die ‘groene gordel van smaragd'?
Genoemde rabbijn Jacob Saphir die in de 19e eeuw Indië bezocht verzuchtte in zijn verslag, dat de Joden daar nog amper iets deden aan hun religie. Men besneed de zonen niet meer en deed nauwelijks nog aan de Joodse feestdagen.
Dat was in de twinstigste eeuw nog steeds zo.
Er was in heel Nederlands Indië geen rabbijn. Als je per se een besnijdenis (brit mila) wilde laten uitvoeren moest men de rabbijn van Singapore laten overkomen.

Er was ook geen synagoge, behalve in Soerabaja, waar een paar honderd zogenaamde Baghdadi's (Sefardische Joden uit Irak) woonden. Er waren Joden in wat grotere aantallen van nog geen of omstreeks honderd in Batavia, Bandung en Semarang, maar die vormden geen religieuze gemeenschap. Je kan je afvragen of die aantallen kloppen, want ik vermoed dat vele Joden zich niet als zodanig profileerden.

Zo ook mijn grootouders, die leefden of trachtten te leven net zoals alle andere Nederlandse ‘kolonialen'. Ze waren lid van de ‘Sociëteit' (de gezelligheidsvereniging van de Nederlandse gemeenschap, bijgenaamd ‘de Soos'). Ze waren actief in toneelclubs; overgeleverde krantenknipsels recenseren succesvolle toneeluitvoeringen , waarin mijn grootmoeder figureert als gangmaakster.knipsel

En een beruchte foto van mijn anders zo ingetogen grootvader Cassuto uit zijn jonge Indische jaren toont hem verkleed als vrouw in het toneelstuk ‘De tante van Charley'; het laat een glimp zien van onbezorgde deelneming aan het gezelligheidsleven. Ze vierden Kerstmis en Sinterklaas en waren betrokken in allerlei feestelijkheden rond het Koninklijk Huis of goede doelen.
Ook mijn grootvader van Zuiden is op een reeks foto's van feestelijke bijeenkomsten aan lange tafels te zien met vele verder anonieme medevierders.

bericht over toneeluitvoering met vermelding Lien Cassuto, Magelang 1927/28


Kerstmis Cassuto's en vrienden, Probolinggo (op Oost-Java)1920, Lien Cassuto vierde volwassene van links, geflankeerd door zoontjes Max en Ernest

Toch mag ik aannemen, deels uit bronnen, deels uit overlevering, dat ze hun vrienden zochten in Joodse kring. In de tijd dat mijn grootvader Cassuto met zijn gezin woonde in Bandung maakten ze vele uitstapjes naar de onderneming Tjigombong, die in de buurt van Bandung op de hoogvlakte van Preanger lag en die werd gerund door hun goede vriend, de Joodse planter Albert Zeehandelaar.

Ook andere vermoedelijk Joodse families komen in de fotoalbums voor. Zo liep zeer waarschijnlijk grootvader Cassuto ook grootvader van Zuiden tegen het lijf, toen de laatste na vele omzwervingen in de buitengewesten in Bandung werd gestationeerd in een administratieve militaire functie.
Ze werden goede vrienden.

Ze waren beiden lid van een vrijmetselaarsloge.
Mijn vermoeden is, dat vele Joodse ingezetenen van grotere steden in Nederlands Indië lid waren van de vrijmetselaars. Dat zou verder moeten worden onderzocht. Weliswaar waren verreweg de meeste Joden niet meer praktiserend Joods, ze hadden wel behoefte de diepere zaken des levens te bespreken, te filosoferen en vieringen te doen. De vrijmetselaarsloge bood daarvoor de gelegenheid, overigens niet alleen aan Joden maar natuurlijk ook aan anderen, die in een vrije spirituele omgeving geestverwanten konden ontmoeten. In bijeenkomsten van die loges werden vele contacten gelegd, ook dus tussen Joden onderling. En waarschijnlijk gaf de loge ook veel gelegenheid tot wat we tegenwoordig ‘netwerken' noemen.

Ik ontmoette op het symposium een man, die evenals ik als Joods jongetje in Bandung had gewoond. Hij was een paar jaar ouder dan ik en kon zich herinneren dat op de Vrijmaatselaarsloge net zo goed Kerstmis als Chanoeka werd gevierd.

(wordt vervolgd met: Joden tijdens en na de Pacific war)

* Symposium over joden en antisemitisme in Nederlands Indië en in Indonesië, georganiseerd door de Stichting Bijzondere Leerstoel Joodse Studiën (Universiteit van Amsterdam) op initiatief van Evelien Gans, bijzonder hoogleraar Hedendaags Jodendom, in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en met de Vrije Universiteit.
12 dec. 2005


"The aspects of things that are most important for us are hidden because of their simplicity and familiarity. (One is unable to notice something - because it is always before one's eyes.) The real foundations of his inquiry do not strike a person at all. - And this means: we fail to be struck by what, once seen, is most striking and most powerful."
Wittgenstein, Philosophical Investigations, #129

"Het verwondert mij steeds meer dat het Lichaam de Geest bevat - zoiets kan niet zonder overweldigende arbeid gedragen worden" (Emily Dickinson)

column p. 1a
columns p. 2
columns p. 2a
columns p. 3


wil je regelmatig een nieuwe column opgestuurd krijgen
klik dan op  ››

columns

column p. 1a
columns p. 2
columns p. 2a
columns p. 3

column p.4

weblog

columns on this page:

Afscheid

Noam Chomsky en Israël

Mijn loopbaan bij de MID

Royal

Vlieg

Lak

Shlomo Bar

Rebbe Jokef

Een klassefoto

De Nieuwe Schoolstraat

Joden in Nederlands Indië


naar de Engelse columns



visit also my other website with the poetry:
weblog Cassuto